Elke week vraagt Knack aan ondernemende Belgen hoe ze lijf en psyche in balans houden.
...

'Kan het later?' Ramos hangt uit het raam van haar appartement op de eerste verdieping in de buurt van het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten. Een half uur geleden belde de artdirector van The Washington Post. Of ze een tekening kan maken bij een reportage over rechtsongelijkheid in de Verenigde Staten, over hoe wie rijk is een advocaat kan betalen en wie arm is niet, waardoor mensen bij een scheiding hun huis, hun kinderen, alles verliezen? 'Je zegt niet nee tegen The Washington Post', verontschuldigt ze zich. Maar ook: het thema raakt haar en dat blijft de voorwaarde om een opdracht te aanvaarden. 'Ik wil wat mij raakt visueel vertalen zodat het de wereld in beweging brengt. Een positieve impact hebben op de samenleving is voor mij de belangrijkste reden om te tekenen', vertelt ze twee dagen later op een bank aan het water. De late namiddagzon werpt lange schaduwen op de Scheldekaaien. Op haar telefoon toont ze me het resultaat. Een weegschaal uit balans met aan de ene kant een hoop bankbiljetten en aan de andere een huis waarvan de bewoners als schipbreukelingen aan de ramen bengelen. Door het tijdsverschil heeft het haar een nacht zonder slaap gekost. Het is tekenend voor het leven van Ramos op dit moment. Terwijl een deel van de wereld tot stilstand kwam, reisden haar tekeningen de aarde rond. 'Overweldigend', noemt ze het. 'Ik had nooit verwacht dat het zo snel zo groot zou worden. Ik zit in mijn atelier en tegelijkertijd ben ik overal. Ik hoef niet eens buiten te komen om mensen te raken.' Is die drijfveer er altijd geweest? Tekenen om maatschappelijk een verschil te maken? Fatinha Ramos:Er ligt een wereld van verschil tussen waarom ik ooit ben beginnen te tekenen en waarom ik het nu doe. Dat sociale is gegroeid. Er zijn een paar kliks geweest. De laatste was in het eerste jaar dat ik in Antwerpen woonde, in 2001, ik sprak net een beetje Nederlands en ging naar de Vrijdagmarkt. Aan een kraam verkocht men een meubel met prachtige, oude fotoalbums. Ik bladerde erin en zag een foto uit de jaren vijftig van een koppel dat zo stralend van geluk in de lens keek dat het me ontroerde. 'Dat ben ik', zei een oude vrouw naast me. 'Zo mooi,' antwoordde ik, 'waarom zou je dat verkopen?' Toen zag ik de tranen in haar ogen. Ze wilde helemaal niet verkopen. Ze moest. Ik heb een bod gedaan, alle foto's opgekocht en heb ze haar teruggegeven. Acht jaar later kwam ik haar weer tegen. Ze vertelde dat ze maandenlang naar de Vrijdagmarkt was gegaan met een bloem in de hand op zoek naar mij. 'Je weet niet wat je voor mij betekend hebt', zei ze. Dat gevoel, besefte ik toen, die impact wil ik met mijn kunst losweken. Lukt dat ook? Ramos: Ik zoek en blijf zoeken, maar er zijn zeker momenten waarop ik merk dat ik een snaar raak. Soms onverwacht. Het gebeurde met Saudade. Het is een Portugees woord voor gemis, maar eigenlijk is het geen woord, het is een begrip dat onvertaalbaar is. Het staat beschreven in Wikipedia, maar die beschrijving volstaat niet. Ik heb een laag van het begrip getekend, over het gemis dat mensen zoals ik voelen als je verhuist van het ene naar het andere land. Er nestelt zich een pijn zo diep in je ziel dat je leeg wordt vanbinnen en de enige manier om die leegte te vullen, is met herinneringen. Zo veel mensen herkenden zich daarin. Iemand zei me: 'Iets wat amper te verwoorden is, kun jij visueel vertalen.' Ik denk dat dat klopt. Als kind heb ik dat geleerd. Moeten leren. Ik heb heel veel pijn van anderen gevoeld. U bent geboren met dertig breuken in uw botten. Twee maanden, schatten de dokters, langer zou u niet leven. Ramos: Ik lag in een glazen bed en stond bekend als het kind van glas. Mensen kwamen naar mij kijken. Ik was een fenomeen. Mijn moeder voedde me heel voorzichtig met druppeltjes melk. Omdat in het ziekenhuis niemand in mijn genezing geloofde, hebben mijn ouders me naar huis gebracht en gered. Liefde overwint alles, zegt mijn moeder altijd. Vallen, breken, rusten, revalideren, leren stappen. Dat was het zich steeds herhalende patroon van uw jeugd. Toch heeft het u niet gesloopt? Ramos: Mijn ouders hebben geprobeerd me te beschermen en ervoor te zorgen dat ik niet viel en niets zou breken. 'Pas op, Fatinha. Voorzichtig, Fatinha. Rustig, Fatinha.' Ze waren bezorgd. Begrijpelijk. Maar liefde is loslaten. Dat hebben ze moeten doen. Toen en later, toen ik op kamers ging in Porto, of naar Antwerpen verhuisde. Ik kon niet leven zonder mijn benen te breken. Als ik viel, dan moest ik genezen. Opstaan en doorgaan. De kinesisten raakten me niet aan. Ze waren bang dat ik zou breken. Ik moest mezelf leren stappen. Iedere keer opnieuw. Het klinkt misschien vreemd, maar als je negen maanden in een ziekenhuisbed hebt gelegen, met zware gewichten op je benen, dan ben je gewoon blij als je eindelijk in een rolstoel zit. Die rolstoel betekende vrijheid. Het volgende lichtpuntje was opnieuw lopen. Ik heb heel vaak leren stappen en elke dag dat stapje verder voelde als een overwinning. Het heeft me gebracht waar ik nu ben. Ik weet dat ik na iedere val weer kan opstaan. In een TEDx Talk vertelde u dat u 'onderschat bent vanaf het moment dat u bent geboren'. Ramos: O ja, ik ben heel vaak onderschat. Omdat ik een meisje ben, omdat ik klein ben, omdat ik een zichtbare beperking heb. Op school zag ik het medelijden in de ogen van volwassenen als ik meedeed met de andere kinderen. Dokters waren ervan overtuigd dat verder studeren niets voor mij was omdat ik zo vaak in het ziekenhuis lag. Ik heb voor mezelf beslist dat ik niet de persoon wil en zal zijn die ik in de ogen van anderen soms ben. Omdat ik broze botten heb, ben ik weerbaar geworden. Uiteindelijk creëer je je eigen leven los van wat anderen geloven of denken. Tekenen heeft u geholpen om weerbaar te worden? Ramos: Tekenen heeft me gered, absoluut. Zonder was ik in de psychiatrie beland. Ik was acht en had mijn eerste tentoonstelling, in de gang van de orthopedische afdeling van het ziekenhuis in Coimbra. Het waren portretten van de dokters en verpleegsters die daar werkten. Vijftien jaar lang hebben ze aan de muur gehangen, tot het ziekenhuis verhuisde naar een nieuwbouw. Nu weet ik niet waar ze zijn. Ik vermoed dat ze bij de verhuizing in de vuilnisbak zijn beland. Als kind tekende ik vooral met lijnen. Ik maakte graphic novels met mezelf als hoofdpersonage, maar dan wel met blonde haren en lichte ogen. Omdat ik in boeken nooit andere personages zag, dacht ik dat het zo hoorde, dat het een soort regel was. Raar, hè, als je erover nadenkt. 'Er is een wereld van verschil tussen waarom ik begon te tekenen en waarom ik nu teken', zei u in het begin van ons gesprek. Wat bedoelt u daarmee? Ramos: Nu maakt tekenen me gelukkig, toen ook, maar het was ook mijn manier om te verwerken wat er met mij gebeurde en wat ik om me heen zag. Ik lag op de orthopedische afdeling samen met kinderen met botkanker. De dood was het dagelijkse leven. Ik zag ouders breken bij de dood van hun kind. In die tijd mochten ouders ook niet bij hun kinderen blijven slapen, of na het bezoekuur blijven. Ik was vaak eenzaam en dus tekende ik. Toen ik tien jaar was, heb ik al mijn kindertekeningen vernietigd. Het was mijn verdriet. Ze raakten me te diep. Belangrijker dan het moment waarop je begint te tekenen, is wanneer je stopt. Vanaf mijn veertiende heb ik jarenlang amper of niet getekend. Ik zat niet meer in een rolstoel, kon min of meer normaal leven omdat met de leeftijd mijn botten steviger werden en het enige wat ik wilde was feesten, me nergens iets van aantrekken en genieten. Het waren mijn roaring twenties. Aan tekenen kleefden te veel herinneringen, het was te confronterend, te pijnlijk. Ik wilde dat verdriet niet meer. Ik wilde niets meer te maken hebben met kunst, creatie, ik wilde een baan van negen tot vijf en ik snakte vooral naar rust. Ik had zo veel zwarte sneeuw gezien. Het was tijd voor rust en lichtheid. Maar je kunt iets zo essentieels in jouw leven niet blijven negeren. Als een boomerang kwam het tekenen terug. Minstens zo belangrijk als het moment waarop iemand stopt, is het moment waarop je weer begint. Ramos:Het was een moment waarop ik emotioneel gebroken was. Alles wat ik had opgebouwd, viel uit elkaar. Ik noem het mijn zwarte gat. Ik werkte als artdirector en grafisch vormgever en kwam op een punt waarop ik besefte dat ik aan het liegen was tegen mezelf. In plaats van ervan weg te lopen heb ik het verdriet in de ogen gekeken. Het was het beste wat me overkomen is. Ook omdat mensen in mij geloofden. Ik heb veel steun gekregen. Ik heb het geluk teruggevonden dat het tekenen me gaf, het geluk van bezig zijn en pas merken dat de tijd verstrijkt omdat je honger krijgt. Op mijn elfde heb ik dat de eerste keer ervaren. Omdat ik zo veel en bijna obsessief tekende, schreef mijn moeder me in aan het conservatorium. Normaal moest je minstens achttien zijn, maar ze zagen wat ik kon en lieten me beginnen. Ik kwam binnen en voelde me onmiddellijk thuis. Mijn moeder bracht me, ik begon en als ze drie uur later terugkwam, leek het alsof ze net vertrokken was. Die flow zoek ik nu dagelijks op. Soms denk ik dat ik mijn droom te lang heb uitgesteld, dat ik tien jaar verloren ben. Misschien was het gewoon de tijd die ik nodig had. Unbreakable heette uw eerste solotentoonstelling in 2014. Eén beeld leverde u dadelijk internationale aandacht op. Een olifant balanceert met minuscule poten op een dunne twijg van fragiele botten. Uit zijn slurf schiet een boom op. Het is een zelfportret van elk van ons. Ramos: We hebben allemaal onze breekbaarheid en onze onzekerheid. Iedereen heeft een beperking. Bij mij is die zichtbaar. Maar ik maak er evengoed grapjes over. Het voordeel van zo klein zijn, is dat mannen altijd knielen voor mij. (lacht) Ik sta op mijn onafhankelijkheid. Ik heb altijd alles alleen willen kunnen. In 2001 bent u met uw toenmalige lief van Porto naar Antwerpen verhuisd. Kon u hier makkelijk aarden? Ramos: De eerste maanden sprak ik amper Nederlands. Ik had altijd hulp nodig. Toen wist ik dat ik zo snel mogelijk de taal moest leren. Ik aardde in de stad door de mensen die ik leerde kennen, maar ook door het water. Ik kan niet leven in een stad zonder water. Aveiro is een en al water, kanalen, eilanden, oceaan. De weinige tijd die ik als kind niet in het ziekenhuis doorbracht, was ik aan of in het water. Ik ben beginnen te stappen op mijn vierde, maar zwemmen was veel natuurlijker voor mij. Misschien logisch als je weet dat we negen maanden omringd zijn geweest door water in de baarmoeder. Ik heb leren zwemmen in de zee, wat heel zwaar is door de stroming en de golven. Liever zwemmen dan wandelen? Ramos:Als ik in het water ben, ben ik een balletdanseres. Ik dans in het water en doe alles wat ik anders niet kan. Dankzij de gewichtloosheid. Maar het is ook de connectie met de natuur. Ik heb twee surfplanken. Ik kan daar niet op staan, maar als ik op mijn plank lig, het liefste bij zonsondergang als de golven minder hevig zijn, voelt het water zo nabij dat ik er deel van word. Het brengt me tot rust. We zijn een beetje zoals water. Of ik moet zijn zoals het water. Ik moet vloeibaar zijn, me aanpassen aan verschillende situaties. Water, wind, bomen komen vaak terug in uw tekeningen en illustraties. Beschouwt u de natuur als inspiratiebron? Ramos:Ik heb natuur nodig om tot rust te komen. Ik ben een stadsmens, ben geboren in een stad, woon in een stad, maar ik kan niet zonder bomen. Verder geef ik niet zo veel om inspiratie. Het is zoals Picasso zegt: 'Inspiratie is voor amateurs. De rest begint er gewoon aan en werkt.' Ik merk wel dat foto's me prikkelen. Misschien omdat mijn grootvader fotograaf was? Ik heb hem nooit gekend, hij werd geboren in 1888, maar het moet een vurig man geweest zijn. Hij had een collectie auto's en men zei dat hij ook vrouwen verzamelde. Hij was in heel Aveiro bekend voor zijn portretten van mensen, maar ook van de stad. De gebouwen, het water, de kanalen. Misschien draag ik die blik mee. Maar uiteindelijk gaat het er niet om om bewust dingen op te zoeken. Het gaat over een zekere rust, een mentale toestand, die flow. U hebt het vaak over rust. Ramos: Ik heb stilte nodig om te tekenen. Innerlijke stilte. Waar en hoe vindt u die? Ramos:Door te mediteren. Priming my brain to the creation process. Mijn geest kneden om te creëren. Als kind deed ik dat al. Als ik pijn had, focuste ik me op het omgekeerde. Ik concentreerde me om het niet te voelen. Ondertussen is het mijn ritueel geworden. Iedere ochtend mediteer ik. En soms in de namiddag als het te druk is. In principe kun je overal en altijd mediteren, maar ik heb een schema nodig, anders verlies ik me in de veelheid. Als kind hebt u de dood bij anderen in de ogen gekeken. Wat deed dat met u? Ramos:Ik ben heel lang heel bang geweest voor de dood. Tegelijkertijd was ze altijd zo nabij. Toen ik veertien was, kreeg mijn oom aids. Hij woonde bij ons, mijn moeder zorgde voor hem omdat men dat in het ziekenhuis niet wilde of kon. Ik heb het lichaam van mijn oom zien verdwijnen. Als dat de dood is, dacht ik, wil ik vooral lang genoeg leven. Om alles te doen wat ik wil, heb ik minstens tweehonderd jaar nodig. Ondertussen is de angst verdwenen. Dood is deel van het leven. Ik ben banger voor de eenzaamheid dan voor de dood.