Toen Robert Stouthuysen begin augustus contact opnam met onze redactie bezorgde hij ons een opmerkelijk plan voor de universiteit van de toekomst, een cruciaal vraagstuk in onze kennismaatschappij. Stouthuysen kan mooie adelbrieven voorleggen: niet alleen legde hij een indrukwekkend parcours af bij Janssen Pharmaceutica, waar hij eindigde als voorzitter van de raad van bestuur, hij was ook voorzitter van het Leuvense Universitair Ziekenhuis en in de late jaren zeventig van het VEV (de voorloper van het huidige Voka). Hij is bijna negentig, zeer lucide, en trekt nog altijd aan de kar van de vooruitgang. Maar hij luidt ook de alarmbel: als we niet opletten, verzinken onze universiteiten verder in een moeras van zelfgenoegzaamheid.
...

Toen Robert Stouthuysen begin augustus contact opnam met onze redactie bezorgde hij ons een opmerkelijk plan voor de universiteit van de toekomst, een cruciaal vraagstuk in onze kennismaatschappij. Stouthuysen kan mooie adelbrieven voorleggen: niet alleen legde hij een indrukwekkend parcours af bij Janssen Pharmaceutica, waar hij eindigde als voorzitter van de raad van bestuur, hij was ook voorzitter van het Leuvense Universitair Ziekenhuis en in de late jaren zeventig van het VEV (de voorloper van het huidige Voka). Hij is bijna negentig, zeer lucide, en trekt nog altijd aan de kar van de vooruitgang. Maar hij luidt ook de alarmbel: als we niet opletten, verzinken onze universiteiten verder in een moeras van zelfgenoegzaamheid. Als onderzoeksinstellingen behoren ze nog altijd tot de top, zo geeft Stouthuysen toe, maar als motoren van kennisoverdracht schieten ze lelijk tekort. Ze zijn niet klaar voor de 'disruptieve schokgolf' van de digitalisering. De efficiëntiewinsten die Amerikaanse universiteiten als Harvard of Stanford boeken met interactief online onderwijs zijn aanzienlijk. Maar als het gaat over het bijbrengen van kennis - toch een van de kernopdrachten van het hoger onderwijs - leven we in Vlaanderen, en ver buiten Vlaanderen, nog in de middeleeuwen. Stouthuysen spreekt van 'digifobie', maar ook van gemakzucht, zoals u in het interview met hem deze week in Knack kunt lezen: 'Als docenten hun cursussen systematisch online moeten zetten, kan iedereen zich vergewissen van de kwaliteit. Zijn ze mee met de ontwikkelingen in hun vakgebied, of verkopen ze oude koek? Daar zijn heel wat Vlaamse professoren dus bang voor.' Stouthuysen staat met zijn kritiek op de gebrekkige, dure en weinig doeltreffende kennisoverdracht niet alleen. In zijn nieuwste boek 21 lessen voor de 21e eeuw wijdt de veelbesproken historicus en bestsellerauteur Yuval Noah Harari ook een hoofdstuk aan ons verouderde onderwijssysteem, dat hij als een erfenis van de industriële revolutie beschouwt - een soort van lopendebandonderwijs. 'Midden in de stad staat een groot betonnen gebouw', zo schetst Harari onze lesfabrieken, 'dat is onderverdeeld in heel veel identieke lokalen, elk voorzien van rijen tafeltjes en stoelen. Als er een bel klinkt, ga je naar een van die lokalen, samen met dertig andere kinderen, die allemaal in hetzelfde jaar geboren zijn als jij. Elk uur komt er een of andere volwassene binnen, die vervolgens begint te praten.' Harari heeft het over het lager of middelbaar onderwijs, maar zo heel erg anders zijn de praktijken in het hoger onderwijs niet. De Israëlische denker zegt dat we nog steeds geen werkbaar alternatief hebben, maar wijst wel op de hyperflexibiliteit die onze jongvolwassenen in de toekomst nodig zullen hebben. Het is natuurlijk niet zo dat iedereen in het hoger onderwijs ligt te slapen. Stouthuysen noemt zelf de MBA-opleiding van de Vlerick Business School, die volledig online kan worden gevolgd. U kunt deze week in Knack ook een interview met de Vlaamse emeritus hoogleraar Paul Sergeant lezen, die hoge ogen gooit met zijn online cursussen hartchirurgie. In een heel ander domein kreeg de MOOC - massive open online course - Middelnederlands van de Universiteit Antwerpen zopas de Jaarprijs Wetenschapscommunicatie van de Koninklijke Academie van België voor zijn 'grote inspanning om middeleeuwse werken weer tot leven te brengen'. En als het gaat over de vulgarisering van de wetenschap zijn zowel de TED-talks als de filmpjes van de Universiteit van Vlaanderen een schot in de roos, qua inhoud en qua bereik. De grote nadruk die Stouthysen legt op nieuwe technologie om het oude lopendebandmodel te vervangen klinkt soms te optimistisch. De efficiëntiewinsten zijn duidelijk, maar het zou jammer zijn mocht de 'universitas', de gemeenschap van een groot aantal docenten en studenten die samen op één plek en gedurende lange tijd hun kennis, ervaringen, twijfels en spontane invallen uitwisselen, helemaal verdwijnen. Ook bij de democratisering die de (gratis) online platformen volgens Stouthuysen met zich meebrengen, kun je een kanttekening plaatsen: er vallen zeker belangrijke hindernissen weg, maar gratis online cursussen zullen niet voldoende zijn om gelijke onderwijskansen te creëren. Het is Stouthuysens grote verdienste dat hij het 'leren leren' opnieuw centraal stelt en verknoopt met nieuwe technologie. Maar in andere sectoren heeft de nieuwe technologie tot nog toe vaak méér ongelijkheid gecreëerd, eerder dan minder. Het is een taak van de overheid om ervoor te zorgen dat het in het onderwijs anders loopt.