Het Bauhaus stelt dus helemaal niks voor.' In dit jaar, waarin de honderdste verjaardag van het Bauhaus groots wordt gevierd, klinkt die zin als een middelgrote heiligschennis. Maar aangezien dit oordeel van maart 1920 dateert en destijds door een zekere Paul van Ostaijen werd geveld, die het Bauhaus even daarvoor met eigen ogen had gezien, kreeg ik hem toch niet uit mijn hoofd toen ik onlangs het nieuwe Bauhaus Museum in Weimar bezocht.
...

Het Bauhaus stelt dus helemaal niks voor.' In dit jaar, waarin de honderdste verjaardag van het Bauhaus groots wordt gevierd, klinkt die zin als een middelgrote heiligschennis. Maar aangezien dit oordeel van maart 1920 dateert en destijds door een zekere Paul van Ostaijen werd geveld, die het Bauhaus even daarvoor met eigen ogen had gezien, kreeg ik hem toch niet uit mijn hoofd toen ik onlangs het nieuwe Bauhaus Museum in Weimar bezocht. De nieuwe permanente tentoonstelling staat tjokvol met de meest waanzinnige ontwerpen voor bijvoorbeeld kinderwiegen, oncomfortabel ogende kleding, maar vooral met meubels die inmiddels zo gewoon zijn geworden dat wij ze in allerhande varianten in huis hebben staan. Het heldere design, ontdaan van alle onnodige franje, uitgevoerd in lichte materialen die voor democratische prijzen tot in het oneindige te reproduceren zijn, dat is de blijvende invloed van het Bauhaus. Om dat nu 'helemaal niks' te noemen... Ik begon de uitspraak van Van Ostaijen pas wat beter te begrijpen in de tentoonstelling bij de buren, bij het Neues Museum Weimar, waar de voorgeschiedenis van het Bauhaus uit de doeken wordt gedaan. Ziedaar het eerste bezwaar van Van Ostaijen: Walter Gropius stichtte in het voorjaar van 1919 het Bauhaus niet, maar plakte veeleer een nieuwe naam op een bestaande provinciale kunstopleiding, die tot overmaat van ramp ook nog was geleid door Henry Van de Velde. Niets ten nadele van die Gentse ontwerper en architect, maar als je in 1920 Paul van Ostaijen heet en in het revolutionaire Berlijn ongeduldig wacht op het moment waarop de wereld eindelijk afscheid neemt van het oude om ruim baan te geven aan het nieuwe, dan heb je geen boodschap aan een afdankertje van Van de Velde. En dat leidt meteen tot het tweede bezwaar. Weimar was in de ogen van Van Ostaijen een laffe ontsnappingsroute. Na het aftreden van de keizer was de Nationale Vergadering al uitgeweken naar Weimar om daar de eerste Duitse republiek op te richten, bang als men was voor de te verwachten onlusten in het onrustige Berlijn. En nu gingen ook de revolutionaire kunstenaars, zoals Walter Gropius en Van Ostaijens nieuwe vrienden Lyonel Feininger en Georg Muche, een voor een naar de parmantige stad van Goethe en Schiller. De revolutionairen waren weer eens gezwicht voor postjes. Als je het lot van het Bauhaus bekijkt, had Van Ostaijen misschien wel een punt. In 1925 werd het Bauhaus door de Thüringer regering wegbezuinigd, na de heropstart in Dessau werd de school in 1932 door de plaatselijke nazi's afgeschaft, en een jaar later zwichtte ze als privé-instelling in Berlijn definitief onder de politieke druk. Wie een nieuw huis wil bouwen, kan beter met de fundering beginnen.