De burgerlijke rechtbank in kort geding oordeelde op 31 maart dat de wettelijke basis ontbreekt voor de coronamaatregelen die met een ministerieel besluit van 28 oktober waren ingevoerd. Maar de Belgische staat, die dertig dagen de tijd kreeg om een einde te maken aan de schijnbare onwettigheid, ging tegen die uitspraak in beroep. Het hof van beroep volgde vandaag de kortgedingrechter niet. Volgens het hof hebben de huidige coronamaatregelen wel een wettelijke basis. De rechtbank oordeelde wel dat de drie wetten ongrondwettelijk zouden kunnen zijn als ze worden geïnterpreteerd door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Volgens het hof is er een probleem met de grondwettelijkheid van de maatregelen omdat de bevoegdheid om onze meest fundamentele rechten in te perken in handen ligt van één minister. Ook het opleggen van strafrechtelijke sancties op basis van ministeriële besluiten (MB's) is ongrondwettelijk. Nog volgens het hof is er geen advies gevraagd van de Raad van State. Aangezien de zaak intussen voorligt bij het Grondwettelijk Hof oordeelt het hof van beroep dat de uitspraak van het Grondwettelijk Hof moet afgewacht worden. De Liga voor Mensenrechten en de Ligue des Droits Humains betreuren de uitspraak omdat ze rechtsonzekerheid in de hand werkt. "De vraag of de huidige manier van werken wel grondwettelijk is, blijft hiermee in de lucht hangen", reageert voorzitter Kati Verstrepen. "Als de ene rechter zegt dat de maatregelen niet conform de grondwet zijn en de andere rechter twijfelt dan is dat een duidelijk voorbeeld van rechtsonzekerheid. Maatregelen die zo belangrijk en zo ingrijpend zijn, hebben een duidelijke wettelijke basis nodig en die ontbreekt." De liga's overwegen dan ook de mogelijkheid van cassatieberoep. (Belga)

De burgerlijke rechtbank in kort geding oordeelde op 31 maart dat de wettelijke basis ontbreekt voor de coronamaatregelen die met een ministerieel besluit van 28 oktober waren ingevoerd. Maar de Belgische staat, die dertig dagen de tijd kreeg om een einde te maken aan de schijnbare onwettigheid, ging tegen die uitspraak in beroep. Het hof van beroep volgde vandaag de kortgedingrechter niet. Volgens het hof hebben de huidige coronamaatregelen wel een wettelijke basis. De rechtbank oordeelde wel dat de drie wetten ongrondwettelijk zouden kunnen zijn als ze worden geïnterpreteerd door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Volgens het hof is er een probleem met de grondwettelijkheid van de maatregelen omdat de bevoegdheid om onze meest fundamentele rechten in te perken in handen ligt van één minister. Ook het opleggen van strafrechtelijke sancties op basis van ministeriële besluiten (MB's) is ongrondwettelijk. Nog volgens het hof is er geen advies gevraagd van de Raad van State. Aangezien de zaak intussen voorligt bij het Grondwettelijk Hof oordeelt het hof van beroep dat de uitspraak van het Grondwettelijk Hof moet afgewacht worden. De Liga voor Mensenrechten en de Ligue des Droits Humains betreuren de uitspraak omdat ze rechtsonzekerheid in de hand werkt. "De vraag of de huidige manier van werken wel grondwettelijk is, blijft hiermee in de lucht hangen", reageert voorzitter Kati Verstrepen. "Als de ene rechter zegt dat de maatregelen niet conform de grondwet zijn en de andere rechter twijfelt dan is dat een duidelijk voorbeeld van rechtsonzekerheid. Maatregelen die zo belangrijk en zo ingrijpend zijn, hebben een duidelijke wettelijke basis nodig en die ontbreekt." De liga's overwegen dan ook de mogelijkheid van cassatieberoep. (Belga)