Het decreet werd afgelopen voorjaar goedgekeurd. De plannen maken een einde aan de tijd van de basismobiliteit, waarbij iedere Vlaming op enkele honderden meters van zijn deur een bus- of tramhalte moest hebben. Er wordt plaats gemaakt voor een meer vraaggestuurde aanpak met inbreng van de lokale besturen. Het openbaar vervoer wordt ingedeeld in verschillende lagen. Zo komt er een 'kernnet' met de voorstedelijke en interstedelijke verbindingen. Het aanvullende net takt aan op het kernnet en maakt bijvoorbeeld verbindingen met buitenwijken en kleinere kernen. De derde laag bestaat uit vervoer op maat: de invulling van de 'last mile'. Het gaat dan om lokale of private initiatieven die inspelen op een heel particuliere nood, zoals belbussen en deelfietsen. Vlaanderen wordt ook opgedeeld in 15 vervoersregio's. Die regio's dienen als een soort overlegorgaan, waarbinnen de vertegenwoordigers van de gemeenten maandelijks aan tafel zullen schuiven met andere mobiliteitsactoren, zoals het Departement Mobiliteit en Openbare Werken, De Lijn en het Agentschap Wegen en Verkeer. Vier vervoersregio's hebben al uitstel gevraagd, laat Lydia Peeters donderdag weten. "Van 12 vervoersregio's stelde het begeleidende studiebureau mijn administratie in kennis dat de timing niet haalbaar is. Enkel Leuven en Antwerpen zitten als regio op schema." Antwerpen zou het systeem als allereerste invoeren, bij wijze van proefproject. Peeters stelt nu dat een invoering begin 2021 niet haalbaar is. Het plan wordt nu ten vroegste begin 2022 uitgevoerd, maar ook dan blijft de uitdaging groot, zegt de minister. "Het voorstel is dat alle gemeenteraden ten laatste in juni 2020 de vervoersplannen goedkeuren. Pas na deze goedkeuring kan De Lijn aan de slag om dit om te zetten in een aangepast systeem voor het kernnet en het aanvullend net. De Lijn heeft hier ook één jaar voor nodig." De mobiliteitscentrale, die alles moet coördineren, kan wellicht pas in het voorjaar van 2021 worden getest. (Belga)