Deze week bericht Het Nieuwsblad over de studieduur in het hoger onderwijs. Het blijkt namelijk dat vandaag slechts de helft van de studenten erin slagen een bachelordiploma te halen binnen de vijf jaar. 10 jaar geleden haalde nog 60% van de studenten hun bachelordiploma binnen de ze periode. De situatie is zelfs nog erger wanneer men kijkt naar studenten die een bachelordiploma behalen binnen de drie jaar (de eigenlijke periode die in theorie nodig is): slechts 26% van de studenten aan de Universiteit Antwerpen slaagt hierin (tegenover 38% in 2004)! Deze negatieve tendens wijst nog maar eens op problemen binnen ons onderwijs. Het aantal alarmsignalen is stilaan niet meer op twee handen te tellen...

Het wordt tijd dat de overheid de expertise van leerkrachten naar waarde schat.

Veel problemen die ons onderwijs vandaag teisteren zijn terug te voeren op foute beleidskeuzes (al dan niet uit het verleden).

Op vlak van de beleidskeuzes dragen de onderwijsministers en de partijen die de bevoegde regeringen vorm(d)en een verpletterende verantwoordelijkheid. De ontegensprekelijke kwaliteitsdaling van ons onderwijs is immers een rechtstreeks gevolg van hun daden. Om de verschillen tussen zwakke(re) en sterke(re) leerlingen weg te werken (wat op zich een nobel basisprincipe is), is er vanuit het beleid overdreven veel aandacht gegaan naar de zwakke(re) leerlingen, waarbij onze sterke(re) leerlingen in de kou bleven en blijven staan. Professor Wouter Duyck stelt onomwonden dat 'niet de 'slechte' worden opgetild, maar de 'betere' leerlingen worden afgetopt'. Het is een nivellering naar beneden, wat nefast is voor ons onderwijs' . Econoom Geert Noels vraagt zich hierbij zelfs af of 'de nivellering naar beneden een bewuste beleidskeuze [is].

Het antwoord op zijn vraag is volgens mij helaas volmondig 'ja'. Onlangs sprak ik met een lerares uit het secundair onderwijs die vlakaf zei: 'Je weet hoe het gaat: leerlingen die gebuisd zijn moeten we toch delibereren zelfs als ze eigenlijk niet verdienen om af te studeren want anders worden we door de overheid op de vingers getikt omdat we te veel B- of C-attesten geven.'

Waarom beknibbelt de overheid eigenlijk op kwaliteitseisen in het onderwijs en hypothekeert zij op deze wijze deels de toekomst van onze kinderen?

Stel je voor dat bij de autokeuring wagens die ongeschikt zijn om veilig te rijden toch een groene kaart zouden krijgen omdat anders de overheid het keuringsstation op de vingers zou tikken. Niemand zou dit aanvaarden. Waarom aanvaarden wij dan dat de overheid moedwillig de lat in ons onderwijs verlaagt met haar houding? Waarom beknibbelt de overheid eigenlijk op kwaliteitseisen in het onderwijs en hypothekeert zij op deze wijze deels de toekomst van onze kinderen? Is hier sprake van kwade wil, onwetendheid of incompetentie?

Niet enkel de politiek, maar ook de onderwijskoepels zijn als mede-beleidsvoerders verantwoordelijk voor de neerwaartse spiraal. Toplui van onderwijskoepels lijken steeds meer uit te blinken in wereldvreemdheid. Recentelijk nog volgden verscheidene voorstellen die de wenkbrauwen doen fronsen elkaar in sneltempo op. Nu eens stelde men voor om een uur Nederlands te schrappen en te vervangen door een vak 'Burgerschap', dan weer moest het vak Frans een lesuur afstaan ten voordele van Engels en tot slot moest het vak Aardrijkskunde onderdeel worden van een of ander mengvak. Het vak Aardrijkskunde is nochtans broodnodig: uit een enquete van Eos bleek ooit dat een derde van de jongeren niet weet dat de aarde rond de zon draait. Eigenlijk zouden we moeten lachen met dergelijke voorstellen mochten ze geen grote hypotheek betekenen op de toekomst van onze kinderen. Het wordt duidelijk hoog tijd dat de beleidvoerders, zowel uit de politiek als uit de onderwijskoepels, het werkveld en dan vooral de expertise van onze leerkrachten naar waarde schatten en hun ideeën aftoetsen vooraleer deze eenzijdig op te leggen.

Daarnaast leeft bij veel mensen in het onderwijs het idee dat er sinds de jaren 90 een visie ingang heeft gevonden in het onderwijs waarbij leren vooral leuk, speels en aangenaam moet zijn. Dat heeft de kwaliteit van het onderwijs volgens veel leerkrachten een enorme klap toegebracht.

Deze visie met meer aandacht voor de uiterlijke vorm (een mooie powerpoint, ludieke spelletjes, ...) dan voor de eigenlijke inhoud van de les, heeft via de lerarenopleiding het ganse onderwijslandschap besmet. Een les mag natuurlijk leuk zijn, maar 'het leuk zijn' mag nooit een doel op zich zijn. De huidige tirannie van de aangenaamheid zal onze kinderen nog zuur opbreken: enerzijds zullen zij geen leerkrachten meer vinden (wie wil er nog als educatieve clown fungeren?) en anderzijds zullen zij raar opkijken op de arbeidsmarkt wanneer hun job plots niet elke seconde leuk en aangenaam blijkt te zijn.

Een bocht van 180 graden

Het is duidelijk dat een grondige, zelfs radicale wijziging in het onderwijsbeleid zich opdringt. We moeten dringend werk durven maken van de invoering van een echte kwaliteitscultuur.

Laat een school terug de plaats zijn waar inhoudelijk gewerkt wordt aan het overbrengen van kennis en vaardigheden in plaats van een oord van amusement.

Waarom organiseren we bijvoorbeeld geen centrale examens, zoals professor Duyck ook voorstelt? Ik zou deze zelf het liefst integreren in de examencyclus aan het eind van iedere graad: 'Tijdens de eerste twee weken [van juni] zijn er de schoolexamens, tijdens de laatste twee weken de staatsexamens volgens eenzelfde rooster in gans Vlaanderen. Op deze manier worden leerlingen tweemaal getest [per vak] om een genuanceerder beeld te krijgen van hun studierendement', zo stel ik voor in mijn boek Scholen laten schitteren. De berekening van het resultaat voor ieder vak is dan als volgt: elk examen telt voor de helft van de punten mee en een leerling moet op beide onderdelen minstens 50% halen om te kunnen slagen voor het desbetreffende vak. Op deze manier behouden onze leerkrachten hun inspraak in het leerproces en kan de overheid tegelijkertijd ook op een objectieve manier het behalen van de eindtermen controleren.

Daarnaast zouden ook de studiebeurzen kunnen ingezet worden om de omslag naar een echte kwaliteitscultuur te bewerkstelligen. We zouden studiebeurzen namelijk ook kunnen koppelen aan de behaalde schoolresultaten. Leerlingen (maar ook studenten) zouden op deze manier een bijkomende stimulans krijgen om een serieuze inspanning te leveren tijdens hun schoolloopbaan. Aan de hand van de centrale examens zou dit op een in gans Vlaanderen gelijkaardig testniveau kunnen bepaald worden. Op deze manier zouden alle leerlingen gelijke kansen krijgen op basis van hun inzet.

Tot slot moeten we zeker ook komaf maken met het hedonisme waarin ons onderwijs soms lijkt te verdrinken. We moeten dringend af van de waanidee dat de school alleen een plaats is voor leuke, aangename en speelse zaken. Laat een school terug de plaats zijn waar inhoudelijk gewerkt wordt aan het overbrengen van kennis en vaardigheden in plaats van een oord van amusement. Zowel onze leerlingen die opnieuw leren wat een inspanning leveren is, als onze leerkrachten die niet langer als educatieve clowns moeten fungeren, zullen hiervan de vruchten plukken.

Stijn Van Hamme (1985) stapte na het behalen van zijn licentiaatsdiploma Romaanse Talen in het onderwijs. Hij gaf les in verschillende vakken aan leerlingen van de eerste, tweede en derde graad van het secundair onderwijs in verscheidene scholen in Vlaanderen, zowel in aso, tso als bso. Daarnaast was hij gedurende enige tijd lector in het hoger onderwijs. Sinds september 2015 werkt hij als praktijkassistent aan de UGent, waar hij Frans geeft in de opleiding Bestuurskunde en Publiek Management. Zijn boek 'Scholen laten schitteren' is uitgegeven bij Beefcake Publishing.

Deze week bericht Het Nieuwsblad over de studieduur in het hoger onderwijs. Het blijkt namelijk dat vandaag slechts de helft van de studenten erin slagen een bachelordiploma te halen binnen de vijf jaar. 10 jaar geleden haalde nog 60% van de studenten hun bachelordiploma binnen de ze periode. De situatie is zelfs nog erger wanneer men kijkt naar studenten die een bachelordiploma behalen binnen de drie jaar (de eigenlijke periode die in theorie nodig is): slechts 26% van de studenten aan de Universiteit Antwerpen slaagt hierin (tegenover 38% in 2004)! Deze negatieve tendens wijst nog maar eens op problemen binnen ons onderwijs. Het aantal alarmsignalen is stilaan niet meer op twee handen te tellen...Veel problemen die ons onderwijs vandaag teisteren zijn terug te voeren op foute beleidskeuzes (al dan niet uit het verleden).Op vlak van de beleidskeuzes dragen de onderwijsministers en de partijen die de bevoegde regeringen vorm(d)en een verpletterende verantwoordelijkheid. De ontegensprekelijke kwaliteitsdaling van ons onderwijs is immers een rechtstreeks gevolg van hun daden. Om de verschillen tussen zwakke(re) en sterke(re) leerlingen weg te werken (wat op zich een nobel basisprincipe is), is er vanuit het beleid overdreven veel aandacht gegaan naar de zwakke(re) leerlingen, waarbij onze sterke(re) leerlingen in de kou bleven en blijven staan. Professor Wouter Duyck stelt onomwonden dat 'niet de 'slechte' worden opgetild, maar de 'betere' leerlingen worden afgetopt'. Het is een nivellering naar beneden, wat nefast is voor ons onderwijs' . Econoom Geert Noels vraagt zich hierbij zelfs af of 'de nivellering naar beneden een bewuste beleidskeuze [is].Het antwoord op zijn vraag is volgens mij helaas volmondig 'ja'. Onlangs sprak ik met een lerares uit het secundair onderwijs die vlakaf zei: 'Je weet hoe het gaat: leerlingen die gebuisd zijn moeten we toch delibereren zelfs als ze eigenlijk niet verdienen om af te studeren want anders worden we door de overheid op de vingers getikt omdat we te veel B- of C-attesten geven.' Stel je voor dat bij de autokeuring wagens die ongeschikt zijn om veilig te rijden toch een groene kaart zouden krijgen omdat anders de overheid het keuringsstation op de vingers zou tikken. Niemand zou dit aanvaarden. Waarom aanvaarden wij dan dat de overheid moedwillig de lat in ons onderwijs verlaagt met haar houding? Waarom beknibbelt de overheid eigenlijk op kwaliteitseisen in het onderwijs en hypothekeert zij op deze wijze deels de toekomst van onze kinderen? Is hier sprake van kwade wil, onwetendheid of incompetentie? Niet enkel de politiek, maar ook de onderwijskoepels zijn als mede-beleidsvoerders verantwoordelijk voor de neerwaartse spiraal. Toplui van onderwijskoepels lijken steeds meer uit te blinken in wereldvreemdheid. Recentelijk nog volgden verscheidene voorstellen die de wenkbrauwen doen fronsen elkaar in sneltempo op. Nu eens stelde men voor om een uur Nederlands te schrappen en te vervangen door een vak 'Burgerschap', dan weer moest het vak Frans een lesuur afstaan ten voordele van Engels en tot slot moest het vak Aardrijkskunde onderdeel worden van een of ander mengvak. Het vak Aardrijkskunde is nochtans broodnodig: uit een enquete van Eos bleek ooit dat een derde van de jongeren niet weet dat de aarde rond de zon draait. Eigenlijk zouden we moeten lachen met dergelijke voorstellen mochten ze geen grote hypotheek betekenen op de toekomst van onze kinderen. Het wordt duidelijk hoog tijd dat de beleidvoerders, zowel uit de politiek als uit de onderwijskoepels, het werkveld en dan vooral de expertise van onze leerkrachten naar waarde schatten en hun ideeën aftoetsen vooraleer deze eenzijdig op te leggen.Daarnaast leeft bij veel mensen in het onderwijs het idee dat er sinds de jaren 90 een visie ingang heeft gevonden in het onderwijs waarbij leren vooral leuk, speels en aangenaam moet zijn. Dat heeft de kwaliteit van het onderwijs volgens veel leerkrachten een enorme klap toegebracht.Deze visie met meer aandacht voor de uiterlijke vorm (een mooie powerpoint, ludieke spelletjes, ...) dan voor de eigenlijke inhoud van de les, heeft via de lerarenopleiding het ganse onderwijslandschap besmet. Een les mag natuurlijk leuk zijn, maar 'het leuk zijn' mag nooit een doel op zich zijn. De huidige tirannie van de aangenaamheid zal onze kinderen nog zuur opbreken: enerzijds zullen zij geen leerkrachten meer vinden (wie wil er nog als educatieve clown fungeren?) en anderzijds zullen zij raar opkijken op de arbeidsmarkt wanneer hun job plots niet elke seconde leuk en aangenaam blijkt te zijn. Een bocht van 180 gradenHet is duidelijk dat een grondige, zelfs radicale wijziging in het onderwijsbeleid zich opdringt. We moeten dringend werk durven maken van de invoering van een echte kwaliteitscultuur. Waarom organiseren we bijvoorbeeld geen centrale examens, zoals professor Duyck ook voorstelt? Ik zou deze zelf het liefst integreren in de examencyclus aan het eind van iedere graad: 'Tijdens de eerste twee weken [van juni] zijn er de schoolexamens, tijdens de laatste twee weken de staatsexamens volgens eenzelfde rooster in gans Vlaanderen. Op deze manier worden leerlingen tweemaal getest [per vak] om een genuanceerder beeld te krijgen van hun studierendement', zo stel ik voor in mijn boek Scholen laten schitteren. De berekening van het resultaat voor ieder vak is dan als volgt: elk examen telt voor de helft van de punten mee en een leerling moet op beide onderdelen minstens 50% halen om te kunnen slagen voor het desbetreffende vak. Op deze manier behouden onze leerkrachten hun inspraak in het leerproces en kan de overheid tegelijkertijd ook op een objectieve manier het behalen van de eindtermen controleren. Daarnaast zouden ook de studiebeurzen kunnen ingezet worden om de omslag naar een echte kwaliteitscultuur te bewerkstelligen. We zouden studiebeurzen namelijk ook kunnen koppelen aan de behaalde schoolresultaten. Leerlingen (maar ook studenten) zouden op deze manier een bijkomende stimulans krijgen om een serieuze inspanning te leveren tijdens hun schoolloopbaan. Aan de hand van de centrale examens zou dit op een in gans Vlaanderen gelijkaardig testniveau kunnen bepaald worden. Op deze manier zouden alle leerlingen gelijke kansen krijgen op basis van hun inzet.Tot slot moeten we zeker ook komaf maken met het hedonisme waarin ons onderwijs soms lijkt te verdrinken. We moeten dringend af van de waanidee dat de school alleen een plaats is voor leuke, aangename en speelse zaken. Laat een school terug de plaats zijn waar inhoudelijk gewerkt wordt aan het overbrengen van kennis en vaardigheden in plaats van een oord van amusement. Zowel onze leerlingen die opnieuw leren wat een inspanning leveren is, als onze leerkrachten die niet langer als educatieve clowns moeten fungeren, zullen hiervan de vruchten plukken.Stijn Van Hamme (1985) stapte na het behalen van zijn licentiaatsdiploma Romaanse Talen in het onderwijs. Hij gaf les in verschillende vakken aan leerlingen van de eerste, tweede en derde graad van het secundair onderwijs in verscheidene scholen in Vlaanderen, zowel in aso, tso als bso. Daarnaast was hij gedurende enige tijd lector in het hoger onderwijs. Sinds september 2015 werkt hij als praktijkassistent aan de UGent, waar hij Frans geeft in de opleiding Bestuurskunde en Publiek Management. Zijn boek 'Scholen laten schitteren' is uitgegeven bij Beefcake Publishing.