Ik moet u wat bekennen, beste lezer: ik rij graag met de wagen. Maar niet in België, omdat je hier minder en minder met de wagen kúnt rijden. In België sta je stil. Dat werpt uiteraard de vraag op: wat doen we aan dat probleem?
...

Ik moet u wat bekennen, beste lezer: ik rij graag met de wagen. Maar niet in België, omdat je hier minder en minder met de wagen kúnt rijden. In België sta je stil. Dat werpt uiteraard de vraag op: wat doen we aan dat probleem? Voorlopig lijken we het vooral aan te pakken door nog meer te investeren in vervoer. De capaciteit van het wegennet moet worden uitgebreid, klinkt het. Intussen lijken mensen te berusten in de files, kopen ze een luxueuzere wagen om die filetijd tenminste comfortabel door te brengen, en kijken ze reikhalzend uit naar zelfsturende wagens. Ook die oplossing kost geld. Veel geld. Het openbaar vervoer biedt nauwelijks een alternatief. Ook bussen en trams staan in de file, treinen lopen vertraging op 'vanwege het drukke treinverkeer'. In al die vervoersmiddelen sta je als reiziger vaak gewoon recht. Dus ook het openbaar vervoer behoeft meer geld, klinkt het. Maar hoe meer we in vervoer investeren, hoe minder mobiliteit - en levenskwaliteit - we ervoor in de plaats krijgen. En dan is er de milieuoverlast. De kostprijs van het fijnstof en andere rotzooi die we de lucht in blazen, loopt in de miljarden. Elektrische wagens zijn misschien iets efficiënter, maar ze verplaatsen het probleem deels gewoon naar de energiecentrales. Het verkeersinfarct wordt ook economisch onhoudbaar. Jaarlijks kost de aankoop en het onderhoud van wagens ons land 110 miljard euro. Belangrijk daarbij is dat we steeds meer wagens en auto-onderdelen invoeren. Vorig jaar leidde dat tot een tekort van 3,5 miljard euro op de handelsbalans. Daarbovenop verstoken we voor 12 miljard euro aan diesel en benzine, goed voor nog eens een tekort van minimaal 2,5 miljard euro op de handelsbalans. Elektrische wagens, waarvan we er vooralsnog geen enkele zelf bouwen, dreigen die importrekening verder op te drijven. Zeker als we ook de energie moeten blijven invoeren. Ligt de oplossing van het mobiliteitsprobleem uitsluitend bij het vervoer zelf? Mij lijkt van niet. Het spreekt voor zich dat we die waanzinnige subsidies voor bedrijfswagens moeten aanpakken, en dat we het wegtransport moeten laten opdraaien voor de overlast die het veroorzaakt. Maar volstaat dat? Voor een groot deel volgt de verkeersellende uit onze ruimtelijke wanorde en onze lintbebouwing. Misschien speelt ook het verdwijnen van banen in middelgrote steden een rol: daardoor moeten mensen vaker pendelen. De plaats waar we wonen en die waar we werken liggen niet alleen verder uit elkaar, ook de plaats waar we onze producten maken en die waar we ze kopen zijn almaar verder van elkaar verwijderd geraakt. Die globalisering gaat gepaard met een enorme toename van transport: een product gaat vaak twee keer de wereld rond alvorens bij de consument te belanden. Daar hoeft op zich geen bezwaar tegen gemaakt te worden, maar het is niet kies dat we de realtime-productieketens beschouwen als een zege voor onze productiviteit zonder de keerzijde - de overlast en de externe kosten in vrachtverkeer - in rekening te brengen. Zoals vaak moeten we vooral strategisch te werk gaan. Het mobiliteitsvraagstuk staat niet op zich. Als we meer willen wonen en werken op dezelfde plaats, zullen we ook meer moeten produceren en consumeren op dezelfde plaats. Concreet: we zullen onze regio ruimtelijk een stuk moeten verdichten, rondom middelgrote steden. En onze economische activiteiten - van fabrieken tot ziekenhuizen - zullen we moeten decentraliseren, zodat mensen en producten minder lang onderweg zijn. Minder vervoer en meer mobiliteit zou van dat alles het resultaat moeten zijn. En áls we ons dan al eens op de weg zouden begeven, zouden we tenminste eens aangenaam kunnen doorrijden.