Zelden zijn cijfers zo belangrijk geweest in de omgang met een pandemie. Zelden ook is daarbij vaker naar de geschiedenis verwezen, om de pandemie in een breder kader te plaatsen. In principe kan dat uiteraard enkel maar toegejuicht worden, maar misschien zeggen de cijfers meer over onze manier van kijken dan over de pandemie zelf. Het is in ieder geval tijd om ook die manier van kijken kritisch tegen het licht te houden, te meer daar statistieken heel erg samenhangen met beleid - zoals de term ('state-istics') al aangeeft.

Minstens vanaf de negentiende eeuw al komt een epidemie enkel in beeld dankzij cijfermateriaal, maar met betrekking tot COVID-19 hebben de cijfers tot dusver vooral tot discussie geleid. Aanvankelijk spitste die zich toe op de vraag of het nieuwe corona-virus anders is dan een seizoensgriep. De laatste weken lijkt de zogenaamde 'oversterfte' uit te wijzen dat dit tot op zekere hoogte inderdaad het geval is, maar dat wil allerminst zeggen dat covid-19 vergeleken kan worden met negentiende-eeuwse uitbraken van cholera of tyfus, laat staan met de Middeleeuwse 'zwarte dood'. Dat zijn immers plagen die een echte demografische impact hadden, met een totale mortaliteit van enkele tot tientallen procenten. Vanuit dat perspectief blijft covid-19 uiteraard wél een soort seizoensgriep, met een totale mortaliteit van minder dan 0,1 %. Dat beeld wordt enkel maar versterkt door de vaststelling dat slachtoffers zelden alleen aan covid-19 sterven, en dat velen een nog beperkte levensverwachting hadden.

Het is tijd voor een kritische reflectie over de relatie tussen cijfers en beleid.

Politieke rekenkunde

Dat het overheersende beeld helemaal anders is, heeft veel te maken met de manier waarop de cijfers worden voorgesteld. Wat opvalt is de eenzijdige focus op absolute en relatieve aantallen doden en ernstig zieken, eerder dan op (prognoses over) gemiddelde levensverwachting. Dat is vreemd, aangezien modern economisch en sociaal beleid zich ontwikkelde samen met wat de Engelse econoom en geleerde William Petty al in de jaren 1670 'politieke rekenkunde' (political arithmetic) noemde. Van bij aanvang was dat gericht op demografische gegevens en manieren om bevolkingsgroei te schatten (o.a. op basis van aantallen overlijdens). Petty werkte samen met de Engelse arts en anatomist John Graunt (1620-1674), die via mortaliteitspatronen een detectiesysteem trachtte te ontwikkelen voor uitbraken van de builenpest.

De samenwerking leidde tot de ontwikkeling van levensverwachtingstabellen, die het intussen mogelijk maken om een veel breder en meer objectiverend perspectief aan te brengen. Hun zogenaamde 'life tables' (die uitdrukken hoeveel leden van een bepaald geboortecohort in de volgende jaren of decennia nog in leven zouden zijn) vormen immers de basis voor de hedendaagse instrumenten en benchmarks van globale organisaties zoals de Wereldbank, die het toelaten het gemiddeld aantal gewonnen of verloren (gezonde) levensjaren te berekenen en te vergelijken.

In de negentiende en twintigste eeuw zijn de mogelijkheden om te objectiveren en te abstraheren alleen maar verder toegenomen. Concepten als 'normale distributie' en 'standaardafwijking' zagen het licht en de stap werd gezet naar het beschrijven van 'normale' patronen, met betrekking tot demografische, maar ook sociale fenomenen (denk aan criminaliteit, of zelfdoding). Dat gebeurde onder meer onder impuls van de Belg Adolphe Quetelet (1796-1874), die het concept 'de gemiddelde mens' ijkte. Het zorgde voor controverse, omdat het bestaan van de vrije wil en individuele verantwoordelijkheid er schijnbaar mee werden ontkend, maar het maakte het mogelijk om het perspectief van het individu te overstijgen.

Vandaag wordt sociaal beleid (denk aan een vaccinatieprogramma) geëvalueerd door te kijken naar het gemiddeld aantal Years of Life Lost (YLL) ten gevolge van een epidemie. In de regel wordt daarbij ook rekening gehouden met de kwaliteit van de verloren of gewonnen levensjaren, waardoor bijvoorbeeld wordt gesproken van 'quality-adjusted life years'.

Misleidende cijfers

Dergelijke benaderingen toepassen op het beleid vandaag, zou een heel ander beeld opleveren. Een simpel rekensommetje met daarin het totale bevolkingsaantal, het aantal overlijdens en de gemiddelde leeftijd van de overledenen, leert immers dat het verlies aan gemiddeld aantal gezonde dagen door COVID-19 wellicht 1 à 3 zal zijn, in het slechtste geval 5. De kans bestaat dat we het in uren zullen moeten uitdrukken (afhankelijk vooral van de gemiddelde leeftijd van de overledenen). In vergelijking daarmee zijn de cijfers die we dagelijks in de media krijgen heel misleidend. Meestal gaat het om een optelsom van individuele gevallen. Door die cijfers bovendien voortdurend te koppelen aan specifieke casussen om de impact te illustreren, krijgen we het tegenovergestelde van objectivering en spelen de cijfers vooral in op angsten en emoties. De focus ligt op herkenbaarheid en wat blijft hangen is het beeld dat concrete mensen lijden die onze kennis of familie zouden kunnen zijn.

Dit verklaart ongetwijfeld mee de grote golf van solidariteit en is daarom ook toe te juichen op korte termijn, maar een overheid dient ook rekening te houden met de meer abstracte gegevens. De welvaartsstaat, zoals die zich vanaf eind negentiende eeuw ontwikkelde was gebaseerd op statistische risicoanalyses, budgetonderzoek en lange cijferreeksen over de gemiddelde levensstandaard. Het keynesiaanse planningsdenken waar het tot de jaren 1970 mee gepaard ging, bracht nationale rekeningen en cijfers over werkgelegenheidsgraad met zich mee. Het diende allemaal om het beleid te objectiveren.

Volgens wetenschapssociologen is er de laatste decennia echter een verschuiving opgetreden van traditionele welvaartstaatsmechanismen naar een staatsvorm die draait rond het leveren van 'diensten' via instellingen die als een soort onderaannemers fungeren. Wat het gebruik van statistiek aangaat, vertaalt zich dit in het meten van de performantie van die instellingen. De staat zou zich meer en meer beperken tot het monitoren van de 'targets' van instellingen zoals ziekenhuizen en welzijnszorgcentra, waardoor de neo-liberale bestuurslogica en de logica van ge-institutionaliseerde zorg als het ware gaan samenvallen.

Doodlopende straat

Kortom, het is tijd voor een kritische reflectie over de relatie tussen cijfers en beleid, te beginnen met een objectivering van de reële impact van het virus. De geschiedenis van de wetenschap levert het bewijs van spectaculaire medische verwezenlijkingen, waarbij de ontdekking van pathogenen door Louis Pasteur in de tweede helft van de negentiende eeuw en van de penicilline (antibiotica) door Alexander Fleming in de eerste helft van de twintigste enkel maar de meest opvallende zijn. Samen met de ontwikkeling van een betere hygiëne door ander andere de introductie van riolering, stromend water en - jawel - het handen wassen, is de gemiddelde levensverwachting op een tweetal eeuwen met tientallen jaren gestegen, onder meer te wijten aan een spectaculaire daling van de kindersterfte. In vergelijking daarmee is de potentiële impact van het huidige beleid bijzonder klein (enkele dagen gemiddeld), en de sociale en politieke prijs die we bereid zijn te betalen buiten alle proportie.

Mijns inziens toont de huidige crisis vooral aan dat onze hang naar zekerheid en naar controle over ziekte en gezondheid op z'n grenzen stoot en veel weg heeft van therapeutische hardnekkigheid op collectief niveau. Dat is des te meer het geval daar de mens tegen een virus immuniteit opbouwt, waardoor het een heel ander fenomeen is dan de problemen waar Pasteur en Fleming mee te maken hadden, namelijk door bacteriën veroorzaakte infectieziekten. Het huidige beleid is verdedigbaar op korte termijn en met het oog op de bescherming van de meest kwetsbaren in onze samenleving, maar de houdbaarheid van de achterliggende rationale is hoogst twijfelachtig.

Vandaag is zelfs niet duidelijk in hoeverre de lockdown strategie levens redt op de korte termijn, aangezien daar enkel simulaties voor bestaan en in de zeldzame casussen die als 'controlegroep' kunnen gelden, zoals het geval is met Zweden, de overeenkomsten groter zijn dan de verschillen.

Bovendien zijn er redenen om aan te nemen dat op de langere termijn ongewenste neveneffecten optreden, zoals een verzwakt of juist overgevoelig immuunsysteem ten gevolge van de klemtoon op hygiëne, afstand en isolatie. En zelfs als er nog een beperkte winst (in levensverwachting) kan worden geboekt door de stringente maatregelen zoals die nu worden doorgevoerd, stelt zich de vraag welke economische, politieke en sociale prijs we daar op langere termijn voor betalen - en wat daar dan de effecten van zijn op onze lichamelijke en mentale gezondheid.

De kans dat de kosten groter zijn dan de baten lijkt me bijzonder groot.

Professor Bert De Munck is hoofddocent aan het Departement Geschiedenis van de Universiteit Antwerpen en coördinator van het Centrum voor Stadsgeschiedenis.

Zelden zijn cijfers zo belangrijk geweest in de omgang met een pandemie. Zelden ook is daarbij vaker naar de geschiedenis verwezen, om de pandemie in een breder kader te plaatsen. In principe kan dat uiteraard enkel maar toegejuicht worden, maar misschien zeggen de cijfers meer over onze manier van kijken dan over de pandemie zelf. Het is in ieder geval tijd om ook die manier van kijken kritisch tegen het licht te houden, te meer daar statistieken heel erg samenhangen met beleid - zoals de term ('state-istics') al aangeeft. Minstens vanaf de negentiende eeuw al komt een epidemie enkel in beeld dankzij cijfermateriaal, maar met betrekking tot COVID-19 hebben de cijfers tot dusver vooral tot discussie geleid. Aanvankelijk spitste die zich toe op de vraag of het nieuwe corona-virus anders is dan een seizoensgriep. De laatste weken lijkt de zogenaamde 'oversterfte' uit te wijzen dat dit tot op zekere hoogte inderdaad het geval is, maar dat wil allerminst zeggen dat covid-19 vergeleken kan worden met negentiende-eeuwse uitbraken van cholera of tyfus, laat staan met de Middeleeuwse 'zwarte dood'. Dat zijn immers plagen die een echte demografische impact hadden, met een totale mortaliteit van enkele tot tientallen procenten. Vanuit dat perspectief blijft covid-19 uiteraard wél een soort seizoensgriep, met een totale mortaliteit van minder dan 0,1 %. Dat beeld wordt enkel maar versterkt door de vaststelling dat slachtoffers zelden alleen aan covid-19 sterven, en dat velen een nog beperkte levensverwachting hadden.Dat het overheersende beeld helemaal anders is, heeft veel te maken met de manier waarop de cijfers worden voorgesteld. Wat opvalt is de eenzijdige focus op absolute en relatieve aantallen doden en ernstig zieken, eerder dan op (prognoses over) gemiddelde levensverwachting. Dat is vreemd, aangezien modern economisch en sociaal beleid zich ontwikkelde samen met wat de Engelse econoom en geleerde William Petty al in de jaren 1670 'politieke rekenkunde' (political arithmetic) noemde. Van bij aanvang was dat gericht op demografische gegevens en manieren om bevolkingsgroei te schatten (o.a. op basis van aantallen overlijdens). Petty werkte samen met de Engelse arts en anatomist John Graunt (1620-1674), die via mortaliteitspatronen een detectiesysteem trachtte te ontwikkelen voor uitbraken van de builenpest. De samenwerking leidde tot de ontwikkeling van levensverwachtingstabellen, die het intussen mogelijk maken om een veel breder en meer objectiverend perspectief aan te brengen. Hun zogenaamde 'life tables' (die uitdrukken hoeveel leden van een bepaald geboortecohort in de volgende jaren of decennia nog in leven zouden zijn) vormen immers de basis voor de hedendaagse instrumenten en benchmarks van globale organisaties zoals de Wereldbank, die het toelaten het gemiddeld aantal gewonnen of verloren (gezonde) levensjaren te berekenen en te vergelijken.In de negentiende en twintigste eeuw zijn de mogelijkheden om te objectiveren en te abstraheren alleen maar verder toegenomen. Concepten als 'normale distributie' en 'standaardafwijking' zagen het licht en de stap werd gezet naar het beschrijven van 'normale' patronen, met betrekking tot demografische, maar ook sociale fenomenen (denk aan criminaliteit, of zelfdoding). Dat gebeurde onder meer onder impuls van de Belg Adolphe Quetelet (1796-1874), die het concept 'de gemiddelde mens' ijkte. Het zorgde voor controverse, omdat het bestaan van de vrije wil en individuele verantwoordelijkheid er schijnbaar mee werden ontkend, maar het maakte het mogelijk om het perspectief van het individu te overstijgen. Vandaag wordt sociaal beleid (denk aan een vaccinatieprogramma) geëvalueerd door te kijken naar het gemiddeld aantal Years of Life Lost (YLL) ten gevolge van een epidemie. In de regel wordt daarbij ook rekening gehouden met de kwaliteit van de verloren of gewonnen levensjaren, waardoor bijvoorbeeld wordt gesproken van 'quality-adjusted life years'. Dergelijke benaderingen toepassen op het beleid vandaag, zou een heel ander beeld opleveren. Een simpel rekensommetje met daarin het totale bevolkingsaantal, het aantal overlijdens en de gemiddelde leeftijd van de overledenen, leert immers dat het verlies aan gemiddeld aantal gezonde dagen door COVID-19 wellicht 1 à 3 zal zijn, in het slechtste geval 5. De kans bestaat dat we het in uren zullen moeten uitdrukken (afhankelijk vooral van de gemiddelde leeftijd van de overledenen). In vergelijking daarmee zijn de cijfers die we dagelijks in de media krijgen heel misleidend. Meestal gaat het om een optelsom van individuele gevallen. Door die cijfers bovendien voortdurend te koppelen aan specifieke casussen om de impact te illustreren, krijgen we het tegenovergestelde van objectivering en spelen de cijfers vooral in op angsten en emoties. De focus ligt op herkenbaarheid en wat blijft hangen is het beeld dat concrete mensen lijden die onze kennis of familie zouden kunnen zijn.Dit verklaart ongetwijfeld mee de grote golf van solidariteit en is daarom ook toe te juichen op korte termijn, maar een overheid dient ook rekening te houden met de meer abstracte gegevens. De welvaartsstaat, zoals die zich vanaf eind negentiende eeuw ontwikkelde was gebaseerd op statistische risicoanalyses, budgetonderzoek en lange cijferreeksen over de gemiddelde levensstandaard. Het keynesiaanse planningsdenken waar het tot de jaren 1970 mee gepaard ging, bracht nationale rekeningen en cijfers over werkgelegenheidsgraad met zich mee. Het diende allemaal om het beleid te objectiveren. Volgens wetenschapssociologen is er de laatste decennia echter een verschuiving opgetreden van traditionele welvaartstaatsmechanismen naar een staatsvorm die draait rond het leveren van 'diensten' via instellingen die als een soort onderaannemers fungeren. Wat het gebruik van statistiek aangaat, vertaalt zich dit in het meten van de performantie van die instellingen. De staat zou zich meer en meer beperken tot het monitoren van de 'targets' van instellingen zoals ziekenhuizen en welzijnszorgcentra, waardoor de neo-liberale bestuurslogica en de logica van ge-institutionaliseerde zorg als het ware gaan samenvallen. Kortom, het is tijd voor een kritische reflectie over de relatie tussen cijfers en beleid, te beginnen met een objectivering van de reële impact van het virus. De geschiedenis van de wetenschap levert het bewijs van spectaculaire medische verwezenlijkingen, waarbij de ontdekking van pathogenen door Louis Pasteur in de tweede helft van de negentiende eeuw en van de penicilline (antibiotica) door Alexander Fleming in de eerste helft van de twintigste enkel maar de meest opvallende zijn. Samen met de ontwikkeling van een betere hygiëne door ander andere de introductie van riolering, stromend water en - jawel - het handen wassen, is de gemiddelde levensverwachting op een tweetal eeuwen met tientallen jaren gestegen, onder meer te wijten aan een spectaculaire daling van de kindersterfte. In vergelijking daarmee is de potentiële impact van het huidige beleid bijzonder klein (enkele dagen gemiddeld), en de sociale en politieke prijs die we bereid zijn te betalen buiten alle proportie.Mijns inziens toont de huidige crisis vooral aan dat onze hang naar zekerheid en naar controle over ziekte en gezondheid op z'n grenzen stoot en veel weg heeft van therapeutische hardnekkigheid op collectief niveau. Dat is des te meer het geval daar de mens tegen een virus immuniteit opbouwt, waardoor het een heel ander fenomeen is dan de problemen waar Pasteur en Fleming mee te maken hadden, namelijk door bacteriën veroorzaakte infectieziekten. Het huidige beleid is verdedigbaar op korte termijn en met het oog op de bescherming van de meest kwetsbaren in onze samenleving, maar de houdbaarheid van de achterliggende rationale is hoogst twijfelachtig. Vandaag is zelfs niet duidelijk in hoeverre de lockdown strategie levens redt op de korte termijn, aangezien daar enkel simulaties voor bestaan en in de zeldzame casussen die als 'controlegroep' kunnen gelden, zoals het geval is met Zweden, de overeenkomsten groter zijn dan de verschillen. Bovendien zijn er redenen om aan te nemen dat op de langere termijn ongewenste neveneffecten optreden, zoals een verzwakt of juist overgevoelig immuunsysteem ten gevolge van de klemtoon op hygiëne, afstand en isolatie. En zelfs als er nog een beperkte winst (in levensverwachting) kan worden geboekt door de stringente maatregelen zoals die nu worden doorgevoerd, stelt zich de vraag welke economische, politieke en sociale prijs we daar op langere termijn voor betalen - en wat daar dan de effecten van zijn op onze lichamelijke en mentale gezondheid. De kans dat de kosten groter zijn dan de baten lijkt me bijzonder groot. Professor Bert De Munck is hoofddocent aan het Departement Geschiedenis van de Universiteit Antwerpen en coördinator van het Centrum voor Stadsgeschiedenis.