De Belgische overheidsschuld is gedaald tot het laagste niveau sinds 2011, kopten de kranten vorige week. Die cijfers intrigeerden me en ik vermoed met mij vele andere landgenoten. Hoe is het nu eigenlijk gesteld met de boekhouding van ons land? Sinds het aantreden van de regering-Michel is de situatie niet verslechterd, dat is het goede nieuws, maar een echte verbetering was er evenmin.
...

De Belgische overheidsschuld is gedaald tot het laagste niveau sinds 2011, kopten de kranten vorige week. Die cijfers intrigeerden me en ik vermoed met mij vele andere landgenoten. Hoe is het nu eigenlijk gesteld met de boekhouding van ons land? Sinds het aantreden van de regering-Michel is de situatie niet verslechterd, dat is het goede nieuws, maar een echte verbetering was er evenmin. Is, om te beginnen, de overheidsschuld werkelijk zo gedaald? Als aandeel van onze totale binnenlandse productie, het bbp, is de overheidsschuld inderdaad geslonken: van zo'n 107 procent van ons bbp bij het aantreden van de regering-Michel in 2014, tot zo'n 101 procent vandaag. In absolute cijfers stelt die daling evenwel amper wat voor. Sinds het aantreden van deze regering is de nettoschuld met 5 miljard euro gedaald, op een totaal van 386 miljard. Een begroting in evenwicht, nochtans een van de beloftes, werd niet gerealiseerd. Een echte bezuinigingenkampioen was deze regering dus allerminst. Nu heeft het niet veel zin om enkel en alleen deze beleidsploeg met de vinger te wijzen. Op de regering-Van Rompuy na was geen enkel kabinet de afgelopen twintig jaar in staat om de overheidsuitgaven beter te beteugelen dan elders in de eurozone. De vraag is natuurlijk of bezuinigen bij de overheid zin heeft. Voor vele private ondernemers staat zowat de helft van het cliënteel op de loonlijst van de overheid. Bezuinigingen zouden aan de ene kant de belastingdruk kunnen verzachten, maar aan de andere kant ook het klantenbestand doen slinken. Overheidsuitgaven hoeven ook geen probleem te zijn, als ze maar worden besteed op een manier die de economie sterker maakt. Investeren in infrastructuur, onderzoek en onderwijs, bijvoorbeeld, zeker nu de rente laag is, zou ons kunnen helpen om ons land competitiever te maken en met de extra groei de schuld af te betalen. Het drama is dat we dat niet doen. Enerzijds vloeit slechts een fractie van de overheidsmiddelen naar infrastructuur, veel minder dan in vele vergelijkbare Europese landen. Dat is al jaren zo en er bestaat amper een plan om onze infrastructuur, van energie tot steden, doeltreffend te moderniseren. Anderzijds zien we dat een veel grotere brok in de uitgaven - aan overheidspersoneel - onze competitiviteit amper versterkt. Er werken veel mensen in de publieke sector, maar de kwaliteit van veel diensten is ondermaats en evolueert negatief in vergelijking met andere Europese landen. De evolutie van de overheidsschuld is één zaak, nog belangrijker is de positie van ons land in het algemeen. Die financiële positie is moeilijk te evalueren. De balansen van de nationale bank bevatten bijvoorbeeld veel kapitaal van grote bedrijven of rijke particulieren dat vluchtig is. Eén vaststelling: het netto financieel vermogen van de gezinnen, dus hun spaargeld en dergelijke minus de schuldverplichtingen, is tussen 2015 en 2017 amper gegroeid en in ieder geval veel minder snel dan in de zeven jaren voordien. Het netto financieel vermogen van de financiële instellingen is tussen 2015 aanzienlijk gekrompen. Bij de andere bedrijven is er weinig veranderd in hun netto financieel vermogen, maar wat eveneens opvalt, is dat zij sinds 2015 nauwelijks hebben geïnvesteerd in hun infrastructuur: gebouwen, machines, informatica en dergelijke. Een laatste indicator van onze financiële gezondheid betreft de schuldpositie ten aanzien van de rest van de wereld. De voorbije drie jaren heeft ons land een klein tekort op de lopende rekening genoteerd, waardoor we onvermijdelijk in het buitenland wat meer krediet zijn aangegaan. De situatie is opnieuw complex: terwijl de Belgen grote hoeveelheden aandelen in het buitenland hebben gekocht, gingen de overheid en de centrale bank netto voor zo'n 40 miljard meer schulden aan in het buitenland en daarbij ging het vooral om leningen die door de Europese Centrale Bank aan onze nationale bank werden verstrekt. Van financiële rampspoed is geen sprake, maar de financiële gezondheid van ons land is er ook niet bepaald op vooruit gegaan. Er is al helemaal geen trendbreuk. Zorgwekkend is dat ons land niet profiteert van de luwte en de lage rente om eindelijk eens een investeringsstrategie die naam waardig uit te rollen. Bedrijven talmen en de verschillende overheden lijken amper een benul te hebben hoe we een investeringsbeleid moeten koppelen aan een langetermijnvisie voor bijvoorbeeld onze energie, onze steden, onze zorginfrastructuur, enzovoort. De voorbije drie jaar waren dus misschien geen periode van grote financiële uitdagingen, maar, zo vrees ik, opnieuw een tijd van veel gemiste kansen.