Er wordt vaak gezegd dat creatieve mensen vooral met hun rechterhersenhelft denken, en dat rationele mensen vooral met hun linkerhersenhelft denken. Wordt je dan creatiever als je je rechter hersenhelft gaat trainen, zoals sommige breinapps of hersentrainingen beweren? Nee. Het idee van links en rechts denken is fout en berust op een te eenvoudige voorstelling van de werking van onze hersenen. Het wordt niet ondersteund door inzichten uit de moderne cognitieve neurowetenschappen.

In de vorige eeuw baseerden neurowetenschappers zich vooral op het gedrag van patiënten met een hersenletsel, bijvoorbeeld na een beroerte, om de werking van de hersenen te onderzoeken. Letsels op verschillende plaatsen in de hersenen werden in verband gebracht met verschillende cognitieve en emotionele problemen. Hieruit leidde men af welke delen van de hersenen vooral belangrijk zijn voor bepaalde cognitieve en emotionele functies. Vandaag kunnen we veel nauwkeuriger en systematischer de hersenen onderzoeken.

Dit kan met de MRI-scanner. Zo kunnen we sinds de jaren '90 heel precies kijken wat er in de hersenen gebeurt als mensen bepaalde cognitieve en emotionele taken uitvoeren. Met de MRI scanner gebeurt dit op een niet-invasieve manier: wetenschappers zijn niet meer volledig afhankelijk van de studie van patiënten met letsels en hebben voor hun onderzoek geen radioactieve stoffen meer nodig. Zo kunnen ze de hersenactiviteit van gezonde personen onderzoeken. In mijn onderzoeksgroep doen we dit zelfs bij jonge kinderen. We bestuderen hoe hersenstructuur en -activiteit evolueert doorheen de ontwikkeling. We gaan na hoe die structuur en -activiteit verandert tijdens het leren van nieuwe vaardigheden, zoals rekenen, en hoe die wijzigt als gevolg van een bepaalde (psycho-pedagogische) interventie.

Idee van 'links' en 'rechts' denken, berust op een te eenvoudige voorstelling van de werking van de hersenen.

Het onderzoek met de MRI-technologie heeft ons geleerd dat er inderdaad enkele verschillen zijn in de werking van onze twee hersenhelften. Maar, deze zijn uiterst klein. Ze hebben te maken met eenvoudige zintuiglijke functies en vallen zeker niet samen met het onderscheid tussen creativiteit of logisch denken. Bijvoorbeeld, als we in ons linker visuele veld iets zien, dan zal deze informatie via de ogen naar de visuele gebieden in onze rechterhersenhelft doorgestuurd worden. Het omgekeerde gebeurt voor het rechter visuele veld. Maar, dat onderscheid tussen links en rechts geldt énkel voor het louter zintuiglijke waarnemen van iets.

Op het moment dat we die visuele input gaan herkennen en verwerken en daar gedachten of associaties bijkomen, zullen verschillende hersengebieden, zowel links als rechts in activiteit toenemen en samenwerken. Dat geldt voor de meeste vaardigheden. Hoe eenvoudig ze ook zijn, ze activeren heel veel verschillende gebieden én doen een beroep op beide hersenhelften. In mijn onderzoeksgroep kijken we naar wat er gebeurt in de hersenen als mensen een simpele rekensom als '5 - 2' oplossen. De meeste kinderen en volwassen weten het antwoord onmiddellijk, sneller dan 2 seconden. In hun hersenen gaan gebieden in de frontale, pariëtale, en temporale cortex in beide hersenhelften in activiteit toenemen. Deze gebieden zijn verspreid over de hele cortex én zitten dus zowel aan de linker en de rechter kant. Deze verspreide activiteit in beide helften wordt ook tijdens de meeste andere cognitieve en emotionele taken vastgesteld.

De hersengebieden in onze cortex zijn bovendien met elkaar verbonden via wittestofbanen. Langs deze banen wordt informatie van het ene aan het andere hersengebied doorgegeven. Met een verfijning van de MRI-techniek, i.c. diffusie-gewogen beeldvorming, kan men die wittestofbanen en hun kwaliteit precies gaan meten met de MRI-scanner. Uit dit onderzoek is meer en meer duidelijk geworden dat bij het uitvoeren van de meeste cognitieve en emotionele vaardigheden vooral netwerken, eerder dan specifieke geïsoleerde gebieden belangrijk zijn. Deze netwerken evolueren doorheen de ontwikkeling en veranderen als gevolg van omgevingsinvloeden of interventies. Bovendien loopt er tussen onze linker- en hersenhelft een belangrijke witte stof baan, het corpus callosum, die de gebieden van de rechter- en de linkerhersenhelft met elkaar verbindt. Deze baan zal er onder meer voor zorgen dat de linker en de rechterhersenhelft veel en snel informatie met elkaar kunnen uitwisselen en kunnen samenwerken.

Het klopt dat training, of het heel intensief inoefenen van bepaalde vaardigheden, de structuur en de activiteit van de hersenen gaat veranderen. Maar, die veranderingen zijn meestal niet beperkt tot de ene of de andere hersenhelft.

Is het zinvol om de ene of de andere hersenhelft meer te gaan trainen, zoals sommige hersentraining pakketten beweren? Het klopt dat training, of het heel intensief inoefenen van bepaalde vaardigheden, de structuur en de activiteit van de hersenen gaat veranderen. Maar, die veranderingen zijn meestal niet beperkt tot de ene of de andere hersenhelft. Uit wetenschappelijk onderzoek weten we trouwens ook dat die zogenaamde hersentraining pakketten of apps weinig of geen effecten hebben. Als er al effecten optreden zijn ze slechts heel klein en beperkt. In tegenstelling tot wat deze hersentrainingen beweren is er tot op heden geen wetenschappelijk onderzoek dat onomwonden aantoont dat ze positieve effecten hebben op complexe processen zoals creativiteit, logisch denken, intelligentie of schoolse prestaties.

Hoewel men in de cognitieve neurowetenschappen eigenlijk al lang weet dat het idee van denken met de linker of rechterhersenhelft niet klopt, blijven mensen dit geloven en blijven hersentrainingsprogramma's die zogenaamde linker- en rechterhersenhelften stimuleren populair. Waarom is dit misverstand zo hardnekkig? Dat komt omdat het model van links- en rechts heel eenvoudig is, en mensen een voorkeur hebben voor eenvoudige oplossingen. Bovendien worden neurobiologische uitspraken over gedrag, zelfs al zijn ze fout, sneller door mensen geloofd dan psychologische of pedagogische uitspraken. Dat komt onder meer omdat neurobiologische gegevens objectiever lijken en impliciet veel sneller een 'oorzaak' van iets suggereren. Dat is echter niet altijd juist. Het is immers niet soort van gegevens dat verzameld wordt, maar wél de manier waarop het onderzoek is opgezet, die bepaalt of resultaten oorzakelijk geïnterpreteerd kunnen worden of niet.

Professor Bert De Smedt is als neuropedagoog verbonden aan de faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van de KU Leuven.