Van alle schouwburgen is de Antwerpse Bourla mij het dierbaarst. Ik zag er voor het eerst theater voor grote mensen, droomde er in die tijd weleens van om ooit zelf op dat majestueuze podium te staan, en voel mij er sindsdien thuis. Ik ga naar alle grote voorstellingen kijken die het Toneelhuis produceert. Uit gewoonte, intussen, en omdat ik de Bourla graag binnenwandel. Des te pijnlijker was de verbijsterende voorstelling die ik er in mei moest uitzitten. Het was een mokerslag van de verkeerde soort. Ik verbeeldde me tijdens de vijf kwartier durende beproeving hoe ik, net als aan het eind van de jaren zestig weleens in Nederlandse theaterzalen gebeurde, met het smijten van tomaten de acteurs van het podium zou krijgen. Helaas, ik ben geen held, ik ben een columnist.
...

Van alle schouwburgen is de Antwerpse Bourla mij het dierbaarst. Ik zag er voor het eerst theater voor grote mensen, droomde er in die tijd weleens van om ooit zelf op dat majestueuze podium te staan, en voel mij er sindsdien thuis. Ik ga naar alle grote voorstellingen kijken die het Toneelhuis produceert. Uit gewoonte, intussen, en omdat ik de Bourla graag binnenwandel. Des te pijnlijker was de verbijsterende voorstelling die ik er in mei moest uitzitten. Het was een mokerslag van de verkeerde soort. Ik verbeeldde me tijdens de vijf kwartier durende beproeving hoe ik, net als aan het eind van de jaren zestig weleens in Nederlandse theaterzalen gebeurde, met het smijten van tomaten de acteurs van het podium zou krijgen. Helaas, ik ben geen held, ik ben een columnist. Ik keek naar Grensgeval van Guy Cassiers. Een voorstelling die overigens uitstekende recensies kreeg, maar waar, zoals het applaus deed vermoeden, ook de rest van de zaal maar heel weinig aan vond. Cassiers voerde een tekst van Nobelprijswinnaar Elfriede Jelinek op over het lot van vluchtelingen. 'Een schilderachtige, haast zintuiglijke abstractie', noemde een enthousiaste recensent in De Volkskrant die woordenwolk, waarmee hij te kennen gaf dat ook hij niet alles had begrepen. Wat niet hielp, is dat Katelijne Damen, Abke Haring, Han Kerckhoffs en Lukas Smolders de tekst simpelweg opzegden - écht acteren is er bij Cassiers maar zelden bij. Naar emoties moest tussen de tekstflarden, waarvan slechts een deel aankwam bij het publiek, worden gezocht. Die afgemeten speelstijl stak wel heel elitair af tegen een rauw onderwerp als de vluchtelingencrisis. Helemaal gênant was de choreografie van Maud Le Pladec die studenten van het conservatorium ondertussen op het podium naspeelden. De scène met de dansers - ze beeldden een troep vluchtelingen uit - deed nog het meest denken aan schooltoneel, of in ieder geval aan een wel heel onbeholpen poging om de weg die zulke mensen moeten afleggen uit te beelden. Het leek alsof Guy Cassiers zich verplicht voelde om dit seizoen iets met vluchtelingen te doen. Het is futloos theater geworden, zonder dwingende noodzaak. De artistieke directeur van het Toneelhuis is nog maar een schim van de man die bij zijn aankomst in Antwerpen de Triptiek van de macht regisseerde, of zelfs De man zonder eigenschappen. Naast Grensgeval maakte Cassiers dit jaar enkel nog De moed om te doden: amusant, meer niet. Intussen kan ik me van een heel aantal van zijn voorstellingen niets meer herinneren. Bezonken rood en Onegin staan me scherper voor de geest dan De blinden, Caligula of De welwillenden. De ambiance die Cassiers in zijn eerste jaren in het Toneelhuis bracht, is helemaal weg. En ook voor volgend seizoen heeft hij eenvoudigweg twee boeken uit de kast getrokken voor een theaterbewerking: Het kleine meisje van meneer Linh van Philippe Claudel en Vergeef ons van A.M. Homes. Intellectueel voegen bewerkingen van recente romans zelden iets toe. In het beste geval geven ze een bestaand verhaal een nieuw publiek. Maar Cassiers doet bij het Toneelhuis nog wel wat anders dan boeken lezen, hoor. Hij trekt ook andere makers aan die voor hem voorstellingen produceren. In 2006 kwamen samen met hem ook nieuwkomers zoals Sidi Larbi Cherkaoui aan. Olympique Dramatique was al verbonden aan het huis, en door de jaren heen werden nieuwe namen als FC Bergman en Marthatentatief van Johan Petit aan de affiche toegevoegd. Een van de beste voorstellingen van het seizoen, Risjaar Drei, werd zo door Olympique en Toneelhuis geproduceerd. Het contrast met Grensgeval kon niet groter zijn. En door een samenwerking met Toneelgroep Amsterdam stond de naam van Cassiers' huis ook onder De dingen die voorbij gaan van de zichzelf immer opnieuw heruitvindende Ivo Van Hove. Met de Antwerpse Kleppers haalt Cassiers elk jaar tevens een reeks voorstellingen van Antwerpse theatergroepen naar de Bourla. Handig voor iedereen die ze in de Monty gemist heeft, maar een echte visie - om zo'n woord maar eens te laten vallen - spreekt er niet uit. In het publieke debat is Cassiers al jaren helemaal onzichtbaar. Verdient de Bourla beter dan een artistieke directeur die vooral bezig is met het uitdelen van subsidies aan andere makers? Ik denk van wel. De Bourla verdient in ieder geval geen scènes zoals er dit seizoen in de schouwburg van NTGent zijn opgevoerd. Maar na meer dan tien jaar als artistiek directeur wordt het voor Guy Cassiers toch tijd om op zoek te gaan naar een opvolger. Daarna komt er voor hemzelf wel een nieuwe opdracht aanwaaien uit Parijs of Avignon. Van harte, Guy!