De levensverwachting is de voorbije decennia spectaculair gestegen en blijft nog altijd toenemen. Tegen 2070 zal de gemiddelde levensverwachting voor vrouwen wellicht uitkomen op 90,3 jaar. En omdat er niet genoeg kinderen worden geboren om die evolutie bij te benen, moet een steeds kleinere actieve bevolking de pensioenen betalen van een groep die steeds groter wordt. Marjan Maes, pensioenexperte en docente aan de KU Leuven: 'Natuurlijk weten we dat al lang. Maar paradoxaal genoeg heeft men het probleem toen het al bekend was nog erger gemaakt: in de jaren 1980 werd in ons land zelfs het brugpensioen ingevoerd, zodat werknemers soms al vanaf 55 jaar de arbeidsmarkt konden verlaten. Ook genereuze werkloosheidsstelsels voor ouderen zagen toen het licht. Mensen zijn dus langer met pensioen omdat ze langer leven, maar tegelijkertijd worden ze aangezet om de arbeidsmarkt vroeger te verlaten. Op die manier is het huidige pensioensysteem niet betaalbaar.'

© Zaza

In 2007 vertegenwoordigden de pensioenuitgaven nog 10 procent van het bruto binnenlands product (bbp), wat volgens de Europese Commissie tegen 2060 verder zal oplopen tot 15 procent. Maes: 'We zullen in de toekomst zwaar moeten investeren in de publieke dienstverlening, de infrastructuur en de transitie naar groene energie. Maar dat zal niet lukken als we jaar na jaar een groter deel van het overheidsbudget moeten spenderen aan pensioenen.'

Die uitdaging is natuurlijk niet uniek voor België. Zowat alle Europese landen zijn op zoek naar manieren om de betaalbaarheid van de pensioenen te garanderen. 'De meeste andere landen hebben wel veel vroeger ingegrepen. België loopt achter. Het enige voordeel daarvan is dat we veel kunnen leren van de maatregelen die in het buitenland zijn genomen', zegt Maes.

1. Verhoog de pensioenleeftijd

De verhoging van de effectieve pensioenleeftijd loopt als een rode draad door alle pensioenhervormingen in Europa. Maes: 'Zowat alle studies tonen aan dat het de meest efficiënte en ook meest billijke manier is om de pensioenen betaalbaar te houden. Veel alternatieven zijn er niet. De overheid kan de belastingen verhogen, maar de belastingdruk in ons land behoort al tot de hoogste ter wereld. Of de overheid kan de pensioenen verlagen, met het risico dat veel mensen zo in de armoede belanden.' Een verhoging van de effectieve pensioenleeftijd levert een dubbele bonus op: werkenden betalen voor een langere periode sociale bijdragen, terwijl de overheid voor een minder lange periode pensioenen hoeft uit te betalen.

Nederland heeft op dat vlak een hele ingrijpende hervorming doorgevoerd, door de wettelijke pensioenleeftijd te koppelen aan de levensverwachting. Stijgt de gemiddelde levensverwachting met een jaar, dan wordt ook de pensioenleeftijd met een jaar opgetrokken. Die beslissing werd al in 2012 genomen en intussen bedraagt de wettelijke pensioenleeftijd er 66 jaar en 4 maanden. Door grote protesten werd de link met de levensverwachting intussen wel wat afgezwakt: voor elk jaar dat de levensverwachting stijgt, zal de pensioenleeftijd met slechts 8 maanden worden opgetrokken. Maes: 'Die afzwakking was nodig omdat Nederland geen vervroegd wettelijk pensioen heeft.'

Ons land besliste in 2015 om de officiële pensioenleeftijd op te trekken naar 67 jaar. Maar dat gebeurt stapsgewijs. Daardoor zal pas in 2030 de pensioenleeftijd effectief uitkomen op 67 jaar. Maes: 'Op zich is dat natuurlijk veel te laat, maar het is tenminste goed dat die beslissing is genomen. Vooral psychologisch is dat belangrijk. Zo zit het tenminste nu al in de hoofden van de mensen dat de pensioenleeftijd is opgetrokken en dat ze langer moeten werken, ook al is dat voorlopig niet tot hun 67e. Maar een automatische en eventueel gedeeltelijke koppeling aan de levensverwachting - zoals in Nederland en heel wat andere landen - is nodig om te vermijden dat daar continue politieke discussies en onzekerheden over ontstaan. Bij ons gaf ook de Academische Pensioencommissie dat al aan.'

2. Lager vervroegd pensioen

Sinds 2011 kun je in Noorwegen met pensioen gaan tussen de leeftijd van 62 en 67 jaar. Maar aan die keuze zijn wel financiële consequenties verbonden. Het pensioen van een Noor die op zijn 62e de arbeidsmarkt verlaat, kan 30 procent lager liggen dan dat van een collega die zijn pensioen vijf jaar later opneemt. Bovendien staat niets de Noren in de weg om ook na hun 67e verjaardag aan het werk te blijven. Wie na de wettelijke pensioenleeftijd zijn pensioen opneemt, krijgt daarvoor een beloning in de vorm van een hoger pensioen. Maes: 'Onderzoek toont overduidelijk aan dat het voor mensen een belangrijke stimulans is om het loopbaaneinde uit te stellen als ze echt een hoger pensioen krijgen als ze langer aan de slag blijven. Dankzij die correcties wordt het ook mogelijk om in een deeltijds pensioen te voorzien - waarbij mensen op 62 jaar 50 procent gaan werken en voor 50 procent hun pensioen opnemen - zonder dat de betaalbaarheid van het systeem wordt aangetast. Zo'n deeltijds pensioen is populair, want het laat mensen toe om gradueel uit de arbeidsmarkt te stappen.'

© zaza

Veel landen hanteren een systeem waarbij de pensioenuitkering afhankelijk is van de leeftijd waarop iemand zijn pensioen opneemt. 'België is op dat vlak eigenlijk de uitzondering in Europa, want de meeste andere landen passen de pensioenuitkering wel aan op basis van de opnameleeftijd van het pensioen', zegt Maes. Dat geldt onder meer voor Frankrijk, Duitsland, Portugal, Nederland, Zweden en Spanje. Ons land had ooit ook zo'n systeem, maar koos er in 1991 voor om dat af te schaffen.

3. Vergeet de arbeiders niet

Bij elke discussie over een verhoging van de pensioenleeftijd komt onvermijdelijk ook het probleem van de zware beroepen op tafel. Maes: 'Niet iedereen heeft nu eenmaal een job die je kunt uitoefenen tot 67 jaar of langer. Een goede pensioenhervorming houdt daar op een pragmatische manier rekening mee.' Duitsland is daarvan een goed voorbeeld. Het land heeft de pensioenleeftijd opgetrokken en geeft mensen een lagere uitkering wanneer ze voor hun 67e de arbeidsmarkt verlaten. Tegelijkertijd heeft het land nog altijd een soort ziektepensioen vanaf 63 jaar. Maes: 'Het is een pragmatische oplossing die academici nooit zullen aanbevelen. Maar in de praktijk werkt het totaalpakket wel. Studies tonen aan dat de Duitse pensioenhervorming vooral hooggeschoolden en bedienden langer aan het werk houdt. Laaggeschoolden en arbeiders daarentegen kunnen vaak al op hun 63e zonder uitkeringsverlies met een soort ziektepensioen. En ook na een loopbaan van 45 jaar mogen mensen zonder uitkeringsverlies met pensioen. En zo draagt iedereen toch iets langer bij tot het pensioensysteem.' Want de arbeiders die voor de hervorming meestal al op 60 of 61 jaar met pensioen gingen, blijven nu toch een jaartje of twee langer aan de slag. En tegelijkertijd doen de bedienden en de hooggeschoolden er nog iets meer jaren bij.

4. Vermijd perverse compensatie

Goedbedoelde compensatiemaatregelen bij een ingrijpende hervorming creëren soms perverse neveneffecten. Zo heeft Frankrijk een pensioenregeling uitgewerkt voor zware beroepen, waarbij werknemers pensioenpunten verzamelen als hun werkgever de welzijnswetgeving overtreedt. 'In essentie komt het erop neer dat werknemers vroeger met pensioen mogen als ze meer nachtwerk moeten uitvoeren dan toegelaten of wanneer ze blootgesteld worden aan extreem hoge temperaturen. Werknemers hebben er dus in zekere zin belang bij dat hun werkgever de regels niet volgt en hen blootstelt aan erbarmelijke omstandigheden. Dat is pervers en haalt de focus totaal weg van werkbaar werk', zegt Maes. Het zijn overigens de bedrijven zelf die dan het vroegtijdige pensioen van werknemers moeten financieren. Die meerkosten worden dus niet afgewimpeld op de samenleving.

5. Elke generatie moet meebetalen

Fundamenteel zijn er twee grote verschillende pensioensystemen. Aan de ene kant is er een repartitiestelsel, zoals we dat in ons land kennen. De huidige pensioenen worden betaald met de sociale bijdragen van de werkende bevolking. Het is een stelsel dat gebaseerd is op solidariteit tussen generaties. Zo'n stelsel krijgt het lastig wanneer de werkende bevolking krimpt en de pensioenen moet betalen van een groeiende groep gepensioneerden.

Net daarom experimenteerden verschillende landen al met een ander pensioenstelsel: het kapitalisatiestelsel. Daarbij kunnen werknemers hun sociale bijdragen beleggen in een (collectief) pensioenfonds. Het rendement wordt dan uitgekeerd op de pensioenleeftijd. Het is dus een stelsel waarbij iedereen (verplicht) zijn eigen pensioenuitkering financiert. Maes: 'Een kapitalisatiesysteem is minder onderhevig aan demografische vergrijzing. Alleen is het intussen te laat om over te schakelen van een repartitie- naar een kapitalisatiesysteem. Dat is niet wenselijk omdat de huidige werkende generatie twee keer zou moeten betalen: een eerste keer om de pensioenen van de huidige gepensioneerden te betalen en een tweede keer om het eigen pensioen te financieren. De volledige vergrijzingskosten worden dan afgewenteld op de huidige generatie. Dat kan natuurlijk niet.'

Daarom kozen sommige landen voor een gemengde financieringsmethode. Zo voerde Zweden in 1994 een ingrijpende pensioenhervorming door. Sindsdien gaat zowat 18,5 procent van het inkomen van de Zweden naar het pensioensysteem. Daarbij gaat 2,5 procent via kapitalisatie naar een pensioenfonds dat de Zweden zelf kunnen kiezen. Zo'n 16 procent van de bijdragen gaat via repartitie naar de pensioenen van de huidige generatie gepensioneerden. Het opvallende is vooral dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een systeem van notionele rekeningen, waarbij het pensioen een reflectie is van de demografische evolutie, de fertiliteit en de levensverwachting. Maes: 'Dat lost het probleem van de financiële haalbaarheid op, want elke generatie wordt geconfronteerd met de demografische vergrijzing en dat wordt ook binnen elke generatie weer opgelost.'

Daar staat wel tegenover dat de pensioenuitkeringen flexibel zijn. Daardoor moet er met dit soort systemen ook goed worden nagedacht over een adequaat minimumpensioen, waar de Scandinavische landen ook werk van hebben gemaakt. Maes: 'Studies hebben al aangetoond dat het Zweedse systeem leidt tot een verhoging van de effectieve pensioenleeftijd. Het zijn vooral de hoger opgeleiden die langer aan de slag blijven.' Ook landen zoals Letland, Italië, Polen en Noorwegen werken intussen met een systeem van notionele rekeningen.

6. Zet meer vrouwen aan het werk

'Ook met de activering van vrouwen kan nog een grote winst worden geboekt. Er is dus nog een grote arbeidsreserve. Als we die activeren, zou de actieve beroepsbevolking meteen een stuk groter worden', zegt Maes. Zo bedroeg in 2018 volgens de OESO de werkgelegenheidsgraad voor vrouwen in ons land bijna 61 procent, tegenover 69 procent bij mannen.

Ons land kan een voorbeeld nemen aan de Scandinavische landen, waar de werkgelegenheidsgraad bij vrouwen traditioneel een stuk hoger ligt. In Finland, Noorwegen en Denemarken bedraagt de vrouwelijke werkgelegenheidsgraad 71 à 72 procent. In Zweden is dat zelfs 76 procent. Maes: 'Dat heeft alles te maken met de sterk ontwikkelde kinderopvang in de Scandinavische landen, waardoor het makkelijker is om werk en privé te combineren.' Alle kinderen, van één tot vijf jaar oud, hebben een gegarandeerde plaats in een kinderopvang. Bovendien worden de vergoedingen zwaar gesubsidieerd door de overheid, waardoor ouders slechts een fractie betalen van de werkelijke kosten. En naast kinderopvang is er ook een uitgebreid systeem van ouderschapsverlof.

© zaza

7. Vermijd communicerende vaten

'Bij een pensioenhervorming mogen ook andere exitpaden niet uit het oog worden verloren. Te vaak zal een strenge pensioenhervorming uitmonden in een exit via andere uittredingsstelsels', zegt Maes. Ze verwijst daarvoor naar Oostenrijk, waar de verhoging van de pensioenleeftijd gepaard ging met een opvallende stijging van de werkloosheid. Oudere werknemers kwamen terecht in de ouderenwerkloosheid, waarmee ze de brug maakten naar hun pensioen. Het is een typisch substitutie-effect. 'Dat kun je enkel vermijden door op alle uittredingspaden tegelijkertijd actie te ondernemen. Nederland is in dat opzicht een bewonderenswaardig voorbeeld. Op het moment dat een reeks brugpensioenregelingen uitdoofden, werd tegelijk een regeling ingevoerd waarbij werkgevers de eerste twee jaar ziekte-uitkering van hun werknemers zelf moeten financieren. In Nederland is de effectieve uittredingsleeftijd zo gestegen tot 64,8jaar.'

8. Laat bedrijven meebetalen

'Te vaak maken werkgevers gebruik van allerlei uittredingsregelingen om oudere werknemers naar de exit te pushen, terwijl ze de maatschappelijke lasten daarvan afwentelen op de werkende belastingbetaler', zegt Maes. Een typisch voorbeeld daarvan is het brugpensioen, waar zowel vakbonden als werkgevers gretig gebruik van maakten om oudere werknemers tegen aantrekkelijke voorwaarden uit de arbeidsmarkt te laten stappen.

In sommige landen pakken ze dat anders aan. Finland voerde een zogenaamde experience rating in. Het komt erop neer dat bedrijven hogere sociale bijdragen betalen wanneer ze zelf gebruik maken van een stelsel van vervroegde uitdiensttreding. Maes: 'Je kunt het werknemers natuurlijk niet kwalijk nemen dat ze ingaan op een aanbod dat te mooi is om te weigeren. Net daarom is het ook een goede zaak als ondernemingen worden geresponsabiliseerd wanneer ze oudere werknemers uit de arbeidsmarkt duwen en de kosten doorschuiven naar de belastingbetaler.' In Finland leidde de invoering van dat systeem tot een enorme daling van de ouderenwerkloosheid.

9. Geen enkel pensioensysteem is perfect

Er zijn in de ons omringende landen al veel pensioenhervormingen doorgevoerd, vaak met maatregelen die in ons land al een groot verschil zouden maken. Maar uiteindelijk is geen enkel pensioensysteem perfect. De OESO stipt aan dat Duitsland een van de landen is die er sinds 2000 het best in zijn geslaagd om meer 55-plussers aan het werk te zetten. Maar daar staat volgens de OESO ook tegenover dat Duitsland geen basis- of minimumpensioen heeft. Daardoor is er ook amper een distributie-effect, wat vooral nadelig is voor de lage inkomens. Hun pensioen valt terug tot zo'n 55 procent van het inkomen, terwijl dat gemiddelde voor alle OESO-landen 73 procent bedraagt.

Ook het Nederlandse pensioensysteem werd in het verleden vaak geroemd voor zijn financiële standvastigheid. Het kreunt niet onder de vergrijzing omdat de pensioenen hoofdzakelijk worden betaald door grote pensioenfondsen. Zij halen hun rendement uit de financiële markten, door de pensioenbijdragen te beleggen in obligaties, aandelen of vastgoed. Maar dat maakt het hele systeem ook kwetsbaar voor schokken op de financiële markten. En sinds de financiële crisis kreunen de pensioenfondsen onder de extreem lage rentevoeten. Daardoor halen ze nog amper rendement op hun risicovrije beleggingen en dreigen ze te weinig in kas te hebben om de toekomstige pensioenen uit te betalen. Miljoenen Nederlanders die nu al met pensioen zijn, vrezen nu dat de pensioenfondsen hun pensioenuitkering zullen inkorten.

In cijfers

  • 15% van het bbp gaat tegen 2060 naar pensioenuitgaven
  • 73% van het inkomen bedraagt het gemiddelde pensioen in de OESO-landen
  • 62 jaar: Noren kunnen deeltijds met pensioen gaan vanaf 62 jaar
  • 55 jaar: Belgische werknemers kunnen met brugpensioen vanaf 55 jaar
  • 61%: werkgelegenheidsgraad van vrouwen in België
  • 76%: werkgelegenheidsgraad van vrouwen in Zweden
  • 18,5%: van het inkomen van de Zweden gaat naar het pensioensysteem
  • 63 jaar: Laaggeschoolden en arbeiders in Duitsland kunnen met ziektepensioen vanaf 63 jaar

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.