Het gaat hier om het netto equivalente huishoudinkomen per maand, wat betekent dat er rekening is gehouden met alle inkomens van alle leden van het huishouden, de aftrek van de directe belastingen en bijdragen voor de sociale zekerheid, de verschillen in samenstelling en grootte van de huishoudens en de inflatie. Verder blijkt nog dat in 2019 meer mensen in hogere inkomensgroepen zaten dan in 2006. Zo had bijna 18% van de bevolking in 2019 een huishoudinkomen van meer dan 3.000 euro per maand, tegenover 13% in 2006. Bij 5% bedroeg in 2019 het huishoudinkomen meer dan 4.000 euro per maand, in 2006 was dat iets meer dan 3%. Vorig jaar lag bij 40% van de bevolking het netto equivalente huishoudinkomen lager dan 2.000 euro per maand, terwijl dat in 2006 53% was. Er is een groot verschil tussen het huishoudinkomen van hoogopgeleiden en dat van laagopgeleiden. Dat van hooggeschoolden lag in 2019 gemiddeld op 2.796 euro per maand. Bij middengeschoolden ging het om 2.218 euro en bij laaggeschoolden om 1.782 euro. De voorbije dertien jaar is het huishoudinkomen van laag- en middengeschoolden toegenomen met 11%, bij hooggeschoolden steeg het met 7%. Mensen met een beperking of langdurige gezondheidsproblemen hebben gemiddeld een lager huishoudinkomen. Zij hadden in 2019 2.015 euro per maand, tegenover 2.462 euro voor mensen zonder gezondheidsproblemen. Hun huishoudinkomen is tussen 2006 en 2019 wel sterker gestegen dan bij personen zonder problemen. Het gaat om een stijging van respectievelijk 17 en 14%. Tot slot blijkt nog dat ook mensen die buiten de Europese Unie geboren zijn, het moeten stellen met een lager huishoudinkomen. Zij hebben gemiddeld 1.796 euro per maand. Bij de personen geboren in België ging het om 2.393 euro en bij personen geboren in een ander EU-land dan België om 2.119 euro. De stijging van het huishoudinkomen tussen 2006 en 2019 voor mensen geboren buiten de EU lag bovendien lager (9 pct) dan dat van mensen geboren in België (15 pct). De stijging van mensen geboren in de EU maar buiten België bedroeg amper 5%. (Belga)

Het gaat hier om het netto equivalente huishoudinkomen per maand, wat betekent dat er rekening is gehouden met alle inkomens van alle leden van het huishouden, de aftrek van de directe belastingen en bijdragen voor de sociale zekerheid, de verschillen in samenstelling en grootte van de huishoudens en de inflatie. Verder blijkt nog dat in 2019 meer mensen in hogere inkomensgroepen zaten dan in 2006. Zo had bijna 18% van de bevolking in 2019 een huishoudinkomen van meer dan 3.000 euro per maand, tegenover 13% in 2006. Bij 5% bedroeg in 2019 het huishoudinkomen meer dan 4.000 euro per maand, in 2006 was dat iets meer dan 3%. Vorig jaar lag bij 40% van de bevolking het netto equivalente huishoudinkomen lager dan 2.000 euro per maand, terwijl dat in 2006 53% was. Er is een groot verschil tussen het huishoudinkomen van hoogopgeleiden en dat van laagopgeleiden. Dat van hooggeschoolden lag in 2019 gemiddeld op 2.796 euro per maand. Bij middengeschoolden ging het om 2.218 euro en bij laaggeschoolden om 1.782 euro. De voorbije dertien jaar is het huishoudinkomen van laag- en middengeschoolden toegenomen met 11%, bij hooggeschoolden steeg het met 7%. Mensen met een beperking of langdurige gezondheidsproblemen hebben gemiddeld een lager huishoudinkomen. Zij hadden in 2019 2.015 euro per maand, tegenover 2.462 euro voor mensen zonder gezondheidsproblemen. Hun huishoudinkomen is tussen 2006 en 2019 wel sterker gestegen dan bij personen zonder problemen. Het gaat om een stijging van respectievelijk 17 en 14%. Tot slot blijkt nog dat ook mensen die buiten de Europese Unie geboren zijn, het moeten stellen met een lager huishoudinkomen. Zij hebben gemiddeld 1.796 euro per maand. Bij de personen geboren in België ging het om 2.393 euro en bij personen geboren in een ander EU-land dan België om 2.119 euro. De stijging van het huishoudinkomen tussen 2006 en 2019 voor mensen geboren buiten de EU lag bovendien lager (9 pct) dan dat van mensen geboren in België (15 pct). De stijging van mensen geboren in de EU maar buiten België bedroeg amper 5%. (Belga)