Als jongeren uit Brusselse achterstandswijken de media halen, is het zelden met positief nieuws. Haast altijd gaat het dan over schoolverlaters, muurklevers, belagers van vrouwelijke passanten, voorbestemd tot kleine of grote carrières in de misdaad. Moslims vaak, vatbaar voor radicalisering. Maryam Kolly is docente sociologie aan de Brusselse Université Saint-Louis en houdt al vele jaren de vinger aan de pols in de probleemwijken van de hoofdstad. In een bijdrage aan het pas verschenen boek Stemmen voor de Stad. Perspectieven op stedelijk sociaal werk rekent ze af met enkele hardnekkige mythes over een slecht begrepen bevolkingsgroep.
...

Als jongeren uit Brusselse achterstandswijken de media halen, is het zelden met positief nieuws. Haast altijd gaat het dan over schoolverlaters, muurklevers, belagers van vrouwelijke passanten, voorbestemd tot kleine of grote carrières in de misdaad. Moslims vaak, vatbaar voor radicalisering. Maryam Kolly is docente sociologie aan de Brusselse Université Saint-Louis en houdt al vele jaren de vinger aan de pols in de probleemwijken van de hoofdstad. In een bijdrage aan het pas verschenen boek Stemmen voor de Stad. Perspectieven op stedelijk sociaal werk rekent ze af met enkele hardnekkige mythes over een slecht begrepen bevolkingsgroep. Bij die jongeren is de identificatie met hun wijk of straat heel sterk. U duidt die begrippen als een deel van de Brusselse stadsecologie. Kunt u dat eens uitleggen? Maryam Kolly: De dualisering in arme buurten is erg groot. De jongeren gaan naar scholen die denigrerend écoles poubelles ('afvalbakscholen') worden genoemd. Buiten de school, in de publieke ruimte, worden ze door de politie om de haverklap aan vernederende controles onderworpen. Natuurlijk zijn er leerkrachten die hun uiterste best doen voor die jongeren, en bij de politie vind je agenten die racisme verwerpen. Maar dat verandert niets aan de vaststelling: als overheidsinstellingen zoals het onderwijs en de politie het laten afweten, krijg je een omgeving waarin jongeren wegkwijnen. Zo wordt het in die wijken ook aangevoeld. Om zich daartegen te wapenen, creëren jongeren hun eigen microkosmos, waar een heel sterke onderlinge solidariteit leeft. Daar hoort ook een eigen jargon, muziek- en beeldcultuur bij. Moeten we die solidariteit zien als een compensatie voor tekorten die jongeren thuis ervaren? Kolly: Helemaal niet, dat is een valse tegenstelling. La mif, zoals zij 'de familie' in hun straatjargon noemen, gaat veel ruimer dan het kerngezin. Ze bestaat uit concentrische cirkels waarin bloedverwanten, vrienden en buren passen, maar ook grotere groepen uit de wijk waarmee men zich op basis van gedeelde waarden of ervaringen solidair voelt. Dezelfde godsdienst belijden, sociale huisvesting delen, dat kan volstaan om erbij te horen. Ik heb dat zelf als kind van Iraanse immigranten ervaren. Leeftijdsgenoten van mijn ouders waren een beetje mijn ooms en tantes. In hun ogen waren kinderen van anderen ook hun kinderen. Wat wel typisch is: het collectieve besef te worden blootgesteld aan structurele discriminatie. Dat gedeelde slachtofferschap schept een sterke band. Op dat punt is er geen onderscheid tussen de geslachten, iedereen zit in hetzelfde schuitje. Aangezien de overheid niet bij machte is sociale bescherming te bieden, zoekt men die bij la mif. De adolescenten en jonge mannen noemen elkaar drarries. Maar wat betekent dat Arabische woord in de Brusselse wijken precies? Kolly: Letterlijk vertaald is een drarrie een kind, maar voor hen heeft het een heel andere betekenis. Drarrie is een kreet waaruit enthousiasme, levensvreugde en generositeit spreken. Het overstijgt de Arabischtalige gemeenschap, de helft van Brussel wordt door drarries bevolkt. In de eerste plaats gaat het natuurlijk om Maghrebijnen en zwarten, jongeren met een migratieachtergrond die met achterstand aan hun levenstraject beginnen. Ze wonen in arme buurten, riskeren schooluitval, overwegen delinquentie als alternatieve weg naar succes, ondergaan politiegeweld. Maar ook jongeren zonder migratieachtergrond die hetzelfde parcours doorlopen, worden drarries. Er gaat een grote kracht uit van dat woord, drarries vinden elkaar in het verzet tegen uitsluiting en sociaal geweld. Dat verzet neemt vaak artistiek-culturele vormen aan, maar kan zich ook gewelddadig uiten. Het is bovenal een coole attitude, een drarrie paart trots en ongehoorzaamheid aan nonchalance. Opmerkelijk is de culturele toe-eigening: in welgestelde milieus wemelt het van de drarries die nog andere Arabische woorden zoals wulla en hnouch hanteren. Dat zijn de drarries die níét door de politie worden gecontroleerd als ze in het skatepark joints zitten te roken. U hekelt de semantische framing van de 'probleemjongeren'. Hoe werkt die framing dan wel? Kolly: Jongeren worden door een negatieve bril bekeken. Ze voelen de afkeurende blik als ze zich in de publieke ruimte begeven en ze voelen vooral de security gaze, de manier waarop de overheid - politie en andere instanties - hen als potentiële misdadigers bekijken en behandelen. Ook de media bevestigen vaak dat stereotype van de Maghrebijnse jongen als dief, verkrachter of relschopper. Intussen heeft het beleid er een heel lexicon voor ontwikkeld: de strijd tegen de delinquentie, lokale cellen voor integrale veiligheid, de radicaliseringsambtenaren, noem maar op. Die politiek-wetenschappelijke termen dragen bij tot de stigmatisering van jongeren in achterstandswijken. Opgroeien in zo'n klimaat heeft verwoestende effecten op het zelfbeeld, bij veel jongeren raken de vooroordelen geïnternaliseerd. Probeer je maar eens voor te stellen dat het Brusselse bobomilieu zo werd bekeken. Hoe bedoelt u? Kolly: Denk het u even in: de politie spitst zich toe op de biomarkten, de hipstershops, de kunstgaleries en de trendy wijnbars van de binnenstad. Ze begint systematisch ouders met bakfietsen te controleren, valt binnen in cafés waar antikapitalistische militanten samentroepen. Het gevolg laat zich raden: ook de hipsterstad zou binnen de kortste keren een identitaire ruime worden, waar gedeeld slachtofferschap het cement vormt. Wat bedoelen de Brusselse jongeren met 'parler comme un Flamand'? Kolly: Praten zoals een Flamand, dat is praten zoals een winnaar, iemand die zijn taal kan inzetten als wapen. Een probleem met de directeur van de school van de kinderen? Een geschil met een openbare dienst? Le Flamand regelt dat niet met strafbaar fysiek geweld, hij deelt verbale slagen uit. Er zit veel ironie en sprankelende humor in de drarriecultuur, maar in de jongerentaal heeft Flamand wel degelijk een negatieve lading. In een duale maatschappij geniet le Flamand van alle privileges, hij is dus het spiegelbeeld van de drarries. Mooi toch hoe die jongeren een eigen terminologie verzinnen om ongelijke structuren in de samenleving bloot te leggen, het zijn net sociologen. Let wel, het is allemaal niet eenduidig. Iedereen probeert iets van zijn leven te maken, ook een drarrie. Ze gaan toch maar naar school, zoeken werk, proberen de wet niet te overtreden. Met andere woorden, ze hangen zelf weleens le Flamand uit. Maar zonder hun ziel te verkopen of hun vrienden uit de wijk te verraden, want dat staat de groepsloyauteit niet toe.