Afgelopen weekend lazen in De Morgen dat volgens Minister voor Veiligheid Jan Jambon er door de regering momenteel een wettelijk kader gecreëerd wordt, wat ervoor zorgt dat jeugdwerkers deel kunnen nemen aan Lokale Integrale Veiligheidscellen (LIVC's). Het LIVC is een multidisciplinair lokaal overlegplatform waar informatie tussen de sociale diensten en preventiediensten van de stad, de stadsdiensten, de lokale politiezone en de Lokale Task Force van de politie (LTF) over radicalisering gedeeld kan worden. De burgemeester draagt hiervoor de bevoegdheid en vormt de brug tussen de sociale diensten en veiligheidsactoren. In de praktijk zien we dat de manier waarop LIVC's vormgegeven wordt daarom verschilt van lokaal bestuur tot lokaal bestuur. De vraag is nu of jeugdwerkers hier wel deel van moeten uitmaken?

'Het is niet de taak van het jeugdwerk om te waken over de veiligheid van de samenleving'

Ook in tijden van terreur blijft de opdracht van het jeugdwerk behouden: vanuit de vrije tijd, en vrijwillig, aan de slag gaan met kinderen en jongeren op de volgende sporen: groepsgerichte vrijetijdsactiviteiten, individuele welzijnsvragen en signaal - en brugfunctie uitoefenen wat betreft de maatschappelijke positie van de doelgroep. Het jeugdwerk situeert zich dus in de brede en algemene preventie: zorgen dat jongeren zich goed voelen en hun plaats vinden in de samenleving, en ondertussen werken aan de structuren die de kwetsbaarheid van kinderen en jongeren in de hand werken, liefst met hen. En die taak komt in gevaar als jeugdwerkers aan zo'n LIVC moeten deelnemen, want dit schaad de band tussen jongeren en de jeugdwerkers.

Zij zullen bekeken worden als een verlengstuk van de politie, waardoor jongeren hen niet meer in vertrouwen zullen nemen. Net deze vertrouwensbreuk zal zorgen voor meer maatschappelijke onveiligheid ipv een verhoogde veiligheid. Een samenleving heeft immers nood aan 'safe spaces' waar kwetsbare jongeren terecht kunnen met moeilijke vragen en gevoelige verhalen - of het nu gaat over intrafamiliaal geweld, middelengebruik, misbruik of vervreemding van de samenleving en religieuze indoctrinatie.

'Het is niet de taak van het jeugdwerk om te waken over de veiligheid van de samenleving'

Onze maatschappij heeft er baat bij dat er professionals zijn die op basis van een vertrouwensrelatie goed preventief werk kunnen leveren. Op die manier zorgt het jeugdwerk voor een allerlaatste verbinding met de samenleving. Door jeugdwerkers mee te sleuren in allesoverheersend veiligheidsdiscours schaffen we dat jeugdwerk voor kwetsbare jongeren de facto af. Jeugdwerkers worden dan een nieuw soort agenten, die enkel de vermoedens zullen bevestigen van kwetsbare jongeren dat de maatschappij voor hen geen plaats heeft.

Het is dus niet de taak van het jeugdwerk om te waken over de veiligheid van de samenleving. Het jeugdwerk mag zijn opdracht niet vermengen met de controlerende, sanctionerende en repressieve opdracht van oa de politie. Dat is niet enkel in het belang van de jeugdwerker en de jongeren, maar vooral ook in het belang van de samenleving.

De beweringen dat er in deze gekozen moeten worden tussen veiligheid en vertrouwen en dat de vertrouwensrelatie van jeugdwerkers opgeofferd moet worden omwille van de veiligheid is een fabel en een valse discussie. Het is de jeugdwerker deontologisch via zijn discretieplicht perfect toegestaan om in te grijpen - en dus informatie te delen met de politie - in situaties waarin hij of zij oordeelt dat de integriteit van jongeren of anderen in gevaar is. Het spreekt echter voor zich dat de jeugdwerker de enige is die deze inschatting mag en kan maken, en dat het zetelen in een LIVC wel degelijk een schending inhoudt van de deontologische code.

In onze jeugdwerkingen creëren we ruimtes en omstandigheden waar jongeren zich goed voelen en kunnen experimenteren met hun identiteit, zoals we dat al jaren doen. Als steunpunt ondersteunen wij jeugdwerkers zodat zij ook moeilijke gesprekken met jongeren kunnen voeren en hen kunnen begeleiden in hun zoektocht naar wie ze zijn en welke plaats zij willen opnemen in de samenleving. Dit kan alleen maar mogelijk zijn als de jeugdwerker zijn discretieplicht kan behouden en niet als hij de rol van agent moet overnemen. Het jeugd(welzijns)werk zijn nog één van de weinige plaatsen waar kwetsbare kinderen en jongeren zich veilig voelen, de jeugdwerkers is een vertrouwenspersoon voor hen, neem net die veilige plekken en personen van onze kinderen en jongeren niet af.

Ikrame Kastit co-coördinator en Nina Henkens stafmedewerker bij Uit De Marge-CMGJ. vzw

Uit De Marge vzw, Netwerk voor jeugdwerk en jeugdbeleid met kinderen en jongeren in maatschappelijk kwetsbare situaties & CMGJ vzw, Het centrum voor maatschappelijke gelijkheid en jeugdwelzijn

Afgelopen weekend lazen in De Morgen dat volgens Minister voor Veiligheid Jan Jambon er door de regering momenteel een wettelijk kader gecreëerd wordt, wat ervoor zorgt dat jeugdwerkers deel kunnen nemen aan Lokale Integrale Veiligheidscellen (LIVC's). Het LIVC is een multidisciplinair lokaal overlegplatform waar informatie tussen de sociale diensten en preventiediensten van de stad, de stadsdiensten, de lokale politiezone en de Lokale Task Force van de politie (LTF) over radicalisering gedeeld kan worden. De burgemeester draagt hiervoor de bevoegdheid en vormt de brug tussen de sociale diensten en veiligheidsactoren. In de praktijk zien we dat de manier waarop LIVC's vormgegeven wordt daarom verschilt van lokaal bestuur tot lokaal bestuur. De vraag is nu of jeugdwerkers hier wel deel van moeten uitmaken?Ook in tijden van terreur blijft de opdracht van het jeugdwerk behouden: vanuit de vrije tijd, en vrijwillig, aan de slag gaan met kinderen en jongeren op de volgende sporen: groepsgerichte vrijetijdsactiviteiten, individuele welzijnsvragen en signaal - en brugfunctie uitoefenen wat betreft de maatschappelijke positie van de doelgroep. Het jeugdwerk situeert zich dus in de brede en algemene preventie: zorgen dat jongeren zich goed voelen en hun plaats vinden in de samenleving, en ondertussen werken aan de structuren die de kwetsbaarheid van kinderen en jongeren in de hand werken, liefst met hen. En die taak komt in gevaar als jeugdwerkers aan zo'n LIVC moeten deelnemen, want dit schaad de band tussen jongeren en de jeugdwerkers. Zij zullen bekeken worden als een verlengstuk van de politie, waardoor jongeren hen niet meer in vertrouwen zullen nemen. Net deze vertrouwensbreuk zal zorgen voor meer maatschappelijke onveiligheid ipv een verhoogde veiligheid. Een samenleving heeft immers nood aan 'safe spaces' waar kwetsbare jongeren terecht kunnen met moeilijke vragen en gevoelige verhalen - of het nu gaat over intrafamiliaal geweld, middelengebruik, misbruik of vervreemding van de samenleving en religieuze indoctrinatie. Onze maatschappij heeft er baat bij dat er professionals zijn die op basis van een vertrouwensrelatie goed preventief werk kunnen leveren. Op die manier zorgt het jeugdwerk voor een allerlaatste verbinding met de samenleving. Door jeugdwerkers mee te sleuren in allesoverheersend veiligheidsdiscours schaffen we dat jeugdwerk voor kwetsbare jongeren de facto af. Jeugdwerkers worden dan een nieuw soort agenten, die enkel de vermoedens zullen bevestigen van kwetsbare jongeren dat de maatschappij voor hen geen plaats heeft.Het is dus niet de taak van het jeugdwerk om te waken over de veiligheid van de samenleving. Het jeugdwerk mag zijn opdracht niet vermengen met de controlerende, sanctionerende en repressieve opdracht van oa de politie. Dat is niet enkel in het belang van de jeugdwerker en de jongeren, maar vooral ook in het belang van de samenleving. De beweringen dat er in deze gekozen moeten worden tussen veiligheid en vertrouwen en dat de vertrouwensrelatie van jeugdwerkers opgeofferd moet worden omwille van de veiligheid is een fabel en een valse discussie. Het is de jeugdwerker deontologisch via zijn discretieplicht perfect toegestaan om in te grijpen - en dus informatie te delen met de politie - in situaties waarin hij of zij oordeelt dat de integriteit van jongeren of anderen in gevaar is. Het spreekt echter voor zich dat de jeugdwerker de enige is die deze inschatting mag en kan maken, en dat het zetelen in een LIVC wel degelijk een schending inhoudt van de deontologische code. In onze jeugdwerkingen creëren we ruimtes en omstandigheden waar jongeren zich goed voelen en kunnen experimenteren met hun identiteit, zoals we dat al jaren doen. Als steunpunt ondersteunen wij jeugdwerkers zodat zij ook moeilijke gesprekken met jongeren kunnen voeren en hen kunnen begeleiden in hun zoektocht naar wie ze zijn en welke plaats zij willen opnemen in de samenleving. Dit kan alleen maar mogelijk zijn als de jeugdwerker zijn discretieplicht kan behouden en niet als hij de rol van agent moet overnemen. Het jeugd(welzijns)werk zijn nog één van de weinige plaatsen waar kwetsbare kinderen en jongeren zich veilig voelen, de jeugdwerkers is een vertrouwenspersoon voor hen, neem net die veilige plekken en personen van onze kinderen en jongeren niet af.Ikrame Kastit co-coördinator en Nina Henkens stafmedewerker bij Uit De Marge-CMGJ. vzwUit De Marge vzw, Netwerk voor jeugdwerk en jeugdbeleid met kinderen en jongeren in maatschappelijk kwetsbare situaties & CMGJ vzw, Het centrum voor maatschappelijke gelijkheid en jeugdwelzijn