Wie vandaag beweert dat de coronacrisis iedereen even hard heeft getroffen, houdt zichzelf een waanbeeld voor. De COVID-19 pandemie en de bijhorende maatregelen hebben bestaande maatschappelijke ongelijkheden blootgelegd en zelfs verergerd. Terwijl de opeenvolgende lockdowns aanleiding gaven tot repressieve overheidsmaatregelen, bleek "thuisblijven" een luxe die niet iedereen zich kon veroorloven. Dit gold in het bijzonder voor mensen op de vlucht.

Zoals overal gingen ook vele vluchtelingenkampen, zoals de hotspots op de Griekse eilanden, in lockdown in het voorjaar van 2020. In overvolle kampen waar duizenden vluchtelingen de voorziene honderden plaatsen bezetten, bleek social distance praktisch onhaalbaar. De hygiënische situatie, maar ook de toegang tot sociale, juridische en medische hulp gingen er bijgevolg enkel op achteruit. Volgens Artsen Zonder Grenzen was er in sommige delen van het beruchtste kamp Moria slechts één kraan met stromend water beschikbaar voor 1,300 bewoners. In het Vial-kamp waren 30 toiletten beschikbaar voor 5,782 personen - dat is één toilet voor 192 mensen. Terwijl de Griekse overheid in de zomer van 2020 de COVID-19 restricties versoepelde, werden de maatregelen voor de hotspots enkel strenger. Het virus diende zo als dekmantel om repressieve maatregelen door te voeren en de bewegingsvrijheid van mensen op de vlucht te beperken.

Bovendien bemoeilijkte het sluiten van de grenzen ook de mobiliteit van vrijwilligers. Dit verhinderde de Britse, Franse en Belgische hulpverlening in de vluchtelingenkampen van Calais en Duinkerke. Bijgevolg werden vluchtelingenkampen verder geconsolideerd tot wat we volgens de filosoof Achilles Mbembe kunnen beschrijven als een 'dodenwereld' waar mensen als levende doden aan de marges van de rechtstaat leven. Op 12 september gebeurde dan ook het gevreesde: gefrustreerde kampbewoners staken het Moria-kamp in brand. Middenin een pandemie stonden duizenden mensen op straat, op zoek naar een veilig onderkomen.

In plaats van solidariteit te bemoeilijken, zouden onze regeringen er beter een voorbeeld aan nemen.

Zulke situaties deden zich niet alleen voor aan de grenzen van Fort Europa. Nadat de procedures voor nieuwe asielaanvragen in België tijdens de eerste lockdown kortstondig werden stopgezet, voerde de Dienst Vreemdelingenzaken begin april 2020 een online aanmeldingsprocedure in die uiteindelijk 7 maanden van kracht bleef. Medewerkers van Fedasil en verschillende NGO's uitten al snel kritiek op de aanmeldprocedure, die enkel in het Nederlands en Frans beschikbaar was en veronderstelde dat verzoekers toegang hadden tot een e-mail account, een gsm en de mogelijkheid hadden om hun identiteitsdocumenten in te scannen. Bovendien gold de aanmeldingsprocedure slechts als een pre-registratie die, in tegenstelling tot de échte registratie, asielzoekers geen recht gaf op opvang. Doordat de wachttijden voor registraties van niet-prioritaire asielzoekers verdrievoudigden en pre-registratiepogingen vaak voor evidente redenen ongeldig werden verklaard, belandden honderden mensen tijdens een pandemie op straat.

Ook mensen die al langer in België verblijven werden hard getroffen door de coronacrisis. Pigment, een Brusselse vzw die voornamelijk met mensen zonder wettig verblijf werkt, merkte op dat hun doelgroep door de pandemie met extra moeilijkheden te kampen kreeg. De maandenlange sluiting van 'niet-essentiële' sectoren betekende voor mensen zonder wettig verblijf vaak het wegvallen van inkomen en sociale ontbering. Aangezien velen het daarbij zonder sociaal vangnet en toegang tot medische ondersteuning moesten stellen, zochten ze hun laatste toevlucht tot een nieuwe asielaanvraag of, in het geval van uitgeprocedeerde asielzoekers, tot een aanvraag voor (collectieve) regularisatie. De uitzichtloosheid duurt verder tot op vandaag en dreef recent meer dan 400 mensen zonder papieren tot een honger- en dorststaking.

Maar een crisis kan ook een moment van verandering zijn, een moment waarop we als maatschappij geconfronteerd worden met het feit dat het anders kan en moet. Tijdens de coronacrisis stonden talloze NGO's en burgerinitiatieven aan de frontlinie ter bescherming van mensen op de vlucht. Zij boden technische en materiële ondersteuning aan asielzoekers, voorzagen noodopvang en juridische begeleiding voor migranten in transit naar het Verenigd Koninkrijk en organiseerden vaccinatiecampagnes voor mensen zonder wettig verblijf. Maar ook de recente honger- en dorststaking dreef burgers tot solidariteit met mensen zonder papieren in vraag voor een meer humaan en transparant migratiebeleid. Naarmate de staat meer afzag van de verantwoordelijkheid om mensen op de vlucht te ondersteunen, werden NGO's en burgerinitiatieven onmisbare spelers die zich, met eigen middelen of donaties, ontfermden over hun mensenrechten. Dergelijke initiatieven toonden ons het afgelopen jaar dat het wel anders kan. In reactie tegen het verharde, restrictieve en dehumaniserende migratiebeleid gaven zij het voorbeeld van hoe grenzeloze solidariteit en een meer menselijke humanitaire ondersteuning er in de praktijk uit kan zien.

Het groeiende belang van burgerinitiatieven voor mensen op de vlucht heeft echter ook een keerzijde. Terwijl het repressieve beleid mensen op de vlucht, met of zonder papieren, mentaal en fysiek uitput, voelen burgerinitiatieven zich gedwongen om zich in te zetten voor hun meest elementaire rechten. Burgerinitiatieven weten maar al te goed genoeg dat ze daarmee de rol van de overheid overnemen, maar geconfronteerd met steeds nieuwe humanitaire noodsituaties kunnen ze niet anders.

Toch mag dat ons niet moedeloos stemmen. Door zich te organiseren tonen burgerinitiatieven dat er steeds vraag is naar een meer humane ondersteuning aan mensen op de vlucht. Zij tonen hoe we in de praktijk kunnen breken met een repressief beleid dat mensen doelbewust tot wanhoop drijft en hoe we in plaats daarvan structurele en humane bescherming kunnen bieden aan mensen op de vlucht. In plaats van solidariteit te bestraffen of te bemoeilijken, moedigen wij onze regeringen aan om een voorbeeld te nemen aan de grenzeloze solidariteit van vrijwillige burgers. Hun engagement onderstreept andermaal de nood aan een humanitaire ondersteuning voor mensen op de vlucht die mensenrechten structureel beschermt in plaats van schendt.

Wie vandaag beweert dat de coronacrisis iedereen even hard heeft getroffen, houdt zichzelf een waanbeeld voor. De COVID-19 pandemie en de bijhorende maatregelen hebben bestaande maatschappelijke ongelijkheden blootgelegd en zelfs verergerd. Terwijl de opeenvolgende lockdowns aanleiding gaven tot repressieve overheidsmaatregelen, bleek "thuisblijven" een luxe die niet iedereen zich kon veroorloven. Dit gold in het bijzonder voor mensen op de vlucht.Zoals overal gingen ook vele vluchtelingenkampen, zoals de hotspots op de Griekse eilanden, in lockdown in het voorjaar van 2020. In overvolle kampen waar duizenden vluchtelingen de voorziene honderden plaatsen bezetten, bleek social distance praktisch onhaalbaar. De hygiënische situatie, maar ook de toegang tot sociale, juridische en medische hulp gingen er bijgevolg enkel op achteruit. Volgens Artsen Zonder Grenzen was er in sommige delen van het beruchtste kamp Moria slechts één kraan met stromend water beschikbaar voor 1,300 bewoners. In het Vial-kamp waren 30 toiletten beschikbaar voor 5,782 personen - dat is één toilet voor 192 mensen. Terwijl de Griekse overheid in de zomer van 2020 de COVID-19 restricties versoepelde, werden de maatregelen voor de hotspots enkel strenger. Het virus diende zo als dekmantel om repressieve maatregelen door te voeren en de bewegingsvrijheid van mensen op de vlucht te beperken. Bovendien bemoeilijkte het sluiten van de grenzen ook de mobiliteit van vrijwilligers. Dit verhinderde de Britse, Franse en Belgische hulpverlening in de vluchtelingenkampen van Calais en Duinkerke. Bijgevolg werden vluchtelingenkampen verder geconsolideerd tot wat we volgens de filosoof Achilles Mbembe kunnen beschrijven als een 'dodenwereld' waar mensen als levende doden aan de marges van de rechtstaat leven. Op 12 september gebeurde dan ook het gevreesde: gefrustreerde kampbewoners staken het Moria-kamp in brand. Middenin een pandemie stonden duizenden mensen op straat, op zoek naar een veilig onderkomen.Zulke situaties deden zich niet alleen voor aan de grenzen van Fort Europa. Nadat de procedures voor nieuwe asielaanvragen in België tijdens de eerste lockdown kortstondig werden stopgezet, voerde de Dienst Vreemdelingenzaken begin april 2020 een online aanmeldingsprocedure in die uiteindelijk 7 maanden van kracht bleef. Medewerkers van Fedasil en verschillende NGO's uitten al snel kritiek op de aanmeldprocedure, die enkel in het Nederlands en Frans beschikbaar was en veronderstelde dat verzoekers toegang hadden tot een e-mail account, een gsm en de mogelijkheid hadden om hun identiteitsdocumenten in te scannen. Bovendien gold de aanmeldingsprocedure slechts als een pre-registratie die, in tegenstelling tot de échte registratie, asielzoekers geen recht gaf op opvang. Doordat de wachttijden voor registraties van niet-prioritaire asielzoekers verdrievoudigden en pre-registratiepogingen vaak voor evidente redenen ongeldig werden verklaard, belandden honderden mensen tijdens een pandemie op straat.Ook mensen die al langer in België verblijven werden hard getroffen door de coronacrisis. Pigment, een Brusselse vzw die voornamelijk met mensen zonder wettig verblijf werkt, merkte op dat hun doelgroep door de pandemie met extra moeilijkheden te kampen kreeg. De maandenlange sluiting van 'niet-essentiële' sectoren betekende voor mensen zonder wettig verblijf vaak het wegvallen van inkomen en sociale ontbering. Aangezien velen het daarbij zonder sociaal vangnet en toegang tot medische ondersteuning moesten stellen, zochten ze hun laatste toevlucht tot een nieuwe asielaanvraag of, in het geval van uitgeprocedeerde asielzoekers, tot een aanvraag voor (collectieve) regularisatie. De uitzichtloosheid duurt verder tot op vandaag en dreef recent meer dan 400 mensen zonder papieren tot een honger- en dorststaking.Maar een crisis kan ook een moment van verandering zijn, een moment waarop we als maatschappij geconfronteerd worden met het feit dat het anders kan en moet. Tijdens de coronacrisis stonden talloze NGO's en burgerinitiatieven aan de frontlinie ter bescherming van mensen op de vlucht. Zij boden technische en materiële ondersteuning aan asielzoekers, voorzagen noodopvang en juridische begeleiding voor migranten in transit naar het Verenigd Koninkrijk en organiseerden vaccinatiecampagnes voor mensen zonder wettig verblijf. Maar ook de recente honger- en dorststaking dreef burgers tot solidariteit met mensen zonder papieren in vraag voor een meer humaan en transparant migratiebeleid. Naarmate de staat meer afzag van de verantwoordelijkheid om mensen op de vlucht te ondersteunen, werden NGO's en burgerinitiatieven onmisbare spelers die zich, met eigen middelen of donaties, ontfermden over hun mensenrechten. Dergelijke initiatieven toonden ons het afgelopen jaar dat het wel anders kan. In reactie tegen het verharde, restrictieve en dehumaniserende migratiebeleid gaven zij het voorbeeld van hoe grenzeloze solidariteit en een meer menselijke humanitaire ondersteuning er in de praktijk uit kan zien.Het groeiende belang van burgerinitiatieven voor mensen op de vlucht heeft echter ook een keerzijde. Terwijl het repressieve beleid mensen op de vlucht, met of zonder papieren, mentaal en fysiek uitput, voelen burgerinitiatieven zich gedwongen om zich in te zetten voor hun meest elementaire rechten. Burgerinitiatieven weten maar al te goed genoeg dat ze daarmee de rol van de overheid overnemen, maar geconfronteerd met steeds nieuwe humanitaire noodsituaties kunnen ze niet anders.Toch mag dat ons niet moedeloos stemmen. Door zich te organiseren tonen burgerinitiatieven dat er steeds vraag is naar een meer humane ondersteuning aan mensen op de vlucht. Zij tonen hoe we in de praktijk kunnen breken met een repressief beleid dat mensen doelbewust tot wanhoop drijft en hoe we in plaats daarvan structurele en humane bescherming kunnen bieden aan mensen op de vlucht. In plaats van solidariteit te bestraffen of te bemoeilijken, moedigen wij onze regeringen aan om een voorbeeld te nemen aan de grenzeloze solidariteit van vrijwillige burgers. Hun engagement onderstreept andermaal de nood aan een humanitaire ondersteuning voor mensen op de vlucht die mensenrechten structureel beschermt in plaats van schendt.