Elke week vraagt Knack aan ondernemende mensen hoe ze lijf en psyche in balans houden.
...

Meteen nadat ze haar fiets in de stalling voor het S.M.A.K. heeft geplaatst en we aan onze wandeling door het Gentse Citadelpark zijn begonnen, vertelt Gita Deneckere dat ze snakt naar rust. Zo te horen heeft de historica, die sinds 2018 ook decaan is van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte aan de Universiteit van Gent, er vermoeiende weken op zitten. 'Ik heb behoefte aan evasie', zegt ze. 'Mijn man en ik hebben nog geen bestemming gekozen, maar we gaan in ieder geval even weg. Dat hoeft niet ver te zijn, gewoon een weekje weg van huis. En met een paar vriendinnen ga ik deze zomer sowieso ook enkele dagen naar Spa.' U hebt zelfs een Spa-club opgericht, las ik. GITA DENECKERE: Samen met mijn goede vriendin Sigrid Spruyt, inderdaad. De club bestaat ondertussen vier jaar en wordt elk jaar groter. Dan gaan we een paar dagen baden en babbelen in de thermen, en daarna wandelen, lekker eten en een glaasje wijn drinken. Ik heb die kracht van warme baden leren kennen in Boedapest, waar ik rond de eeuwwisseling voor het eerst was voor een congres. In het prachtige Gellértbadhuis tussen vrouwen uit heel verschillende sociale klassen in het water dobberen, zoals nijlpaarden, heeft toen een grote indruk op mij gemaakt. Het hielp ook om na de borstkanker die ik op mijn drieëndertigste gehad heb, in het reine te komen met mijn lichaam en mijn litteken. De Spa-club is women only. Waarom? DENECKERE: Met mannen erbij krijg je toch een andere sfeer, vind ik, een andere dynamiek. Onder vrouwen praat je gemakkelijker over jezelf en je intiemere gevoelens, zeker in een groep. Met mijn man of met een goede vriend kan ik dat vanzelfsprekend ook, maar in een groep niet. Dan behoud ik altijd een zekere reserve. Welke invloed heeft de nabijheid van water op jullie gesprekken? DENECKERE: Het schept een sfeer van rust en openheid, een gevoel van vertrouwen. Water zorgt voor vloeibaarheid, in lichaam én geest. Ik ben niet echt sportief, maar ik zwem heel graag. Baantjes trekken in het zwembad brengt me in een soort trance die erg ontspannend, bijna therapeutisch werkt. In het water kan ik alles wat me bezwaart loslaten. Zoals in dat gedicht van Paul Snoek: 'En zwemmen is de eenzaamheid betasten met vingers, is met armen en benen aloude geheimen vertellen aan het altijd allesbegrijpende water.' Hebt u op dit moment veel zorgen? DENECKERE: Toch wel. Corona heeft de hele werking van onze universiteit overhoopgehaald en op die manier ook een stresserende impact op mij persoonlijk gehad. Tegelijk was ik erg begaan met de zorg voor mijn ouders. Ze zijn voorbij de tachtig nu en je merkt dat de tand des tijds geruisloos zijn werk doet, dat hij lichaam en geest aantast. Gelukkig wonen ze vlakbij. Ik probeer hen zo veel mogelijk te helpen, ook al vinden ze het moeilijk om die hulp te aanvaarden, zeker mijn mama. Maar het is zo belangrijk om liefde én tijd te schenken aan je dierbaren. Zolang ze hun tweede vaccin niet gekregen hadden, heb ik hen niet durven te knuffelen, wat hun isolement in tijden van corona extra lastig maakte. Maar er gewoon zijn, fysiek, samen naar de winkel of de kapper gaan en lachen, betekende veel. Zowel voor hen als voor mij. Ik leer de ouderdom en de aftakeling die ermee gepaard gaat te aanvaarden, en probeer met liefde en humor het gevoel van verlies te milderen. Doet het u ook nadenken over uw vakgebied, de geschiedenis? Wat zijn herinneringen waard als ze in een vingerknip verdwenen kunnen zijn? DENECKERE: Juist heel veel, denk ik. De fragiliteit van onze herinneringen is inderdaad enorm. Mijn grootvader had een ijzersterk geheugen, maar werd op het einde van zijn leven getroffen door alzheimer. Hij las zijn klassiekers op hoge leeftijd opnieuw - Shakespeare, Musil, Proust - om wakker en alert te blijven, als gymnastiek voor de geest. Het toont voor mij aan dat mensen hun wereld creëren door het vertellen van verhalen en het schrijven van geschiedenis, klein of groot. Daarom is het vastleggen van je familiegeschiedenis ook zo belangrijk voor je persoonlijke identiteit. Sinds het begin van mijn carrière geef ik in de eerste bachelor een oefening familiegeschiedenis, en voor veel studenten is dat een echte eyeopener. Op breder maatschappelijk vlak ben ik ervan overtuigd dat een goede kennis van de geschiedenis essentieel is. Of het nu in een boek is, een doctoraat, een podcast, een tentoonstelling, een film of een televisieserie: door als historica verhalen vast te leggen of verder te vertellen, geef je mee vorm aan de wereld van vandaag en morgen. En dan bedoel ik niet het vastpinnen van de geschiedenis in een of andere canon, maar het voortdurende toetsen en kritisch bevragen van het verleden met de kennis en inzichten van vandaag. De mens heeft simpelweg verhalen en geschiedenis nodig om zijn plaats te vinden in het heden. (wijst plotseling naar een woning met een opvallend beeld van een vleermuis op de art-nouveaugevel) Kijk, dat is ons huis. De vleermuis is een kunstwerk van Johan Grimonprez, dat hij maakte bij de opening van het S.M.A.K. in 1999. Er passeert hier duidelijk veel verkeer. Slaapt u goed? DENECKERE: (lacht) Nee. Ik lijd regelmatig aan slapeloosheid. Maar dat komt door mijn zorgen, niet door het lawaai: aan de achterkant van ons huis is het heel stil. Ik slaap tot een uur of twee, drie en vervolgens lig ik wakker tot vijf uur. Te piekeren. Gelukkig duren die periodes van insomnia meestal niet lang. Nu het vakantie is, zou ik normaal gezien weer snel beter moeten slapen. Al was ik tijdens de eerste lockdown vorig jaar ook heel gelukkig dat het lawaai om ons heen even wegviel. Ineens was het stil, en dat was zalig. Ziet u zichzelf ooit verhuizen naar een huis buiten de stad? DENECKERE: Nee. Ik ben opgegroeid in de stad en wil hier blijven tot ik mijn laatste adem uitblaas, zo vlak bij het park en de musea. Stadslucht maakt vrij, zeggen ze, en voor mij is dat zo. Het is duidelijk dat een stad qua creativiteit en energie enorm verschilt van een kleine gemeente ergens in de Vlaanders. De rust en stilte van een buitengemeente zijn aantrekkelijk voor een korte vakantie, maar ik zou er niet kunnen leven. Ik heb alles graag op wandel- en fietsafstand: de filmzaal, het theater, het museum, de boekhandel, het zwembad. U zei daarnet dat de mens de geschiedenis nodig heeft om zijn plaats te vinden in het heden. U ook? DENECKERE: Toch wel. Tijdens de afgelopen vijftien maanden heb ik bijvoorbeeld al vrij vroeg beseft dat we een historische periode aan het meemaken waren, die een grote impact zou hebben op de tijd die komt. Door mijn kennis van het verleden weet ik dat er in crisissituaties snelle evoluties kunnen plaatsvinden en daardoor kan ik de realiteit zoals ze zich voordoet ook beter plaatsen. Ik zie behalve veel ellende ook kansen, op het vlak van duurzaamheid en ecologie onder meer, het ont-groeien en vertragen. Maar mijn professionele leven speelde zich meer dan een jaar bijna exclusief achter de computer af. Alle vergaderingen werden online gehouden, vrijwel alle lessen waren op afstand, we rekruteerden nieuwe professoren via online interviews: op den duur had ik het idee zelf helemaal gedigitaliseerd te zijn. Vaak had ik 's avonds het gevoel dat ik niet meer kon ademen, alsof mijn keel dichtgesnoerd was na al die uren voor het scherm. Elke zondag schreef ik wel een brief aan mijn collega's, veertig weken lang. Een kroniek van de faculteit in quarantaine, verweven met bespiegelingen en anekdotes uit mijn eigen leven. We gaan ze binnenkort bundelen. (zwijgt even) Gelukkig is er nu weer meer ruimte voor ontmoeting. Corona heeft duidelijk gemaakt hoe essentieel de informele contacten aan de koffiemachine, op recepties, in de wandelgangen, aan de lunchtafel in de personeelsruimte wel zijn. En ik die dacht dat historici een hekel hebben aan smalltalk. DENECKERE: (lacht) Ik weet het, je hebt gelijk. Maar digitaal staat alles te veel in het teken van efficiëntie, wat mij betreft, en onvermijdelijk was er in de coronaperiode op vele echelons van de samenleving een tendens naar autoritaire besluitvorming. Dat ligt me niet, ik moet het hebben van overleg en participatie. En ik wil af en toe ook eens iets kunnen zeggen dat nergens op slaat. (lacht) Ik vind het enigszins bedreigend dat die digitalisering binnen de universiteit als iets positiefs wordt gezien. Akkoord, voor veel zaken is het efficiënt en gemakkelijk. Maar het belang van menselijk contact is evengoed gebleken, met name voor de studenten. Studeren is niet alleen een kwestie van efficiënt credits en een diploma behalen, maar ook van jezelf als mens en kritische burger ontwikkelen. Dat bildungsideaal, dat sowieso minder leeft dan vroeger, is digitaal en geïndividualiseerd niet te realiseren. Wat voor student was u zelf eigenlijk? DENECKERE: Ik was vrij timide. Niet echt geëngageerd, ook niet in het studentenleven. Ik was zeker geen barricadespringer, maar ik bestudeerde wel rebellen in de geschiedenis. Zoals ik zelf geen muziek speelde, maar het wel fijn vond om close te zijn met een muzikant. 'Met een boekje in een hoekje', dat ben ik echt. Mijn vader en moeder stonden allebei in het onderwijs en dus hadden we thuis goedgevulde boekenkasten. Ik was als kind echt heel verlegen, ik voelde me het best als ik onzichtbaar kon blijven en in de boeken kon duiken, waar andere werelden opengingen. Welk boek heeft uw geest voor het eerst in vuur en vlam gezet? DENECKERE: Spontaan komt nu Narziss en Goldmund van Herman Hesse in me op. Ik was zestien, ik volgde Moderne Talen en voor Duits las ik onder meer dat boek. Ik weet niet meer precies waarom, maar het heeft me toen bijzonder aangegrepen. Omdat het appelleerde aan een melancholie die ook in u zit? DENECKERE: Misschien wel, ja. Die melancholie zit zeker in mij, dat klopt. En hoe uit die zich? DENECKERE: Die heeft zich onder meer geuit in een depressie, toen ik aan het doctoreren was. Ik was 28 en opeens ging het niet meer. Ik kon niet meer schrijven, alles was weg, ik was de greep op mijn leven kwijt. Ik wilde niet op antidepressiva leven en ben in psychoanalyse gegaan om uit het moeras te raken. Dat heeft me destijds enorm geholpen. Was er een concrete aanleiding voor uw depressie? DENECKERE: Allicht was ik me op dat moment al te monomaan aan het focussen op één ding, namelijk het schrijven van dat doctoraat. Maar ook de context van de universiteit, de competitie, mijn plankenkoorts en de onzekerheid over mijn mogelijkheden na het doctoraat speelden mee. Mijn doctoraat nam ook redelijk waanzinnige proporties aan: ik heb uiteindelijk meer dan 900 pagina's geschreven over collectieve actie in de negentiende en twintigste eeuw. En in de psychoanalyse kwam naar boven dat ik onbewust een kinderwens had. Ha ja, tuurlijk, had ik ineens door: ik wil gewoon een kleine. (lacht) Heeft het moederschap u gered? DENECKERE: Dat is misschien veel gezegd, maar door het moederschap was mijn monomane focus op het academische, op de intellectuele arbeid en presteren wel verdwenen. Het voelde bevrijdend aan om tegelijk een boek te schrijven én een kind groot te brengen. Omdat het evenwicht tussen lichaam en geest weer was hersteld? DENECKERE: Inderdaad. Mijn lichamelijke verlangen om een kind te dragen was te groot om te negeren. Ik ben toen ook gestopt met roken, van de ene dag op de andere, net omdat ik besefte dat ik meer zorg moest gaan dragen voor mijn lichaam. Ik was ook heel graag zwanger. De veranderingen die mijn lichaam onderging, vond ik allemaal fantastisch, van a tot z. Zwanger zijn: heerlijk! Een kind baren: heerlijk! Borstvoeding geven: heerlijk! (lacht) Dat klinkt natuurlijk weer als het klassieke verhaal van een vrouw die haar bestemming vindt in het moederschap, maar je mag niet vergeten dat ik het moederschap gecombineerd heb met mijn job als prof. Dat was bij momenten een worsteling, en ik zie dat dit bij veel vrouwelijke collega's met jonge of puberende kinderen nog steeds zo is. Als maatschappij richten we het nog altijd niet optimaal in voor buitenshuis werkende vrouwen, of het nu gaat om concrete zaken zoals kinderopvang na schooltijd of de verwachtingen die we de hele tijd op elkaar projecteren wat betreft genderrollen. Er is al veel veranderd, gelukkig, maar er is nog zo veel werk te doen. De ruimte om onszelf als vrouw te kunnen ontplooien moet elke keer opnieuw bevochten worden. Mijn feminisme wordt niet voor niets met de dag sterker. Denkt u, tot slot, vaak na over de zin van het leven? DENECKERE: Vroeger meer dan nu. Toen ik op jonge leeftijd borstkanker kreeg, kwam de dood heel dichtbij. Maar daardoor werd mijn zin in het leven ook des te sterker. Sindsdien stel ik me die grote, filosofische levensvragen eigenlijk niet meer. Ik laat me leiden door vrij primitieve krachten: mijn geestdrift en mijn levenslust.