In Wallonië komt de discussie over de bestuursverantwoordelijkheid bij het crisisbeheer van de overstromingen op gang: waarom werd de sluizen van het stuwmeer van Eupen niet eerder geopend zoals Engie Electrabel deed met de stuwmeren in Robertville en Bütgenbach? Wat deed men met Europese waarschuwingen die reeds op 10 juli wezen op de komende overstromingen. Het European Flood Information Systeem deed zijn werk maar het Waals crisiscentrum reageerde traag en negeerde lang de waarschuwingen. De Directie Waterwegen van de Service Public de Wallonie (SPW) mocht tot donderdag 22 juli niet communiceren van de Waalse minister Philippe Henry. Nu zegt hij zelf vragende partij te zijn voor een snelle en onafhankelijke doorlichting van het beheer van de waterwegen. De conclusies zouden er tegen het einde van de zomer moeten zijn.

Succesfactoren

Het crisisbeheer van de overstromingen illustreert net zoals het pandemiebeheer nogal wat van de bestuurscultuur van ons land. Een erg ontransparante, bureaucratische en paternalistische houding van de overheid. En een niet al te grote appetijt voor rekenschap en verantwoording.

Evengoed toont het dat een maatschappij wel degelijk een erg daadkrachtige overheid nodig heeft. Alleen is er niet altijd een gunstige relatie tussen de regeldrift van onze omvangrijke overheid en de bestuurskracht ervan.

Een belangrijk debat voor de wereld na corona is daarom hoe de overheid wel daadkrachtiger kan worden. Er zijn grote nieuwe verwachtingen zoals een rol inzake de nodige transformatie van de economie wat de klimaatuitdaging betreft. Genuanceerde geesten beseffen dat het succes vooral zal afhangen van beter bestuur bij de overheid. Het debat moet vooral gevoerd worden over de kritische voorwaarden om zowel de relance op korte termijn, als de diepgaandere transformatie van de economie te realiseren.

Inspiratie

Daarbij kan ook inspiratie gezocht worden bij bijdragen van buitenlandse economen zoals Kate Raworths 'donuteconomie' of Mariana Mazzucato's visie op de overheid als ondernemer. Te betreuren valt wel dat er zo een steriel gepolariseerd debat gevoerd wordt over de nood tot vernieuwing van economische inzichten. Alsof we ergens geraken door een simplistisch manicheistisch discours waarbij sommige economen voor het goede staan en anderen voor het kwade. Onder dat laatste worden dan allen gegroepeerd onder de verzamelnaam van "neoliberalen". Zelf ken ik geen enkele Vlaamse econoom die zichzelf neoliberaal noemt. Een debat dat gestart wordt op basis van een intentieproces door in feite je gesprekspartner te bejegenen op basis van een scheldnaam kan niet veel vruchtbaars opleveren.

Hoe maken we onze overheid daadkrachtiger in de wereld na corona?

Zelf schrijf ik al jaren boeken vanuit de principes van rentmeesterschap en prudentie, met een kritische blik op wat ik piramidebouwers noem. In mijn analyse is er echt een tekort aan prudentie in onze bestuurscultuur. Het is zoals in de fabel van Jean de La Fontaine van de krekel en de mier, waarbij in goede tijden veel te weinig reserves worden aangelegd. Dat lijkt me in coronatijden toch niet onbelangrijk. Zeker niet als dit tekort aan prudentie niet alleen inzake budgettair en monetair beleid wordt geduid, maar ook in kortzichtigheid in ons economisch weefsel. Als je bedenkt hoeveel maatschappijkritiek dat impliceert tegenover huidige onduurzame economische processen, moet dat toch aanknopingspunten bieden voor conversatie? Tenzij het doel net polarisatie is en geen zinvol debat. Als er eens een gesprek plaatsvindt tussen figuren met duidelijk verschillend perspectief, blijkt daar meer dan eens uit dat er ook nogal wat raakpunten en punten van overeenstemming zijn. Bij een bepaald publiek levert dat soms net ontevredenheid op omdat ze dachten ze getuige konden zijn van een boksmatch.

Bestuurscultuur en kerntaken

In eigen land haalt men graag de mosterd elders en het kan inderdaad verfrissend zijn om een buitenlands expert onbevangen input te laten geven voor ons maatschappelijk debat. Sommigen denken echter nogal snel dat een buitenlands expert een totaal andere diagnose zou maken inzake de uitdagingen van ons land. De ervaring leert veeleer dat ze ook tot de conclusie kunnen komen dat onze bestuurscultuur disfunctioneel is geworden. Eenmaal ingewerkt zal de bevinding dat onze overheid zijn kerntaken verwaarloost evengoed bovendrijven.

De overheid dient zich te focussen op de waardevolle taken die de markt of het private initiatief niet realiseren. Daarbij dienen vervolgens belangrijke randvoorwaarden vervuld te worden. De eerste is dat ze de overheid zelf in haar eigen werking performant is. Waarom werd er in ons land al zolang onvoldoende geïnvesteerd in infrastructuur zoals nu weer heel pijnlijk duidelijk wordt met de overstromingen? Dit illustreert de thesis van onvoldoende prudentie in onze bestuurscultuur met specifiek de kortzichtigheid van de overheid al maar meer nevenactiviteiten te ontwikkelen terwijl men dan maar bespaart op investeringen en kerntaken.

Civiele maatschappij en eigen verantwoordelijkheid

De overheid moet bewaken dat ze de complementaire rol van de markt niet overneemt of onmogelijk maakt. In veel landen met een maatschappij zo complex en een overheid zo groot als die in België, ontstaat het gevoel dat er een te grote kloof bestaat tussen de burger en de staat met zijn bureaucratische structuren. Het is belangrijk voldoende ruimte te laten voor de civiele maatschappij die vitaliteit bevat om als cement voor het sociaal weefsel te functioneren waarbij ook voldoende beroep gedaan kan worden op gemeenschapswerking en de eigen verantwoordelijkheid.

Fundamenteel is ook dat de overheid respecteert dat burgers zelf ook hun eigen verantwoordelijkheid opnemen, individueel of in samenwerkingsverband. Sinds lang bestaan daar verschillende visies op. Sterke sociale relaties maken het mogelijk dat individuele belangen overstegen worden voor het realiseren van een gemeenschappelijk belang. Een 'gemeenschap' werd onderscheiden van de 'maatschappij'. Bij die laatste gaat het eerder om berekende keuzes om samen te werken en zo bepaalde doelen te bereiken. Moderne denkers zien opnieuw een meer "communautaire" toekomst als aanvulling op de verzorgingsstaat. Daarbij gaat het echt wel over meer dan enkel een slanker staatsapparaat hoewel kostenefficiëntie uiteraard ook wezenlijk is. Het inzicht dat communautair en privaat initiatief meer menselijkheid toelaat, sluit aan bij een lange traditie. Vaak vervulde dit ook wel een corrigerende rol op fenomenen van centralisme en anonieme, bureaucratische structuren die ver van de mens stonden.

De Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter geloofde dat het succes van de vrije markt en de welvaartscreatie zou leiden tot waarden die er vijandig tegenover staan. Er ontstaat een groep met een negatieve kijk op de markt en zijn vermogen tot welvaartscreatie, zelfs al ontlenen ze er zelf ook hun bestaan aan.

Vertrouwen

De overheid moet opereren vanuit ten minste een weerlegbaar vermoeden van vertrouwen in de eigen burgers en ondernemingen. Te vaak zien we de overheid handelen vanuit wantrouwen tegenover burgers en bedrijven. Uiteraard schieten mensen soms tekort maar dit mag niet impliceren dat wantrouwen de basishouding wordt. Dit dient zich ook te vertalen in vertrouwen naar de eigen instellingen en ambtenaren. In plaats van een centralisatie vanuit Brussel ligt het heil meer in autonomie van ook lokale overheden die dicht bij de burger staan. Diegene die het beste de lokale context kunnen inschatten zijn niet zelden diegenen die daar het dichtst bij staan.

Daarvoor moet er ten slotte ook werk gemaakt worden van minder betutteling van verenigingen, minder overbodige administratieve procedures zodat mensen zelf hun verantwoordelijkheid kunnen opnemen. Er is bij de overheid een overdaad op het vlak van rapporteringen allerhande. Controle is soms onvermijdelijk, maar zorg dan dat dit gebeurt op zaken die er echt toe doen.

Ivan Van de Cloot is hoofdeconoom Itinera Institute, Executive professor Antwerp Management School en auteur van het pas verschenen boek "Overheid + Markt, het beste van beide werelden".)

In Wallonië komt de discussie over de bestuursverantwoordelijkheid bij het crisisbeheer van de overstromingen op gang: waarom werd de sluizen van het stuwmeer van Eupen niet eerder geopend zoals Engie Electrabel deed met de stuwmeren in Robertville en Bütgenbach? Wat deed men met Europese waarschuwingen die reeds op 10 juli wezen op de komende overstromingen. Het European Flood Information Systeem deed zijn werk maar het Waals crisiscentrum reageerde traag en negeerde lang de waarschuwingen. De Directie Waterwegen van de Service Public de Wallonie (SPW) mocht tot donderdag 22 juli niet communiceren van de Waalse minister Philippe Henry. Nu zegt hij zelf vragende partij te zijn voor een snelle en onafhankelijke doorlichting van het beheer van de waterwegen. De conclusies zouden er tegen het einde van de zomer moeten zijn. SuccesfactorenHet crisisbeheer van de overstromingen illustreert net zoals het pandemiebeheer nogal wat van de bestuurscultuur van ons land. Een erg ontransparante, bureaucratische en paternalistische houding van de overheid. En een niet al te grote appetijt voor rekenschap en verantwoording. Evengoed toont het dat een maatschappij wel degelijk een erg daadkrachtige overheid nodig heeft. Alleen is er niet altijd een gunstige relatie tussen de regeldrift van onze omvangrijke overheid en de bestuurskracht ervan. Een belangrijk debat voor de wereld na corona is daarom hoe de overheid wel daadkrachtiger kan worden. Er zijn grote nieuwe verwachtingen zoals een rol inzake de nodige transformatie van de economie wat de klimaatuitdaging betreft. Genuanceerde geesten beseffen dat het succes vooral zal afhangen van beter bestuur bij de overheid. Het debat moet vooral gevoerd worden over de kritische voorwaarden om zowel de relance op korte termijn, als de diepgaandere transformatie van de economie te realiseren. Daarbij kan ook inspiratie gezocht worden bij bijdragen van buitenlandse economen zoals Kate Raworths 'donuteconomie' of Mariana Mazzucato's visie op de overheid als ondernemer. Te betreuren valt wel dat er zo een steriel gepolariseerd debat gevoerd wordt over de nood tot vernieuwing van economische inzichten. Alsof we ergens geraken door een simplistisch manicheistisch discours waarbij sommige economen voor het goede staan en anderen voor het kwade. Onder dat laatste worden dan allen gegroepeerd onder de verzamelnaam van "neoliberalen". Zelf ken ik geen enkele Vlaamse econoom die zichzelf neoliberaal noemt. Een debat dat gestart wordt op basis van een intentieproces door in feite je gesprekspartner te bejegenen op basis van een scheldnaam kan niet veel vruchtbaars opleveren. Zelf schrijf ik al jaren boeken vanuit de principes van rentmeesterschap en prudentie, met een kritische blik op wat ik piramidebouwers noem. In mijn analyse is er echt een tekort aan prudentie in onze bestuurscultuur. Het is zoals in de fabel van Jean de La Fontaine van de krekel en de mier, waarbij in goede tijden veel te weinig reserves worden aangelegd. Dat lijkt me in coronatijden toch niet onbelangrijk. Zeker niet als dit tekort aan prudentie niet alleen inzake budgettair en monetair beleid wordt geduid, maar ook in kortzichtigheid in ons economisch weefsel. Als je bedenkt hoeveel maatschappijkritiek dat impliceert tegenover huidige onduurzame economische processen, moet dat toch aanknopingspunten bieden voor conversatie? Tenzij het doel net polarisatie is en geen zinvol debat. Als er eens een gesprek plaatsvindt tussen figuren met duidelijk verschillend perspectief, blijkt daar meer dan eens uit dat er ook nogal wat raakpunten en punten van overeenstemming zijn. Bij een bepaald publiek levert dat soms net ontevredenheid op omdat ze dachten ze getuige konden zijn van een boksmatch. In eigen land haalt men graag de mosterd elders en het kan inderdaad verfrissend zijn om een buitenlands expert onbevangen input te laten geven voor ons maatschappelijk debat. Sommigen denken echter nogal snel dat een buitenlands expert een totaal andere diagnose zou maken inzake de uitdagingen van ons land. De ervaring leert veeleer dat ze ook tot de conclusie kunnen komen dat onze bestuurscultuur disfunctioneel is geworden. Eenmaal ingewerkt zal de bevinding dat onze overheid zijn kerntaken verwaarloost evengoed bovendrijven. De overheid dient zich te focussen op de waardevolle taken die de markt of het private initiatief niet realiseren. Daarbij dienen vervolgens belangrijke randvoorwaarden vervuld te worden. De eerste is dat ze de overheid zelf in haar eigen werking performant is. Waarom werd er in ons land al zolang onvoldoende geïnvesteerd in infrastructuur zoals nu weer heel pijnlijk duidelijk wordt met de overstromingen? Dit illustreert de thesis van onvoldoende prudentie in onze bestuurscultuur met specifiek de kortzichtigheid van de overheid al maar meer nevenactiviteiten te ontwikkelen terwijl men dan maar bespaart op investeringen en kerntaken.De overheid moet bewaken dat ze de complementaire rol van de markt niet overneemt of onmogelijk maakt. In veel landen met een maatschappij zo complex en een overheid zo groot als die in België, ontstaat het gevoel dat er een te grote kloof bestaat tussen de burger en de staat met zijn bureaucratische structuren. Het is belangrijk voldoende ruimte te laten voor de civiele maatschappij die vitaliteit bevat om als cement voor het sociaal weefsel te functioneren waarbij ook voldoende beroep gedaan kan worden op gemeenschapswerking en de eigen verantwoordelijkheid. Fundamenteel is ook dat de overheid respecteert dat burgers zelf ook hun eigen verantwoordelijkheid opnemen, individueel of in samenwerkingsverband. Sinds lang bestaan daar verschillende visies op. Sterke sociale relaties maken het mogelijk dat individuele belangen overstegen worden voor het realiseren van een gemeenschappelijk belang. Een 'gemeenschap' werd onderscheiden van de 'maatschappij'. Bij die laatste gaat het eerder om berekende keuzes om samen te werken en zo bepaalde doelen te bereiken. Moderne denkers zien opnieuw een meer "communautaire" toekomst als aanvulling op de verzorgingsstaat. Daarbij gaat het echt wel over meer dan enkel een slanker staatsapparaat hoewel kostenefficiëntie uiteraard ook wezenlijk is. Het inzicht dat communautair en privaat initiatief meer menselijkheid toelaat, sluit aan bij een lange traditie. Vaak vervulde dit ook wel een corrigerende rol op fenomenen van centralisme en anonieme, bureaucratische structuren die ver van de mens stonden. De Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter geloofde dat het succes van de vrije markt en de welvaartscreatie zou leiden tot waarden die er vijandig tegenover staan. Er ontstaat een groep met een negatieve kijk op de markt en zijn vermogen tot welvaartscreatie, zelfs al ontlenen ze er zelf ook hun bestaan aan. De overheid moet opereren vanuit ten minste een weerlegbaar vermoeden van vertrouwen in de eigen burgers en ondernemingen. Te vaak zien we de overheid handelen vanuit wantrouwen tegenover burgers en bedrijven. Uiteraard schieten mensen soms tekort maar dit mag niet impliceren dat wantrouwen de basishouding wordt. Dit dient zich ook te vertalen in vertrouwen naar de eigen instellingen en ambtenaren. In plaats van een centralisatie vanuit Brussel ligt het heil meer in autonomie van ook lokale overheden die dicht bij de burger staan. Diegene die het beste de lokale context kunnen inschatten zijn niet zelden diegenen die daar het dichtst bij staan.Daarvoor moet er ten slotte ook werk gemaakt worden van minder betutteling van verenigingen, minder overbodige administratieve procedures zodat mensen zelf hun verantwoordelijkheid kunnen opnemen. Er is bij de overheid een overdaad op het vlak van rapporteringen allerhande. Controle is soms onvermijdelijk, maar zorg dan dat dit gebeurt op zaken die er echt toe doen. Ivan Van de Cloot is hoofdeconoom Itinera Institute, Executive professor Antwerp Management School en auteur van het pas verschenen boek "Overheid + Markt, het beste van beide werelden".)