Binnen enkele decennia is de wereldbevolking aangedikt tot 9 miljard. Dat zijn 2 miljard monden meer te voeden dan vandaag. Landbouw is onze voornaamste voedselleverancier maar wordt ook met de vinger gewezen als boosdoener bij tal van milieuproblemen. Landbouw- en voedselsystemen stoten een derde van alle broeikasgassen uit. Intensieve landbouw heeft tot op vandaag bossen, bodems, watergebieden en de daarin levende biodiversiteit onherstelbaar aangetast. De vruchtbare bovenlaag van een kwart van alle landbouwbodems is geërodeerd. Driekwart van het landbouwareaal op aarde is beplant met slechts 10 gewassoorten (tarwe, rijst, mais, soja, gerst, sorghum, koolzaad, bonen, gierst en katoen). Andere gewassen en variëteiten verdwijnen aan een ongezien tempo.

De uitdaging is duidelijk: hoe kunnen we in 2050 voldoende en gezond voedsel voor 9 miljard mensen voorzien en tegelijk de milieu-impact van de voedselproductie indijken? De visies hierover lopen uiteen. Volgens sommigen moet resoluut gekozen worden voor een verdere intensivering van de landbouw en worden ingezet op technologie (precisielandbouw, ggo's), opschaling en globalisering van landbouw. Op die manier - zo luidt de hypothese - wordt meer geproduceerd op een kleinere oppervlakte, worden minder broeikasgassen uitgestoten en legt landbouw minder beslag op landgebruik, wat ruimte vrijmaakt voor natuur.

Hoe houden we de planeet voedzaam en gezond?

Er zijn echter heel wat kanttekeningen te maken bij deze benadering. Eerst en vooral het uitgangspunt: het is evident dat een hogere bevolking meer voedsel vergt, maar het is fout uit te gaan van een stijging in de voedselvraag die de huidige - ongezonde - consumptiepatronen volgt. De gerenommeerde Lancetcommissie luidde vorig jaar de alarmbel. Twee miljard mensen lijden aan obesitas, en nog eens 2 miljard kampen met micronutriëntentekorten (vitamine A, ijzer, zink), terwijl 820 miljoen mensen chronisch ondervoed blijven, en de COVID-19 crisis dat cijfer tegen eind dit jaar wellicht met 130 miljoen doet stijgen.

Het is verontrustend dat meer dan de helft van de wereldbevolking te maken heeft met een ongezond voedingspatroon. Toekomstige voedselproductie kan en moet daarop inspelen. Er is een grote consensus dat een voedingspatroon dat veel minder vlees bevat, veel minder beslag legt op landbouwoppervlakte en bovendien veel minder CO2 uitstoot. Dat is omdat momenteel 30 % tot 50 % van alle graanproductie dient om vee i.p.v. mensen te voeden. Vanuit milieuoogpunt hoeft echter niet alle vleesconsumptie totaal gebannen te worden. Vee zet gras en een aantal voor mensen oneetbare reststromen uit andere landbouwproducten (bv. de perskoeken van oliegewassen, bietenpulp en stro) om tot hoogwaardig eiwit. Bovendien is vlees in gebieden waar gewasproductie moeilijk is (bv. bij nomaden in de Afrikaanse Sahel) en voor kwetsbare bevolkingsgroepen (kinderen en ouderen in de minst ontwikkelde landen), een belangrijke eiwitbron.

Een verschuiving in het voedingspatroon is dus een belangrijke hefboom in het verduurzamen van de mondiale landbouw. Bijkomend moet ook werk worden gemaakt van het terugdringen van voedselverspilling: één derde van alle door landbouw geproduceerde voedsel wordt nooit door mensen of dieren geconsumeerd. In ontwikkelingslanden zijn de verliezen hoofdzakelijk te wijten aan de naoogstbehandelingen (verwerking, opslag), in industrielanden zijn het vooral de consumenten zelf die veel voeding in de vuilbak doen belanden.

De vraag rijst dan welk bijkomende, complementaire meerwaarde een meer intensieve en nog sterker geglobaliseerde landbouw kan bieden voor zowel mondiale voedselzekerheid als ecologische duurzaamheid. Een recente in Nature gepubliceerde studie stelt dat als 16 gewassen geteeld zouden worden in gebieden waar ze omwille van klimatologische en bodemomstandigheden het meest kunnen opbrengen, tot de helft van hun huidige landbouwoppervlakte kan worden bespaard en aan de natuur kan worden teruggegeven. Zo zouden bovendien ook meststoffengebruik en broeikasgassen teruggedrongen kunnen worden. Dat klinkt op het eerste zicht goed, maar er zitten zowel voor het milieu als voor voedselzekerheid belangrijke addertjes onder het gras.

Eerst en vooral is het onjuist te veronderstellen dat landgebruik snel inwisselbaar is. Om vrijgekomen landbouwoppervlakte in natuur om te zetten, is een gedegen, consequent milieubeleid nodig, met beschermingsmaatregelen voor het nieuw in te richten natuurgebied. Veel landen, zeker in tropische gebieden met de meest waardevolle natuur, slagen daar niet of moeizaam in. Landen (zoals in Europa en de VS) die dat wel doen, zorgen vaak voor een 'verplaatsingseffect' waarbij een opgelegde inkrimping van het landbouwareaal voor natuurdoeleinden zorgt voor een landbouwuitbreiding in gebieden in het Zuiden met hoge biodiversiteit. Ook leidt intensievere productie met hogere opbrengsten paradoxaal genoeg vaak net tot uitbreiding van het landbouwareaal van een gewas. Landbouwondernemers investeren immers graag in succesverhalen met hoge opbrengsten en lage kosten.

Alternatieve, zogenaamd agroecologische vormen van landbouw integreren landbouw en natuur. Ze maken gebruik van een veelheid aan gewassoorten aangepast aan het lokale milieu, brengen verschillende gewassen samen in teelt (boslandbouw in het geval van gewassen en bomen) en doen aan gewasrotatie. Het basisprincipe is dat de natuur diensten verleent aan de landbouw (sommige insecten bestuiven planten, andere onderdrukken schadelijke plaaginsecten, bodemschimmels en -bacteriën helpen gewassen om voedingsstoffen op te nemen). Terzelfdertijd houden agroecologische landbouwpraktijken biodiversiteit in stand. Of ze daar beter of minder goed in slagen dan bij uitgespaard en tot natuurgebied omgezet land, hangt af van de specifieke soorten die worden beschouwd en de termijn waarop hun populaties ontwikkelen.

Veel studies tonen aan dat agroecologische landbouwmethodes het potentieel hebben om de huidige opbrengstkloof met conventionele intensieve landbouw drastisch te verkleinen. In de cacaoteelt die essentieel van bestuivende insecten afhangt, kon worden aangetoond dat een bepaalde combinatie tussen schaduwbomen en cacaobomen nodig is om zowel biodiversiteit als opbrengst duurzaam te verankeren.

Zelfs met technologische innovaties blijft intensieve landbouw met een aantal duurzaamheidsproblemen kampen. De diensten die de natuur aan de landbouw levert, worden in een doorgedreven intensief en opgeschaald landbouwsysteem nagenoeg volledig uitgeschakeld.

Ik herinner me een bezoek in het kader van een onderzoeksproject aan een gigantische suikerrietplantage in Santa Cruz, Bolivia. De eigenaar had in het midden ervan enkele rijen passievruchten staan die geen vruchten droegen en vroeg ons of hij mogelijks verkeerd zaad had gekocht. De werkelijke reden was dat passievruchten volledig afhankelijk zijn van bijen voor bestuiving en vruchtzetting en dat die in het volledig verschraalde suikerrietlandschap geen habitat hadden. Voor veel teelten is grootschalige monocultuur dus totaal ongeschikt. Industriële monoculturen zijn bovendien heel gevoelig aan ziektes en plagen. Technologische innovaties die de op de ene plaag mikken zullen er niet in slagen om andere toekomstige ziektes en plagen duurzaam te bestrijden.

Nemen we tenslotte de bijdrage van geglobaliseerde, intensieve landbouwsystemen aan voedselzekerheid onder de loep. De productie van veel gewassen die rijk zijn aan micronutriënten (bv. diverse fruitsoorten en pompoenen) hangen essentieel af van bestuivende insecten en zijn dus niet geschikt om geteeld te worden in niet-natuurlijke landschappen. Globalisering van landbouw- en voedselsystemen verhoogt voedselzekerheid in goed functionerende open markten, zoals in de Europese Unie. In het Zuiden echter wordt 80 % van het geconsumeerde voedsel geproduceerd door ongeveer 500 miljoen kleinschalige (met minder dan 2 ha grond) landbouwers. Bovendien zijn het netto-voedselkopers. Dat betekent dat de consumptie van hun gewassen en de inkomsten uit de verkoop ervan niet volstaan om aan de voedingsbehoeften van hun gezinnen te voldoen en ze dus afhankelijk zijn van voedselmarkten, waar vooral ongezonde vet- en zetmeelrijke voeding voorhanden zijn.

Grootschalige, intensieve landbouw houdt boeren, consumenten en het milieu in een wurggreep. Hoog tijd om die te lossen!

Een recent rapport van de Speciale Rapporteur voor Extreme Armoede en Mensenrechten van de Verenigde Naties, toont aan dat het veelgehoorde optimisme over globale armoedebestrijding misleidend is. Sedert 1990 leven nagenoeg onveranderd ongeveer 3,5 miljard mensen in extreme armoede. Veel boeren verdienen geen leefbaar inkomen. Verhoogde afhankelijkheid van wereldvoedselmarkten waar speculatie zorgt voor grillige prijzen en waar humanitaire crisissen zoals oorlog, natuurrampen of wereldwijde recessies zoals bij de financiële crisis van 2008 of de huidige COVID-19 crisis, de markttoegang belemmeren, brengen dan ook de helft van de wereld in een heel precaire voedselzekerheidssituatie.

Het wereldwijde handelsregime uitgetekend door de Wereldhandelsorganisatie en gedragen door o.a. handelsverdragen tussen ontwikkelings- en industrielanden, bewerkstelligt bovendien de extractie van landbouwproducten uit landen met lage voedselzekerheid, wat voedselonzekerheid in het Zuiden verhoogt.

Globalisering heeft veel en goedkoop, maar ook ongezond en eenzijdig voedsel voortgebracht. In zowat alle sectoren stoot globalisering op haar limieten. Grootschalige, intensieve landbouw heeft haar eigen ecologische en socio-economische fundamenten ondergraven. Lokale landbouw- en voedselsystemen bieden een waardevol alternatief. Maar dan zal er meer moeten geïnvesteerd worden in onderzoek naar, en ontwikkeling van lokale, diverse en agroecologisch geïntensiveerde landbouwsystemen. In combinatie met het terugdringen van voedselverliezen en een transitie naar een minder vlees-gedreven voedingspatroon (vooral in ontwikkelde landen) wordt onze voeding zo op termijn gezonder, kunnen we globaal gezien minder beslag leggen op landgebruik, kunnen we landbouw als economische activiteit opwaarderen, kunnen we natuur en biodiversiteit optimaal in stand houden én minder broeikasgassen uitstoten dan met de conventionele systemen die vandaag de planeet voeden.

Grootschalige, intensieve landbouw houdt boeren, consumenten en het milieu in een wurggreep. Hoog tijd om die te lossen!

Binnen enkele decennia is de wereldbevolking aangedikt tot 9 miljard. Dat zijn 2 miljard monden meer te voeden dan vandaag. Landbouw is onze voornaamste voedselleverancier maar wordt ook met de vinger gewezen als boosdoener bij tal van milieuproblemen. Landbouw- en voedselsystemen stoten een derde van alle broeikasgassen uit. Intensieve landbouw heeft tot op vandaag bossen, bodems, watergebieden en de daarin levende biodiversiteit onherstelbaar aangetast. De vruchtbare bovenlaag van een kwart van alle landbouwbodems is geërodeerd. Driekwart van het landbouwareaal op aarde is beplant met slechts 10 gewassoorten (tarwe, rijst, mais, soja, gerst, sorghum, koolzaad, bonen, gierst en katoen). Andere gewassen en variëteiten verdwijnen aan een ongezien tempo.De uitdaging is duidelijk: hoe kunnen we in 2050 voldoende en gezond voedsel voor 9 miljard mensen voorzien en tegelijk de milieu-impact van de voedselproductie indijken? De visies hierover lopen uiteen. Volgens sommigen moet resoluut gekozen worden voor een verdere intensivering van de landbouw en worden ingezet op technologie (precisielandbouw, ggo's), opschaling en globalisering van landbouw. Op die manier - zo luidt de hypothese - wordt meer geproduceerd op een kleinere oppervlakte, worden minder broeikasgassen uitgestoten en legt landbouw minder beslag op landgebruik, wat ruimte vrijmaakt voor natuur.Er zijn echter heel wat kanttekeningen te maken bij deze benadering. Eerst en vooral het uitgangspunt: het is evident dat een hogere bevolking meer voedsel vergt, maar het is fout uit te gaan van een stijging in de voedselvraag die de huidige - ongezonde - consumptiepatronen volgt. De gerenommeerde Lancetcommissie luidde vorig jaar de alarmbel. Twee miljard mensen lijden aan obesitas, en nog eens 2 miljard kampen met micronutriëntentekorten (vitamine A, ijzer, zink), terwijl 820 miljoen mensen chronisch ondervoed blijven, en de COVID-19 crisis dat cijfer tegen eind dit jaar wellicht met 130 miljoen doet stijgen. Het is verontrustend dat meer dan de helft van de wereldbevolking te maken heeft met een ongezond voedingspatroon. Toekomstige voedselproductie kan en moet daarop inspelen. Er is een grote consensus dat een voedingspatroon dat veel minder vlees bevat, veel minder beslag legt op landbouwoppervlakte en bovendien veel minder CO2 uitstoot. Dat is omdat momenteel 30 % tot 50 % van alle graanproductie dient om vee i.p.v. mensen te voeden. Vanuit milieuoogpunt hoeft echter niet alle vleesconsumptie totaal gebannen te worden. Vee zet gras en een aantal voor mensen oneetbare reststromen uit andere landbouwproducten (bv. de perskoeken van oliegewassen, bietenpulp en stro) om tot hoogwaardig eiwit. Bovendien is vlees in gebieden waar gewasproductie moeilijk is (bv. bij nomaden in de Afrikaanse Sahel) en voor kwetsbare bevolkingsgroepen (kinderen en ouderen in de minst ontwikkelde landen), een belangrijke eiwitbron. Een verschuiving in het voedingspatroon is dus een belangrijke hefboom in het verduurzamen van de mondiale landbouw. Bijkomend moet ook werk worden gemaakt van het terugdringen van voedselverspilling: één derde van alle door landbouw geproduceerde voedsel wordt nooit door mensen of dieren geconsumeerd. In ontwikkelingslanden zijn de verliezen hoofdzakelijk te wijten aan de naoogstbehandelingen (verwerking, opslag), in industrielanden zijn het vooral de consumenten zelf die veel voeding in de vuilbak doen belanden.De vraag rijst dan welk bijkomende, complementaire meerwaarde een meer intensieve en nog sterker geglobaliseerde landbouw kan bieden voor zowel mondiale voedselzekerheid als ecologische duurzaamheid. Een recente in Nature gepubliceerde studie stelt dat als 16 gewassen geteeld zouden worden in gebieden waar ze omwille van klimatologische en bodemomstandigheden het meest kunnen opbrengen, tot de helft van hun huidige landbouwoppervlakte kan worden bespaard en aan de natuur kan worden teruggegeven. Zo zouden bovendien ook meststoffengebruik en broeikasgassen teruggedrongen kunnen worden. Dat klinkt op het eerste zicht goed, maar er zitten zowel voor het milieu als voor voedselzekerheid belangrijke addertjes onder het gras. Eerst en vooral is het onjuist te veronderstellen dat landgebruik snel inwisselbaar is. Om vrijgekomen landbouwoppervlakte in natuur om te zetten, is een gedegen, consequent milieubeleid nodig, met beschermingsmaatregelen voor het nieuw in te richten natuurgebied. Veel landen, zeker in tropische gebieden met de meest waardevolle natuur, slagen daar niet of moeizaam in. Landen (zoals in Europa en de VS) die dat wel doen, zorgen vaak voor een 'verplaatsingseffect' waarbij een opgelegde inkrimping van het landbouwareaal voor natuurdoeleinden zorgt voor een landbouwuitbreiding in gebieden in het Zuiden met hoge biodiversiteit. Ook leidt intensievere productie met hogere opbrengsten paradoxaal genoeg vaak net tot uitbreiding van het landbouwareaal van een gewas. Landbouwondernemers investeren immers graag in succesverhalen met hoge opbrengsten en lage kosten. Alternatieve, zogenaamd agroecologische vormen van landbouw integreren landbouw en natuur. Ze maken gebruik van een veelheid aan gewassoorten aangepast aan het lokale milieu, brengen verschillende gewassen samen in teelt (boslandbouw in het geval van gewassen en bomen) en doen aan gewasrotatie. Het basisprincipe is dat de natuur diensten verleent aan de landbouw (sommige insecten bestuiven planten, andere onderdrukken schadelijke plaaginsecten, bodemschimmels en -bacteriën helpen gewassen om voedingsstoffen op te nemen). Terzelfdertijd houden agroecologische landbouwpraktijken biodiversiteit in stand. Of ze daar beter of minder goed in slagen dan bij uitgespaard en tot natuurgebied omgezet land, hangt af van de specifieke soorten die worden beschouwd en de termijn waarop hun populaties ontwikkelen. Veel studies tonen aan dat agroecologische landbouwmethodes het potentieel hebben om de huidige opbrengstkloof met conventionele intensieve landbouw drastisch te verkleinen. In de cacaoteelt die essentieel van bestuivende insecten afhangt, kon worden aangetoond dat een bepaalde combinatie tussen schaduwbomen en cacaobomen nodig is om zowel biodiversiteit als opbrengst duurzaam te verankeren.Zelfs met technologische innovaties blijft intensieve landbouw met een aantal duurzaamheidsproblemen kampen. De diensten die de natuur aan de landbouw levert, worden in een doorgedreven intensief en opgeschaald landbouwsysteem nagenoeg volledig uitgeschakeld. Ik herinner me een bezoek in het kader van een onderzoeksproject aan een gigantische suikerrietplantage in Santa Cruz, Bolivia. De eigenaar had in het midden ervan enkele rijen passievruchten staan die geen vruchten droegen en vroeg ons of hij mogelijks verkeerd zaad had gekocht. De werkelijke reden was dat passievruchten volledig afhankelijk zijn van bijen voor bestuiving en vruchtzetting en dat die in het volledig verschraalde suikerrietlandschap geen habitat hadden. Voor veel teelten is grootschalige monocultuur dus totaal ongeschikt. Industriële monoculturen zijn bovendien heel gevoelig aan ziektes en plagen. Technologische innovaties die de op de ene plaag mikken zullen er niet in slagen om andere toekomstige ziektes en plagen duurzaam te bestrijden. Nemen we tenslotte de bijdrage van geglobaliseerde, intensieve landbouwsystemen aan voedselzekerheid onder de loep. De productie van veel gewassen die rijk zijn aan micronutriënten (bv. diverse fruitsoorten en pompoenen) hangen essentieel af van bestuivende insecten en zijn dus niet geschikt om geteeld te worden in niet-natuurlijke landschappen. Globalisering van landbouw- en voedselsystemen verhoogt voedselzekerheid in goed functionerende open markten, zoals in de Europese Unie. In het Zuiden echter wordt 80 % van het geconsumeerde voedsel geproduceerd door ongeveer 500 miljoen kleinschalige (met minder dan 2 ha grond) landbouwers. Bovendien zijn het netto-voedselkopers. Dat betekent dat de consumptie van hun gewassen en de inkomsten uit de verkoop ervan niet volstaan om aan de voedingsbehoeften van hun gezinnen te voldoen en ze dus afhankelijk zijn van voedselmarkten, waar vooral ongezonde vet- en zetmeelrijke voeding voorhanden zijn. Een recent rapport van de Speciale Rapporteur voor Extreme Armoede en Mensenrechten van de Verenigde Naties, toont aan dat het veelgehoorde optimisme over globale armoedebestrijding misleidend is. Sedert 1990 leven nagenoeg onveranderd ongeveer 3,5 miljard mensen in extreme armoede. Veel boeren verdienen geen leefbaar inkomen. Verhoogde afhankelijkheid van wereldvoedselmarkten waar speculatie zorgt voor grillige prijzen en waar humanitaire crisissen zoals oorlog, natuurrampen of wereldwijde recessies zoals bij de financiële crisis van 2008 of de huidige COVID-19 crisis, de markttoegang belemmeren, brengen dan ook de helft van de wereld in een heel precaire voedselzekerheidssituatie. Het wereldwijde handelsregime uitgetekend door de Wereldhandelsorganisatie en gedragen door o.a. handelsverdragen tussen ontwikkelings- en industrielanden, bewerkstelligt bovendien de extractie van landbouwproducten uit landen met lage voedselzekerheid, wat voedselonzekerheid in het Zuiden verhoogt. Globalisering heeft veel en goedkoop, maar ook ongezond en eenzijdig voedsel voortgebracht. In zowat alle sectoren stoot globalisering op haar limieten. Grootschalige, intensieve landbouw heeft haar eigen ecologische en socio-economische fundamenten ondergraven. Lokale landbouw- en voedselsystemen bieden een waardevol alternatief. Maar dan zal er meer moeten geïnvesteerd worden in onderzoek naar, en ontwikkeling van lokale, diverse en agroecologisch geïntensiveerde landbouwsystemen. In combinatie met het terugdringen van voedselverliezen en een transitie naar een minder vlees-gedreven voedingspatroon (vooral in ontwikkelde landen) wordt onze voeding zo op termijn gezonder, kunnen we globaal gezien minder beslag leggen op landgebruik, kunnen we landbouw als economische activiteit opwaarderen, kunnen we natuur en biodiversiteit optimaal in stand houden én minder broeikasgassen uitstoten dan met de conventionele systemen die vandaag de planeet voeden. Grootschalige, intensieve landbouw houdt boeren, consumenten en het milieu in een wurggreep. Hoog tijd om die te lossen!