De onderzoeksrechters waarschuwen terecht in de krant De Standaard dat zij de controle over het onderzoek verliezen als gevolg van een groot gebrek aan politiepersoneel. Dat is op zich reeds een ergerlijke toestand. Het gehele strafrechtsysteem is immers gebouwd op de vereiste van een daadwerkelijk toezicht door de rechter op wat de politie in het onderzoek doet.

Wat het nog erger maakt, is dat deze toestand niet het een gevolg is van een schuldige nalatigheid maar van een gewild beleid: indien het Grondwettelijk Hof niet was tussengekomen, was de rechter door de recente justitiehervorming grotendeels ontweken of gewoonweg uitgeschakeld.

De grondwet stelt dat de strafrechtelijke actie een bevoegdheid van de rechterlijke macht is. Dat werd bevestigd door de wet-Franchimont, die aan de onderzoeksrechter de opdracht gaf om alle maatregelen te nemen die de rechtscolleges in staat moeten stellen met kennis van zaken te oordelen.

Het verstoorde evenwicht tussen uitvoerende en rechterlijke macht is veel groter dan de burger denkt.

De voormalige rijkswacht-generaal-korpsoverste Willy De Ridder zag dat anders: hij wou de leiding van het onderzoek naar zich trekken en waarschuwde dat er radicale maatregelen zouden komen indien dat niet gebeurde.

Bovendien voerde hij die radicale maatregelen ook uit. Het parlementair onderzoek naar de zaak-Dutroux toonde er de 'disfuncties' van: de rijkswacht deed geheime observaties op het huis terwijl de kinderen er waren opgesloten, zonder de onderzoeksrechter er van in kennis te stellen.

Tot welke gevolgen de verzelfstandigde en afgeschermde rijkswachtoperaties hebben geleid, was niet enkel een juridische aangelegenheid. In het verslag van de parlementaire commissie is te lezen: 'Mochten de meisjes toen nog in leven zijn geweest, dan is het verdere verloop van de gebeurtenissen echt tragisch te noemen. De huissleutels worden immers pas op 6 januari 1996 teruggegeven aan de echtgenote van Dutroux, na herhaalde verzoeken van Dutroux en zijn advocaten (ook aan de hand van medische getuigschriften) aan de onderzoeksrechter, met de bede Michèle Martin in het huis te laten wonen. Als de kinderen in het huis aanwezig waren, betekent dit dat ze het één maand lang zonder verzorging en zonder voeding hebben moeten stellen.'

Dat de rijkswacht de kinderen één maand lang zonder voeding in het geobserveerde huis liet, staat niet met zoveel woorden in het verslag. Wél dat onderzoeksrechter Martine Doutrèwe het niet wist.

Dat niet de onderzoeksrechter maar de politie-overste de leiding kreeg van de geheime en verzelfstandigde politieoperatie maakte deel uit van de door de rijkswachtgeneraal in het vooruitzicht gestelde 'radicale maatregelen'. Daar zorgde de wet op het politieambt voor.

Deze door de rijkswacht en het toenmalig kabinet van Binnenlandse Zaken gemaakte wet was de uiting van de strijd binnen het toenmalig beleid om de macht over het onderzoek: justitieminister Melchior Wathelet wilde de bevestiging van de bevoegdheden van de onderzoeksrechter, de binnenlandministers Louis Tobback en Johan Vande Lanotte (SP.A) wilden meer macht voor de onder hun gezag geplaatste rijkswacht. Dat de strafrechtprocedure en de wet op het politieambt het gezag en de leiding op het gerechtelijk onderzoek in elkaar tegengestelde bepalingen splitste, weegt nog steeds als een erfelijke belasting op de gehele actie in strafzaken. Bewijs daarvan is dat de onderzoeksrechters nu waarschuwen dat zij de controle verliezen op het onderzoek waarvan zij gehouden zijn een daadwerkelijk toezicht te houden.

De hervorming van justitieminister Koen Geens (CD&V) ging nog veel verder dan de heren Tobback en Vande Lanotte hadden kunnen dromen: de ontwijking en de vervanging van de onderzoeksrechter werd de rode draad doorheen de gehele hervorming. Door de afkoopwet kon ieder onderzoek door een rechter, zowel door een onderzoeksrechter als door een strafrechter, worden gestopt door een minnelijke schikking over de afkoopprijs. Huiszoekingen moesten ook kunnen gebeuren zonder dat de onderzoeksrechter er verder toezicht moest op uitoefenen. Finaal moest de onderzoeksrechter worden afgeschaft en zijn opdracht worden overgedragen aan de procureur.

Dat deze hervormingen niet in overeenstemming waren met de grondwet en de vereisten van de supranationale regelgeving, was blijkbaar zowel voor de justitieminister en - voor zover het parlement het begreep - geen beletsel. Het Grondwettelijk Hof kon er echter niet naast kijken zodat het één en het ander werd afgekeurd en vernietigd.

De waarschuwing van de onderzoeksrechters dat zij de controle over het onderzoek verliezen is een erg gematigde uiting van een reeds lang aanslepende en heel wat grotere betwisting over wie de macht over het vooronderzoek in strafzaken heeft. Het is een betwisting die zelfs de grond van de democratische rechtsstaat raakt: wie heeft in dergelijk systeem de macht, de onafhankelijke rechter of de onder het gezag van de justitieminister opererende procureur en politie? Het is aan het parlement om deze vraag te beantwoorden. Dat heeft het parlement bij de stemming van de achtereenvolgende justitiehervormingen van Koen Geens ook gedaan. Dat de voornaamste daarvan door het Grondwettelijk Hof werden afgekeurd of vernietigd toont echter wat nog de waarde is van een parlementaire stemming.

Het door de onderzoeksrechters terecht aangeklaagde verstoorde evenwicht tussen de uitvoerende en de rechterlijke macht is daardoor heel wat groter dan wat de brave burger er van denkt. Gelukkig is er een Grondwettelijk Hof om het onevenwicht te herstellen telkens wanneer het politiek beleid het verstoort.