'Boerkaverbod is een verregaande inbreuk op de vrijheid van vrouwen,' liet een juriste bij Unia optekenen. Zij sprak in eigen naam, zei ze. Dan rijst de vraag: kan dat? In De Standaard verdedigt Eva Brems de demarche van de juriste: 'Unia mag geen tandeloze waakhond worden'. In De Morgen nam Joël De Ceulaer een soortgelijk standpunt in.

Ik waardeer beiden ten zeerste. Maar ik neem een ander standpunt in. Word ik daarom plots verdediger van een tandeloze constructie? Mijn enigste probleem bij het schrijven is dat ik me nu een beetje als een betweterige schoonmoeder voel. Sorry hiervoor. Mijn standpunt is dat er meerdere aspecten zijn in het debat. Je moet die samen leggen.

Vraag 1: Heeft een Unia-jurist(e) recht op een eigen mening?

Evident ja. Het is zelfs interessant als een instelling als Unia zo gedifferentieerd mogelijk zijn team samenstelt. Hoe loopt het dan? Bij een dossierafhandeling beargumenteren juristen hun stellingname onder collega's. De uitkomst van hun discussie komt bij de directie. Als het een heet hangijzer betreft, bespreekt die alles nog eens binnen het geheel van het team. Daarna wordt het resultaat afgetoetst bij de voorzitter van de RvB. Die oordeelt dan of een gehele RvB samengeroepen moet worden. Als een jurist(e) aan het eind vaststelt dat zijn standpunt het niet haalt, legt z/hij zich daarbij neer. Dan kan betrokkene altijd nog in privé gesprekken zijn standpunt ventileren, maar naar buiten toe verdedigt men de lijn van de instelling. Zelfs een directeur (m/v) moet zich daaraan houden. Bij detailkwesties ligt het soepeler.

Vraag 2: In welk kader ageert een centrum als Unia?

Wat is de geldende wetgeving? Dit geeft het kader aan waarbinnen zo'n instelling werkt. Maar naast het strikt juridische, is ook een niet-juridisch luik belangrijk: welk soort samenleving wensen wij eigenlijk? Lobbyen om een bestaande wet te wijzigen, behoort ook tot de taak van Unia. De vraag wordt dus: wenst Unia te ijveren voor een opheffing van het boerkaverbod ? Of redeneert Unia: "Ok, het is misschien wel een symboolwet, maar daar gaan we nu toch geen strijdpunt van maken." Die discussie hoort in wezen thuis binnen een raad van bestuur en in de vergadering van het gehele team. Zo niet, dan wordt zo'n instelling op de kortste keren geen richting gevende baken meer, maar een publiek discussieforum, al dan niet met academische allures. Men moet weten wat men wil. Wat men moet mijden als de pest, is dat het een gehakketak wordt tussen de politiek en het autonome centrum. Beiden hebben hier een maatschappelijke plicht: respect voor de politiek, maar ook respect voor de eigen instellingen.

Vraag 3: De puur inhoudelijke discussie over het dragen van de boerka

Die enkele vrouwen die bij ons een boerka willen dragen zijn niet de enigste vrouwen die ooit maatschappelijk onzichtbaar wensten te zijn. Zie de katholieke slotzusters. Echter, deze vrouwen bewogen zich in semi-private ruimtes. Zo'n ruimtes zijn noch publiek (bv. de straat), noch semi-publiek (bv. een voetbalveld). Nu kan je veel meningen hebben over welke de grenzen van een gedragscode moeten zijn op straat. In Afganistan is de maatschappelijke consensus hierover anders dan in België. Wil je de door wet afgegrensde consensus in België veranderen, dan moet je daar een parlementaire meerderheid voor vinden. Unia heeft het recht om hiervoor te lobbyen. Maar Unia moet er wel rekening mee houden dat het met mensen in dialoog zal moeten treden die hierover op hun beurt soms ook lang nagedacht hebben.

De discussie wordt dus best puur intellectueel gevoe(r)d, en liefst zonder waarde-oordelen of veroordelingen. Ik reken mij tot de mensen die denken heel geldige redenen te hebben om zich te verzetten tegen het dragen van een boerka in de publieke ruimte bij ons in België.

Betekent dit dat ik het boerkaverbod-bij-wet een schitterend idee vind? Neen. Ik heb eerlijk gezegd in Brussel nooit een vrouw in boerka op straat zien wandelen. Een tiental keren heb ik een vrouw in niqab aan een tramhalte zien staan, vaak dezelfde. Niqab, dit wil zeggen: een doek die enkel de ogen zichtbaar laat. Arme kinderen, dacht ik dan... Het is zo voor hen soms al moeilijk op school... en dan moet je daar dan als enigste kind aan de hand van je moeder naar je vriendjes toe. Het boerka-dragen is niet alleen zaak van een individuele volwassen persoon, maar heeft ook gevolgen voor de kinderen nu en later. Een samenleving mag dit eveneens als haar verantwoordelijkheid zien.

Omdat ik me ooit tegen het dragen van boerka en niqab als directeur van het CGKR uitgesproken had, heb ik ooit een betoging tegen mij gehad eind jaren 90 aan de Beurs in Brussel.

Vraag 4: Moet niet elke medewerker een eigen mening naar buiten kunnen 'outen'?

Als ik het goed begrijp, is het standpunt van zowel Brems als De Ceulaer dat dit precies de sterkte van zo'n anti-discriminatiecentrum zou zijn. Mijn pleidooi echter is: maximale vrijheid van uitdrukking binnenin, wat het debat verrijkt, maar zo groot mogelijke eensgezindheid naar buiten uit. Een centrum als Unia beweegt zich zo al genoeg op zwak ijs. Onder maximale eensgezindheid versta ik: consensus tussen team, directie en raad van bestuur. Dit zal niet altijd mogelijk zijn, maar er moet altijd een voldoende groot draagvlak zijn op de drie niveaus.

Kan een medewerker dan nooit eens een afwijkend standpunt naar buiten verwoorden? Ja, maar dit moet dan wel gebeuren in afspraak met de directie en het gaat dan liefst over minder fundamentele kwesties. Zoiets leg je niet in regeltjes vast, maar anno 2017, in volle jihadisme-crisis, het verbieden van het dragen van een boerka in de publieke ruimte als "een verregaande inbreuk op de vrijheid en de privacy van vrouwen" voorstellen, lijkt me geen goed idee, ook al ben je een zeer gekwalificeerde en zeer geëngageerde juridische medewerker. Het laatste waar ons land momenteel behoefte aan heeft, is dat zo'n centrum zelf zijn draagvlak onderuit haalt.

Johan Leman is antropoloog, voorzitter Foyer vzw, em. Prof. KU Leuven. Van 1993 tot 2003 was hij voorzitter van het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding.