Ik had besloten om nooit meer te schrijven over grensoverschrijdend gedrag. Maar omdat het een van de maatschappelijke etterbuilen is die om de zoveel tijd openbarst, nu in de gedaante van #metoo, doe ik het toch. Vooral om erop te wijzen dat ongewenste seksuele intimiteiten niet alleen samenhangen met machtsmisbruik, maar ook met economisch precaire statuten. Zo was het in de textielfabrieken in de negentiende eeuw, en zo is het in de cultuur- en mediasector van vandaag.
...

Ik had besloten om nooit meer te schrijven over grensoverschrijdend gedrag. Maar omdat het een van de maatschappelijke etterbuilen is die om de zoveel tijd openbarst, nu in de gedaante van #metoo, doe ik het toch. Vooral om erop te wijzen dat ongewenste seksuele intimiteiten niet alleen samenhangen met machtsmisbruik, maar ook met economisch precaire statuten. Zo was het in de textielfabrieken in de negentiende eeuw, en zo is het in de cultuur- en mediasector van vandaag. Als ik er nu op terugkijk, werd ik twee keer genaaid. 23 was ik. Ik was net afgestudeerd, en ik had een aanbod gekregen waarvan ik dacht dat ik het niet kon weigeren. Mijn vrienden stapten in het vliegtuig naar Ecuador om er drie weken door de bergen te dolen, ik reed stapvoets naar de Gossetlaan in Groot-Bijgaarden om er als mediajournalist te werken. Als je er sinds je vijftiende van droomt om te leven van wat je schrijft, dan zeg je ja op elke mogelijkheid die je een duw in die richting geeft. Voor een vast contract, zo had de man die mijn directe baas zou worden tijdens de sollicitatie terloops vermeld, was er op dat moment geen geld. Maar wat niet was, kon nog komen, liet hij uitschijnen. Hij knipoogde er zelfs bij. Ik, gretig om zo snel mogelijk te beginnen, vond het niet erg. Dat er geen vast contract was, bedoel ik. Dat knipogen negeerde ik. Als reden voor het gebrek aan een contract gebruikte hij het woord waarmee alles wordt goedgepraat: 'besparingen'. Het bedrijf moest besparen, en dus moest ik zelfstandige worden en zelf opdraaien voor mijn sociale rechten. Het voordeel was, zo werd het me verkocht, dat ze me meer zouden betalen per maand dan iemand die ze officieel in dienst namen. Win-win, de uitdrukking vatte de illusie perfect samen. Ik had het kunnen weten dat een bedrijf en een individu nooit evenveel profiteren van dezelfde situatie. Mocht ik toen de kennis hebben gehad die ik ondertussen heb vergaard, dan zou ik de bedrijfscijfers opgevraagd hebben, en dan had ik kunnen zien dat de weigering om mensen aan te nemen eerder te maken heeft met prioriteiten dan met besparingen. Als mensen bereid zijn honderd jaar sociale strijd opzij te schuiven om hun droomjob uit te oefenen, waarom zou je daar als bedrijf dan niet slim gebruik van maken - zeker als je kwartaalcijfers er beter van worden? Ik zei ja. Ik had een job. Ik was 23. Ik mocht, zoals dat heette, al blij zijn dat ik een baan had die in zeer grove lijnen overlapte met de ambitie die ik koesterde. De eerste die ik tegenkwam in de gangen van de redactie was een oude man. Zilvergrijs haar dat zich had teruggetrokken rond de oren, bolle, met rode aders doorweven wangen en met wat me op het eerste gezicht toescheen als een warme, bijna vaderlijke blik. Hij stak zijn hand uit, ik nam ze aan. 'Welkom', zei hij, zijn vlezige lippen bogen zich tot een glimlach. Daarna trok hij mij krachtig tegen zich aan, ik voelde het speeksel in mijn oor terwijl hij fluisterde: 'Ik zal ervoor zorgen dat jij hier zo snel mogelijk weer verdwijnt.' Hij liet me los en wandelde fluks verder. De man was de vakbondsafgevaardigde. Hij voerde een furieuze strijd tegen wat hij omschreef als 'de pest der schijnzelfstandigen'. Ik had nog geen letter geschreven, maar ik had al geleerd dat op deze werkvloer de vakbond mij vijandig gezind was, dat zijn leden liever streden tegen hen die het vervloekte statuut aanvaardden dan tegen hen die het bedacht hadden, en ik wist: ik ben hier niet beschermd. Maar wat zou dat? Ik was jong, zelfstandig, zelfbewust. De dochter van een moeder die met opgeheven kin zei: 'Ik leer jou niet strijken en stofzuigen. Die rollen moet jij later zien te verdelen.' Mijn moeder zou zich nooit een feministe noemen, maar ze was het wel. Jarenlang was ze de enige vrouw op een jongensschool. Ze wist alles van mannenbastions. Al zijn er zaken die ze me nooit heeft verteld. Omdat ze er geen weet van had, of omdat ze hoopte dat ik ze nooit zou hoeven te ontdekken? Binnen de maand op mijn nieuwe job zou ik erachter komen. Mijn bureau keek uit op het kantoor van de hoofdredacteur. Ik had hem leren kennen als een joviaal man. 'Gevoelig', zo omschreef hij zichzelf graag. 'Als er iets is, ' had hij van in het begin gezegd, 'spring je bij mij binnen.' Theatraal had hij daarbij zijn armen gespreid. Zo was hij, zuchtte hij. Een levensgenieter, een bon vivant met een veel en veel te groot hart. Wat een verschil met die kille, afstandelijke vakbondsman. Die mocht me dan zo snel mogelijk buiten willen, de hoofdredacteur zag me duidelijk wel zitten. Het gaf een gevoel van veiligheid. 'Er is een traditie in het bedrijf. Met iedere nieuwkomer ga ik uiteten.' De hoofdredacteur had me in zijn kantoor geroepen. Ik knikte. Wie was ik om tradities te breken? Al vond ik de zin die erop volgde wel wat vreemd. 'Het is beter dat je dit niet voortvertelt.' 'Waarom?' flapte ik eruit - vragen stellen is nu eenmaal mijn beroep. 'Jaloezie.' Hij wierp zijn armen in de lucht. 'Mensen, journalisten roddelen graag.' Ik vermoed dat het de bedoeling was dat ik medelijden met hem kreeg. Hij, die brok emoties die nooit zijn hart kon luchten omdat iedereen klaarstond om een mes in zijn rug te steken. Het etentje verliep volgens een strak geregisseerd plan. We zouden samen rijden, in zijn auto. Hij pikte me op de naburige parking van de Lunch Garden op, en we reden naar een restaurant in het centrum van Brussel. We werden naar boven geleid, naar een zaaltje waar we alleen zaten. Ik dacht: dit heeft hij al eerder gedaan. Ik dacht: ik wil hier weg, ik wil naar huis. Ik dacht: doe niet zo flauw, wat kan er gebeuren? Achteraf zag ik hoe meesterlijk, hoe doortrapt, hoe beredeneerd hij het opbouwde. Hij vertelde over zijn leven, zijn vrouw, over hoe zwaar hij zijn baan soms vond, en om de zoveel zinnen legde hij zijn hand op mijn hand, kneep er even in en fluisterde: 'Ik heb het gevoel dat ik jou echt kan vertrouwen. Dat gebeurt niet zo vaak.' Ik slikte. Mijn hart klopte in mijn keel. Ik denk dat ik wat sullig geglimlacht moet hebben. Ik dacht: wat doe ik hier? Ik dacht: wat wil hij van mij? Ik dacht: dit is je baas, doe niet zo achterdochtig. In de auto legde hij zijn hand op mijn knie. 'Stoort dat?' vroeg hij met zachte stem. Ik slikte. Beet op mijn lippen. Ik wilde roepen. 'Ja, dat stoort godverdomme, haal uw poten van mijn lijf.' Ik durfde niet. Ik was bang. Bang om te flauw te zijn. Een hand op een knie, wat is dat nu? Bang om mijn job te verliezen. 'Ik zal ervoor zorgen dat jij hier zo snel mogelijk weer verdwijnt', het gezicht van de vakbondsman schoot door mijn hoofd. Ik zei niets. Zijn hand schoof verder. Ik kneep mijn ogen dicht en piepte: 'Ik wil dit niet.' 'Geen probleem', zei hij en hij haalde zijn hand weg. Verwarring scheppen, heb ik ondertussen begrepen, is een tactiek van het seksuele roofdier. Het zijn meesters in manipulatie. Want zo stapte ik uit die auto: ik had gepanikeerd om niets. Ik was het prototype van de hysterische vrouw geweest die blokkeert bij de minste mannelijke aanraking. Het lag aan mij, meende ik, dat ik niet het verschil zag tussen een vriendschappelijk gebaar en grensoverschrijdend gedrag. Waarom, vroeg ik me af, was ik zo wantrouwig terwijl hij zo openhartig was geweest? Zo liet ik mij voor de tweede keer naaien. De volgende dag wierp hij de deur van zijn kantoor open, riep mij binnen, sloot de deur met zijn voet, duwde mij in een hoek, zocht mijn lippen en fluisterde hijgerig in mijn oor: 'Vergeef me, vergeef me, ik kan het niet laten, ik ben verliefd op jou.' Ik weet tot op de dag van vandaag niet hoe ik uit dat kantoor ontsnapt ben en terug naar mijn bureau ben gekeerd met een uitdrukking op mijn gezicht alsof er niets, nee, helemaal niets was gebeurd. Maar uit de terloopse blikken die de mannelijke collega's rondom mij met elkaar wisselden, begreep ik dat ze het wisten. Dat ze het heel goed wisten. Ik zweeg. Ik schaamde mij. Om mijn eigen naïviteit. Niemand zei iets. Iedereen wist het. Dat zag ik. Die wrede stilte was minstens zo verwarrend en pijnlijk als een baas die net zijn tong in mijn keel had proberen te wringen. 'Hoe is het op je werk?' vroegen de vrienden die ik een maand eerder had uitgezwaaid, en die ik nu opwachtte in de aankomsthal van de luchthaven. 'Ik wil er weg.' Het leek alsof we met een noodlanding volwassen waren geworden. Ze haalden allemaal hun eigen versie van raad in onmogelijke situaties boven. 'Je moet het melden.' (Aan wie? Officieel bestond ik niet op de redactie. Ik was een schaduwarbeider. Een vingerknip van de man die me in de hoek had geduwd en ik stond op straat.) 'Je moet een klacht indienen.' (Hallo agent, mijn baas probeerde me te zoenen. En dan naar de grijns op het gezicht van die agent moeten staren? Ik wilde geen slachtoffer zijn, ik wilde wel dat men mij ernstig nam.) 'Je moet je rug rechten, borst vooruit, kop hooghouden en doorgaan. Tonen dat je sterker bent. Hem je dromen niet laten afpakken.' Dat leek de beste optie. Ik ben blijven schrijven. Maar de vakbondsman heeft wel zijn slag thuisgehaald: ik ben weggegaan. En nu, na al die jaren, blijft er een vraag knagen: waarom had niemand mij ooit verteld wat ongewenste intimiteiten echt zijn? Dat je niet verkracht hoeft te zijn om je zo te voelen? Ik ben geboren in 1974. Een jaar later verscheen in The New York Times een artikel over een tot dan onbenoemd maar algemeen bekend fenomeen. 'Jarenlang hebben vrouwen het aanvaard als het risico dat hoort bij buitenshuis werken. Nu spreken ze zich uit tegen de onwaardigheid van zowel fysieke als verbale seksuele avances en intimidatie op het werk.' Voor het eerst was er onderzoek naar dit soort ongewenste intimiteiten gebeurd, voor het eerst waren de resultaten gepubliceerd. Onderzoekster Lin Farley omschreef het als 'een epidemie die de werkplaats besmet heeft'. Het gebeurde overal. Zeventig procent van de ondervraagde vrouwen had ermee te maken gehad; de meesten reageerden erop door niet te reageren en te doen alsof het niet gebeurd was. Zwijgen was beter dan praten. Want wie sprak, werd in het beste geval uitgelachen, in het slechtste als hysterische vrouw afgedaan. 'Niet overdrijven', was de boodschap. 'De meeste bazen behandelen het als een grap', schreef Farley. Het wordt tijd, meende ze, om te benoemen wat overal bestaat. Sexual harassment, was de term die Farley bedacht. Via Nederland belandde hij in Vlaanderen als de mondvol 'ongewenst seksueel gedrag op het werk', later samengebald tot 'ongewenste intimiteiten'. Het begrip bestaat zo lang als ik leef en toch had niemand er met mij over gepraat. Meer nog: ongewenste intimiteiten zijn zo oud als de intrede van de vrouw op de werkplek, en toch duurde het minstens honderd jaar voordat ze als een bestaande en weerkerende realiteit werden erkend. Er ging nog eens twintig jaar overheen voor er in België een wet over goedgekeurd werd. Dat is een eeuw van stilte. Geen wonder dat een hashtag een tsunami kan veroorzaken. De vraag is alleen: wat doen we ermee? Maken we van #metoo een kantelpunt, of rijgen we het aan de lange lijst van momenten waarop vrouwen zich uitspraken, even gehoord werden, we er verder niet zo heel veel mee deden tenzij een actieplan opstellen, en ons dan verbazen over de volgende eruptie? Al in 1908 publiceerde het Amerikaanse blad Harper's Bazaar een reeks brieven waarin vrouwen hun dagelijkse werkervaringen beschreven. Een rode draad kronkelde er als een slang doorheen: de angst voor grijpgrage handen en de vuilbekkerij van oversten en collega's. 'Hij zat in zijn kantoor met mijn loon in de hand. "Kom, Ruth", zei hij en klopte op zijn knie. Ik bloosde, draaide me om en verliet de kamer. Ik ben nooit betaald.' Anderen hadden het over 'oneerbare voorstellen', 'onbetamelijk gedrag' en 'woorden die een dame niet zou mogen horen'. Soms verenigden vrouwen zich om een baas aan te klagen, zelden vonden ze hiervoor de steun bij de vakbond. Bovendien liep er een andere rode draad door de brieven: die tussen ongewenste intimiteiten en het gebrek aan sociale bescherming en rechten. Een vrouw die sprak, stond zonder loon op straat en liep het risico een reputatie te krijgen. Net zoals Farley het in de jaren zeventig in haar onderzoek noteerde. Het waren hysterische wijven met te veel fantasie. Maar 'hysterie' is een woord zoals 'besparing': het wordt gebruikt om onaangename waarheden aan de kant te schuiven of om iedere tegenspraak de mond te snoeren. Anita Hill, die in 1991 de benoeming van haar voormalige baas Clarence Thomas tot lid van het Amerikaanse Hooggerechtshof dreigde te dwarsbomen door hem van harassment te beschuldigen, werd weggezet met de beschuldiging 'hysterie'. Wat in haar specifieke geval ook nog eens gekoppeld werd aan de onbetrouwbaarheid die haar huidskleur uitstraalde. Dacht een zwarte vrouw werkelijk dat ze zo hoog van de toren kon blazen? Thomas werd benoemd. Maar het simpele feit dat Hill gesproken had, had ook een effect: de klachten over ongewenste intimiteiten verdubbelden. Praten doet praten. Maar wat na het praten? Sinds het Koninklijk Besluit van 1992 bestaat ongewenst seksueel gedrag officieel in België. Een rondvraag eind de jaren zeventig had aangetoond dat ook in ons land ongewenste intimiteiten eerder regel dan uitzondering waren. De helft van de vrouwen en 10 procent van de mannen gaf aan er ooit mee geconfronteerd te zijn. Het KB verplichtte bedrijven een vertrouwenspersoon aan te stellen, ongewenste intimiteiten ernstig te nemen en een klachtenprocedure te ontwikkelen. Later werd een checklist opgesteld van het ruime gamma van ongewenste intimiteiten: van spottende opmerkingen van seksuele aard maken tot iemand systematisch opwachten buiten het werk, een kus afdwingen, de handen op iemands benen leggen, iemand verkrachten. Er zijn weinig landen waarin ongewenste intimiteiten zo breed, zo duidelijk en zo ondubbelzinnig zijn gedefinieerd. Maar een kader en een definitie volstaan niet om grenzen te trekken. Ondanks de draaiboeken en actieplannen blijven er schemerzones en mazen in het net. Ook bij de krant waar ik als 23-jarige begon, waren alle door het KB opgelegde procedures aanwezig. Maar hoeveel recht heb je als officieuze werknemer op het welwillende oor van een vertrouwenspersoon? Is het toeval dat de verhalen over ongewenste intimiteiten zich samenklonteren in de media- en cultuursector? Van tv-maker Bart De Pauw tot de 'grote namen' waar Groen-parlementslid Bart Caron op donderdag 23 november mee zwaaide? Of is er een verband tussen de onzekerheid en de permanente voorwaardelijkheid van de arbeidsomstandigheden en de grotere kans op machtsmisbruik? Actrices, danseressen, freelancejournalisten of vormgevers: ze zijn kwetsbaar in hun staat van afhankelijkheid. In plaats van ons te concentreren op #metoo en de individuele gevallen die zo naar boven worden gespit - wat belangrijk is, maar niet voldoende -, is het minstens zo essentieel om na te denken over het effect van gelijkheid op een werkvloer. Vrouwen die niet per opdracht betaald worden, lopen minder kans op grensoverschrijdend gedrag. Dat was in de naaiateliers in de negentiende eeuw al zo. Dat is nu niet anders. Wie ongewenste intimiteiten voor eens en voor altijd wil indammen, zal zich ook over de sociale bescherming van precaire statuten moeten buigen. Niet alleen van vrouwen. Evengoed van mannen.