Ik sta aan een pupiter in een klein zaaltje op de tweede verdieping van Mu.ZEE in Oostende. Voor het eerst sinds 11 maart 2020 sta ik weer op een podium. Voor het eerst sinds mijn freshman year aan het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen begint mijn linkerbeen onvrijwillig te trillen op een podium. Ik modereer vandaag een auteurslezing op de Zomer van O, en ik heb lang nagedacht over de eerste woorden die ik zou uitspreken op dit moment. Elke acteur, presentator en public speaker kan beamen dat de eerste woorden,...

Ik sta aan een pupiter in een klein zaaltje op de tweede verdieping van Mu.ZEE in Oostende. Voor het eerst sinds 11 maart 2020 sta ik weer op een podium. Voor het eerst sinds mijn freshman year aan het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen begint mijn linkerbeen onvrijwillig te trillen op een podium. Ik modereer vandaag een auteurslezing op de Zomer van O, en ik heb lang nagedacht over de eerste woorden die ik zou uitspreken op dit moment. Elke acteur, presentator en public speaker kan beamen dat de eerste woorden, de eerste repliek, de eerste handbeweging het verdere verloop van je hele voorstelling bepalen. 'Begin pas met spreken als je er klaar voor bent, al duurt het 10 seconden of 10 minuten', aldus de gevleugelde woorden van Lucas Vandervost, mijn vroegere hoofddocent aan het Conservatorium. Ik sta nu, tien jaar later, aan een pupiter in Oostende en mijn woorden moeten minstens even gevleugeld zijn. Enerzijds dien ik een gepaste introductie te voorzien voor de Radetzkymars van Joseph Roth, anderzijds dienen mijn woorden de kloof tussen 11 maart en nu te dichten. Ik kijk naar het dertigtal mensen in de zaal (maximale bezetting, volledig uitverkocht), allen met de monden gemaskerd, door lege stoelen van elkaar gescheiden, en mijn linkerbeen trilt indringender nu. De eerste woorden die ik weer uitspreek op een podium moeten het publiek troosten, omarmen, sussen, geruststellen en verblijden. Ze moeten een punt zijn en een nieuw begin. Mijn eerste woorden moeten een viering worden van het samenzijn in het hier en nu. Ik tors de verantwoordelijkheid dit publiek met mijn woorden de laatste maanden te doen vergeten voor een vluchtig ogenblik en... mijn godverdomse been stopt maar niet met trillen! Ineens haal ik me een passage uit Radetzkymars voor de geest: Destijds, (...) Wanneer uit de schare stervelingen iemand werd weggewist, nam een ander niet meteen zijn plaats in om de dode te doen vergeten, maar er bleef een leemte waar hij ontbrak, (...) Als vuur een huis in een straat uit de huizenrij had weggerukt, bleef de plaats waar de brand had gewoed nog lange tijd zichtbaar. De leemte heeft ook bestaansrecht. Mijn been stopt met trillen en ik vang aan: Voorwaarts voorwaarts enfants de la patrie!Immer geradeaus!Laat de koperblazers kwaken als bronstige kikkers verscholen onder het kroos.Laat de cimbalen zingen als het krassen van metalen kraaien.Laat de trommels tamboereren met doffe ploffen als donder die aan de einder mompelt.Voorwaarts voorwaarts! Immer geradeaus!