Met de vondst van het lichaam van Jürgen Conings is een einde gekomen aan de bizarre historie die ons land wekenlang in de ban hield. Het intern onderzoek heeft ondertussen reeds uitgewezen wat er allemaal verkeerd gelopen is bij defensie. Minister Dedonder heeft de tekortkomingen uitgebreid toegelicht in parlement en media en heeft al heel snel een ganse resem van bijsturingen aangekondigd.

Hoe de rubberlagen bij defensie de 'zaak Jürgen Conings' mogelijk maakten.

Vele vragen zijn al beantwoord, doch de kwestie van hoe breed het extremisme nu eigenlijk verspreid is bij defensie en hoe diep ze geworteld is in haar structuren, ligt nog steeds op tafel. Gaat het inderdaad 'slechts' over dat dozijn militairen die recent hun veiligheidsmachtiging zijn kwijtgeraakt? Of zijn het er meer? En hoeveel meer dan? Waar in de legerhiërarchie bevinden ze zich en met wat soort dubieuze activiteiten houden ze zich bezig?

Deze vragen dienen een bekommernis te zijn van de ganse Belgische veiligheidsgemeenschap, niet alleen omwille van het vermogen van militairen om ernstige ravage aan te richten, maar ook omdat hun lidmaatschap door extremistische organisaties erg op prijs gesteld wordt. Ze verlenen immers legitimiteit aan de militante doelen van dit soort groepen, waardoor zij beter in staat zijn hun agenda door te drukken en rekruten aan te trekken. Toegang tot militairen met gevechtstraining en technische wapenexpertise kan daarnaast ook de kans op succes en de slagkracht van geplande gewelddadige acties vergroten.

De rotte appels en hun mand

Het leger heeft op het vlak van extremisme zijn antecedenten niet mee. In de jaren negentig haalde de kwestie van de 'bruine pest' in de strijdkrachten - ofwel racisten en fascisten - de voorpagina's. Er was de affaire Bloed, Bodem, Eer en Trouw een tiental jaren geleden. Verder zijn er het voorbije decennium niet weinig militairen op de vingers getikt omwille van hun sympathieën voor of lidmaatschap van motobendes of organisaties die een extremistisch of racistisch gedachtengoed voorstaan.

Deze vaststellingen roepen de vraag op of het louter incidenten betreft - de spreekwoordelijke rotte appels die moeten worden verwijderd - of dat er meer aan de hand is. Om bij de metafoor te blijven: draagt de mand waarin de appels worden bewaard er wellicht aan bij dat de appels gaan rotten? Zijn er met name geen structurele en culturele kenmerken bij defensie die ten grondslag kunnen liggen aan een klimaat waarin incidenten van extremistische aard kunnen plaatsvinden?

Het zelfbeeld van het leger

Zo zou de vraag moeten worden gesteld of het gehuldigde zelfbeeld van het leger nog realistisch is; met andere woorden of het past bij hoe de organisatie nu is en bij het beeld dat ze wil uitdragen? Met name: een organisatie die streeft naar hogere morele standaarden dan gangbaar in de rest van de samenleving; iets wat terug te voeren is op het geweldsmonopolie en het gevoel onder een vergrootglas te liggen, maar wat ook verankerd in traditie en cultuur. Mede daardoor ziet defensie zichzelf als anders en deels losstaand van de burgersamenleving, wat zich uit in wij-zij-denken. Dit leidt tot een sterke lotsverbondenheid en loyaliteit, maar ook tot geslotenheid en uitsluiting, een ons-kent-ons-mentaliteit en een zwijgcultuur. Daarnaast wordt het zelfbeeld gekenmerkt door waarden en normen die passen bij het krijger-ethos, zoals heldhaftigheid, niet-zeuren/'can do'-mentaliteit en broederschap, maar ook door machogedrag en militaire weerbaarheid als excuus voor misstanden en een hogere tolerantie voor extremisme.

Om het 'cru' te stellen: is dit zelfbeeld gestoeld op de werkelijkheid of wordt het vervormd door conservatisme, folklore en de romantiek van de strijder? Passen dit beeld van de krijger en de strikte commandostructuur die traditioneel gezien worden als essentieel voor oorlogvoering en omgaan met crisissituaties daarenboven nog wel bij de krijgsmacht van vandaag; een krijgsmacht die moet functioneren in veel meer hybride en complexe omstandigheden en die ingebed dient te zijn in een diverse samenleving?

De leemlagen van defensie

De strakke en formele commandoketen bij defensie vormt eveneens een barrière voor een adequate aanpak van afwijkend gedrag. Als personeel op de werkvloer problemen signaleert van mistanden, wordt die informatie bij het doorgeven door de 'leemlagen' van de militaire hiërarchie langzaam maar zeker 'vergroend', waardoor de lichten bij de top vrijwel nooit op 'rood' springen. Op ieder niveau worden rapporten rooskleuriger herschreven en negatieve zaken gefilterd. De 'werkvloer' voelt zich bovendien zelden 'veilig' genoeg om problemen aan te kaarten bij hun leidinggevenden. Het wordt al snel gezien als klagen, iets dat bovendien slecht kan zijn voor de eigen loopbaan, waardoor de autocensuur van de defensiebureaucratie nog versterkt wordt.

Verder ontbreekt het leidinggevenden regelmatig aan 'doorzettingsmacht' om het gesignaleerde probleem op te lossen. Bij het leger moet een signaal soms doorheen een ganse reeks rubberlagen van tussenliggende chefs voordat iemand een besluit kan nemen. Signalen die wél de defensietop bereiken, komen niet altijd terecht bij het juiste departement en de verantwoordelijke bewindspersoon. Soms doordat de hogere commandant ze door een gebrek aan kennis niet op waarde weet te schatten of onvoldoende moed toont om de kwestie aan te pakken. Soms ook doordat de top op goede gronden een andere afweging maakt dan de professionals op de werkvloer. Komen de signalen uiteindelijk toch bij de minister terecht, dan worden ze niet altijd gedeeld met het parlement, omdat de bewindspersoon erdoor in problemen kan komen.

De incidentenreflex

Als er grote problemen optreden in de werking van een overheidsdienst, gaat daar vaak (en terecht) veel aandacht naar uit, zeker als er veel burgers hard worden geraakt. Omdat de politiek en de maatschappij vinden dat zoiets nooit meer mag gebeuren, stelt het parlement heel snel na zo'n gebeurtenis veelal strengere en vaak nóg complexere maatregelen voor en volgt vanuit het departement strenge controle daarop. Slechts sporadisch vindt er echter een grondige analyse naar de onderliggende oorzaken plaats. Dit is de incidentregelreflex. Deze geldt ook voor defensie; gezien haar geweldmonopolie bovendien nog in sterkere mate. De focus op incidenten bij de politiek en in de media leidt niet zelden tot een nog sterkere defensieve houding bij het leger, waardoor het nog huiveriger wordt dan het al van nature is om mogelijke problemen tijdig aan te kaarten.

De verantwoordelijkheid van militaire chefs

Militaire commandanten zijn de eerstverantwoordelijken voor zowel de bewustwording als de handhaving van het beleid. Bij het leger staat immers het gedrag dat de chef vertoont, de zogeheten 'tone at the top', steeds centraal. Dit geldt ook voor het beleid inzake extremisme. Het invoeren van een ganse reeks verbetermaatregelen door de defensieminster doet hieraan geen afbreuk. De verantwoordelijkheid van de commandanten moet daarom nadrukkelijker in beeld worden gebracht, zowel door het uitdragen van het beleid binnen hun defensieonderdeel of eenheid als in de verantwoording daarover aan de ambtelijke en politieke leiding. Deze accountability van de militaire hiërarchie is vandaag bijna volkomen afwezig. Ze is nochtans een onontbeerlijke voorwaarde om analoge affaires als de zaak 'Conings' te voorkomen en om, meer in het algemeen, extremisme bij defensie tegen te houden en te bestrijden.

Met de vondst van het lichaam van Jürgen Conings is een einde gekomen aan de bizarre historie die ons land wekenlang in de ban hield. Het intern onderzoek heeft ondertussen reeds uitgewezen wat er allemaal verkeerd gelopen is bij defensie. Minister Dedonder heeft de tekortkomingen uitgebreid toegelicht in parlement en media en heeft al heel snel een ganse resem van bijsturingen aangekondigd.Vele vragen zijn al beantwoord, doch de kwestie van hoe breed het extremisme nu eigenlijk verspreid is bij defensie en hoe diep ze geworteld is in haar structuren, ligt nog steeds op tafel. Gaat het inderdaad 'slechts' over dat dozijn militairen die recent hun veiligheidsmachtiging zijn kwijtgeraakt? Of zijn het er meer? En hoeveel meer dan? Waar in de legerhiërarchie bevinden ze zich en met wat soort dubieuze activiteiten houden ze zich bezig? Deze vragen dienen een bekommernis te zijn van de ganse Belgische veiligheidsgemeenschap, niet alleen omwille van het vermogen van militairen om ernstige ravage aan te richten, maar ook omdat hun lidmaatschap door extremistische organisaties erg op prijs gesteld wordt. Ze verlenen immers legitimiteit aan de militante doelen van dit soort groepen, waardoor zij beter in staat zijn hun agenda door te drukken en rekruten aan te trekken. Toegang tot militairen met gevechtstraining en technische wapenexpertise kan daarnaast ook de kans op succes en de slagkracht van geplande gewelddadige acties vergroten.Het leger heeft op het vlak van extremisme zijn antecedenten niet mee. In de jaren negentig haalde de kwestie van de 'bruine pest' in de strijdkrachten - ofwel racisten en fascisten - de voorpagina's. Er was de affaire Bloed, Bodem, Eer en Trouw een tiental jaren geleden. Verder zijn er het voorbije decennium niet weinig militairen op de vingers getikt omwille van hun sympathieën voor of lidmaatschap van motobendes of organisaties die een extremistisch of racistisch gedachtengoed voorstaan. Deze vaststellingen roepen de vraag op of het louter incidenten betreft - de spreekwoordelijke rotte appels die moeten worden verwijderd - of dat er meer aan de hand is. Om bij de metafoor te blijven: draagt de mand waarin de appels worden bewaard er wellicht aan bij dat de appels gaan rotten? Zijn er met name geen structurele en culturele kenmerken bij defensie die ten grondslag kunnen liggen aan een klimaat waarin incidenten van extremistische aard kunnen plaatsvinden?Zo zou de vraag moeten worden gesteld of het gehuldigde zelfbeeld van het leger nog realistisch is; met andere woorden of het past bij hoe de organisatie nu is en bij het beeld dat ze wil uitdragen? Met name: een organisatie die streeft naar hogere morele standaarden dan gangbaar in de rest van de samenleving; iets wat terug te voeren is op het geweldsmonopolie en het gevoel onder een vergrootglas te liggen, maar wat ook verankerd in traditie en cultuur. Mede daardoor ziet defensie zichzelf als anders en deels losstaand van de burgersamenleving, wat zich uit in wij-zij-denken. Dit leidt tot een sterke lotsverbondenheid en loyaliteit, maar ook tot geslotenheid en uitsluiting, een ons-kent-ons-mentaliteit en een zwijgcultuur. Daarnaast wordt het zelfbeeld gekenmerkt door waarden en normen die passen bij het krijger-ethos, zoals heldhaftigheid, niet-zeuren/'can do'-mentaliteit en broederschap, maar ook door machogedrag en militaire weerbaarheid als excuus voor misstanden en een hogere tolerantie voor extremisme.Om het 'cru' te stellen: is dit zelfbeeld gestoeld op de werkelijkheid of wordt het vervormd door conservatisme, folklore en de romantiek van de strijder? Passen dit beeld van de krijger en de strikte commandostructuur die traditioneel gezien worden als essentieel voor oorlogvoering en omgaan met crisissituaties daarenboven nog wel bij de krijgsmacht van vandaag; een krijgsmacht die moet functioneren in veel meer hybride en complexe omstandigheden en die ingebed dient te zijn in een diverse samenleving?De strakke en formele commandoketen bij defensie vormt eveneens een barrière voor een adequate aanpak van afwijkend gedrag. Als personeel op de werkvloer problemen signaleert van mistanden, wordt die informatie bij het doorgeven door de 'leemlagen' van de militaire hiërarchie langzaam maar zeker 'vergroend', waardoor de lichten bij de top vrijwel nooit op 'rood' springen. Op ieder niveau worden rapporten rooskleuriger herschreven en negatieve zaken gefilterd. De 'werkvloer' voelt zich bovendien zelden 'veilig' genoeg om problemen aan te kaarten bij hun leidinggevenden. Het wordt al snel gezien als klagen, iets dat bovendien slecht kan zijn voor de eigen loopbaan, waardoor de autocensuur van de defensiebureaucratie nog versterkt wordt.Verder ontbreekt het leidinggevenden regelmatig aan 'doorzettingsmacht' om het gesignaleerde probleem op te lossen. Bij het leger moet een signaal soms doorheen een ganse reeks rubberlagen van tussenliggende chefs voordat iemand een besluit kan nemen. Signalen die wél de defensietop bereiken, komen niet altijd terecht bij het juiste departement en de verantwoordelijke bewindspersoon. Soms doordat de hogere commandant ze door een gebrek aan kennis niet op waarde weet te schatten of onvoldoende moed toont om de kwestie aan te pakken. Soms ook doordat de top op goede gronden een andere afweging maakt dan de professionals op de werkvloer. Komen de signalen uiteindelijk toch bij de minister terecht, dan worden ze niet altijd gedeeld met het parlement, omdat de bewindspersoon erdoor in problemen kan komen.Als er grote problemen optreden in de werking van een overheidsdienst, gaat daar vaak (en terecht) veel aandacht naar uit, zeker als er veel burgers hard worden geraakt. Omdat de politiek en de maatschappij vinden dat zoiets nooit meer mag gebeuren, stelt het parlement heel snel na zo'n gebeurtenis veelal strengere en vaak nóg complexere maatregelen voor en volgt vanuit het departement strenge controle daarop. Slechts sporadisch vindt er echter een grondige analyse naar de onderliggende oorzaken plaats. Dit is de incidentregelreflex. Deze geldt ook voor defensie; gezien haar geweldmonopolie bovendien nog in sterkere mate. De focus op incidenten bij de politiek en in de media leidt niet zelden tot een nog sterkere defensieve houding bij het leger, waardoor het nog huiveriger wordt dan het al van nature is om mogelijke problemen tijdig aan te kaarten. Militaire commandanten zijn de eerstverantwoordelijken voor zowel de bewustwording als de handhaving van het beleid. Bij het leger staat immers het gedrag dat de chef vertoont, de zogeheten 'tone at the top', steeds centraal. Dit geldt ook voor het beleid inzake extremisme. Het invoeren van een ganse reeks verbetermaatregelen door de defensieminster doet hieraan geen afbreuk. De verantwoordelijkheid van de commandanten moet daarom nadrukkelijker in beeld worden gebracht, zowel door het uitdragen van het beleid binnen hun defensieonderdeel of eenheid als in de verantwoording daarover aan de ambtelijke en politieke leiding. Deze accountability van de militaire hiërarchie is vandaag bijna volkomen afwezig. Ze is nochtans een onontbeerlijke voorwaarde om analoge affaires als de zaak 'Conings' te voorkomen en om, meer in het algemeen, extremisme bij defensie tegen te houden en te bestrijden.