Gevraagd naar de moeilijkheden die de hulpdiensten hebben ondervonden bij de reddingsacties tijdens de overstromingen in Wallonië, wees Waals minister-president Elio Di Rupo (PS) al op 16 juli met een beschuldigende vinger naar de hervorming die voormalig minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon (N-VA) in 2019 bij de civiele bescherming had doorgevoerd.
...

Gevraagd naar de moeilijkheden die de hulpdiensten hebben ondervonden bij de reddingsacties tijdens de overstromingen in Wallonië, wees Waals minister-president Elio Di Rupo (PS) al op 16 juli met een beschuldigende vinger naar de hervorming die voormalig minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon (N-VA) in 2019 bij de civiele bescherming had doorgevoerd. 'Het spreekt voor zich', zei Di Rupo toen op de RTBF, 'dat die hervorming een grote vergissing was.' En verder: 'Dat huizen zijn ondergelopen of ingestort, is de kracht van het water. Maar dat we niet in staat zijn gebleken de slachtoffers uit hun huizen te redden, daaruit moeten we lessen trekken.' Andere Franstalige toppolitici herhaalden nadien varianten op Di Rupo's woorden, en ook minister van Binnenlandse Zaken Annelies Verlinden (CD&V) gaf intussen aan dat er moet worden bijgestuurd. Dat mag niet verbazen. Al bij haar aantreden had de minister een evaluatie van de hervormde civiele bescherming in het vooruitzicht gesteld. De civiele bescherming, de federale dienst die herkenbaar is aan het logo met een blauwe driehoek in een oranje cirkel, helpt de bevolking bij grootschalige rampen zoals ongevallen, branden of overstromingen. Onder de regering-Michel werd de civiele bescherming in 2017 hertekend. Voortaan moesten afgeslankte teams met gespecialiseerd materiaal eerstelijnshulpdiensten als de brandweer en de politie ondersteunen. Van de zes Belgische kazernes werden er vier gesloten. Bij het vaste personeel werd ruim 30 procent wegbezuinigd. Van de circa 500 beroepsagenten blijven er vandaag nog 313 over (in theorie, het personeelskader is maar voor 70 à 80 procent volledig), verspreid over de twee resterende kazernes van Brasschaat en Crisnée. Het aantal vrijwilligers op wie de civiele bescherming kan rekenen zakte van 600 naar 200. Tegelijk werd het takenpakket afgebouwd en voor een stuk naar de brandweer overgeheveld. Er kwam destijds veel protest tegen de sluiting van de kazernes. Verder rezen er ook vragen over de keuze voor Brasschaat - 'toevallig' de woonplaats van Jan Jambon, aldus Tony Six, federaal secretaris bij de socialistische vakbond ACOD. Ook Crisnée was niet onbesproken, vanwege de lange aanrijtijden indien er iets zou gebeuren in bijvoorbeeld de provincie Henegouwen met haar 25 zogenaamde sevesobedrijven - bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen. Minister Jambon verwees voor het behoud van de kazerne in Brasschaat naar de nabijheid van de Antwerpse haven en het grote aantal chemische bedrijven die daar gevestigd zijn. 'Maar eigenlijk was het een zuiver politieke keuze', zegt Six. 'Het gebouw in Brasschaat is verouderd en te klein, terwijl de kazerne van Liedekerke net helemaal was gemoderniseerd.' Een bron uit de vorige regering-Michel verdedigt de hervorming. 'De afslanking van de civiele bescherming was geen hervorming tégen iets, maar de logische uitloper van eerdere hervormingen. Daarbij zijn zogenaamde lokale hulpverleningszones in het leven geroepen, met goed uitgeruste en professionele brandweerkorpsen, die instaan voor alle aspecten van het veiligheidsbeleid, ook op het vlak van rampen. De rol van de civiele bescherming is daardoor eerder ondersteunend en gespecialiseerd geworden, met name in de bestrijding van rampen met gevaarlijke stoffen. Denk aan een gekantelde vrachtwagen met radioactief afval uit een ziekenhuis, of een gifwolk die ontsnapt', aldus de gewezen excellentie. Tijdens hoorzittingen in de Kamercommissie Binnenlandse Zaken eind 2019 werd de werking van brandweer, civiele bescherming en noodcentrales onder de loep genomen. Manco's die daar zijn besproken: de civiele bescherming zou te veel tijd stoppen in niet-dringende taken voor de politie, zoals de vernietiging van cannabisplantages en drugslabs. Dat zijn ook taken die weinig met haar oorspronkelijke roeping te maken hebben. Door de lange aanrijtijden als gevolg van de sluiting van vier kazernes zouden lokale hulpverleningszones vaak zelfs geen beroep meer doen op de civiele bescherming, maar privébedrijven oproepen om bijvoorbeeld het wegdek schoon te maken na een zwaar verkeersongeval. Duur materieel blijft daardoor ongebruikt in de kazernes staan. En doordat bij de hervorming veel personeelsleden naar de brandweer zijn overgestapt en nieuw personeel rekruteren lastig blijkt, is veel expertise en mankracht verloren gegaan. 'De civiele bescherming kan haar kerntaak, de bescherming van de burgers, niet meer naar behoren uitoefenen', zegt vakbondsman Six. Hij verdenkt de Vlaams-nationalist Jambon ervan doelbewust de federale civiele bescherming te hebben uitgehold, om die op termijn overbodig te maken. Klopt helemaal niet, zegt Olivier Van Raemdonck, woordvoerder van huidig Vlaams minister-president Jambon, een functie die hij destijds ook bij Binnenlandse Zaken bekleedde. 'Vóór de hervorming was de civiele bescherming op sterven na dood. Er was een heel slechte taakverdeling met de brandweer, de bezoldiging was barslecht - bij de hervorming hebben we de lonen van de civiele bescherming gelijkgeschakeld met die van de brandweer - en het aanzien van de dienst zat op een dieptepunt. Niemand wilde er nog gaan werken. De hervorming van Jambon was uitdrukkelijk geen besparingsoperatie maar een oefening in efficiëntie, met het oog op een beter opgeleid, gespecialiseerd korps, met welomschreven taken en modern materieel. Dat heeft de civiele bescherming een nieuw elan gegeven.' Van Raemdonck erkent dat er vandaag misschien dingen verkeerd lopen, maar vindt het 'intellectueel oneerlijk' om dat op het conto van een hervorming van vijf jaar geleden te schrijven. 'Mogelijk is de hervorming niet helemaal goed in praktijk omgezet. Daarover spreek ik me niet uit. Wel is het zo dat Di Rupo zich na zijn felle kritiek deze zomer bij ons informeel heeft verontschuldigd.' Hoewel ze erg kritisch tegenover de hervorming van Jambon staat, kan ook Joëlle Brouillard zich niet vinden in de kritiek die Di Rupo na de overstromingen uitte. De vertegenwoordiger van de socialistische vakbond CGSP en ploegleider in de kazerne van Crisnée werkte in de nacht van 14 juli, toen het water in de Vesdervallei spectaculair begon te stijgen. 'De omstandigheden waren zo extreem dat het vaak gewoon te gevaarlijk was voor interventies. De stroming was te sterk, overal dreven auto's en afval en sommige dorpen waren van de wereld afgesneden. Niemand raakte erbij, ook de brandweer en het leger niet. We hebben die nacht wel degelijk mensen uit het water gered, met de acht mensen die zijn opgeleid om te werken met onze Flood Rescue Using Boats-module (FRUB). We dachten dat we die module, die is bedoeld om mensen en dieren te evacueren in overstroomde gebieden, eigenlijk alleen voor internationale missies zouden gebruiken. En in principe hadden we daarvoor zestien getrainde mensen in onze kazerne moeten hebben, maar door corona hebben de opleidingen vorig jaar niet plaatsgevonden.' Uiteindelijk werden vanuit Crisnée de eerste nacht zes boten ingezet voor de duizenden mensen die vastzaten in de getroffen gemeenten. 'Als we met meer waren geweest, hadden we misschien meer kunnen doen,' zegt Brouillard, 'maar ook onze Luxemburgse collega's aan wie we versterking hadden gevraagd, raakten nauwelijks door het kolkende water.' In de dagen na de watersnood waren er dagelijks 80 à 130 agenten van de civiele bescherming uit Crisnée en Brasschaat in het rampgebied aan het werk, onder meer met sterke pompen om ondergelopen gebouwen en tunnels leeg te maken. Ook Fabien Beltran, PS-burgemeester van het zwaar geteisterde Trooz, heeft geen boodschap aan de polemiek omtrent de civiele bescherming. 'Ik zou niet weten wat Elio Di Rupo heeft gezegd. Ik doe aan lokale politiek in Trooz. Wat er op het Waalse en het federale niveau gebeurt, interesseert me niet. Ik heb mijn handen meer dan vol met mijn eigen gemeente.' De hulpdiensten waren later ter plaatse dan Beltran had gewenst, 'maar ik kan niet zeggen wiens schuld dat is. Alleen al in mijn gemeente moesten 2000 inwoners worden geëvacueerd op een oppervlakte van 7 vierkante kilometer. Met 4 agenten van de civiele bescherming, 8 brandweermannen en 8 militairen? Dat is zoals het water in de zinkende Titanic wegscheppen met een koffielepeltje. Volgens mij zijn de civiele bescherming, de brandweer en het leger voor dit soort rampen niet toegerust. We hebben zoiets nog nooit meegemaakt. Hun bootjes met motoren van 20 pk zijn niet opgewassen tegen een stroming van 800 kubieke meter per seconde. Maar ik weet eerlijk gezegd niet welke lessen je hieruit moet trekken. Zelfs als iedereen in Trooz aanwezig zou zijn geweest, alle brandweerkorpsen en de hele civiele bescherming, zou het niet voldoende zijn geweest. En ik begrijp wel dat de federale overheid geen 2000 sterke boten zal kopen voor de civiele bescherming als ze misschien één keer om de honderd jaar zullen worden gebruikt.' In Trooz zaten mensen urenlang op hun daken, het gemeentepersoneel inbegrepen. 'De brandweer, de civiele bescherming en het leger hebben in Trooz samen hooguit enkele honderden mensen ontzet', aldus burgemeester Beltran. 'De overige 1500 hebben zich moeten behelpen, vaak met de hulp van vrachtwagens, kranen en tractoren van onze eigen ondernemers, bouwvakkers en landbouwers.' Op alle beleidsniveaus wordt nagedacht over hoe onze hulpdiensten beter kunnen worden uitgerust en aangestuurd bij natuurrampen. Extreem weer, voorspellen klimaatwetenschappers, zal ons in de toekomst immers vaker teisteren. Ook Cathy Berx breekt zich er het hoofd over. 'Wat als Antwerpen door zulke immense regenbuien was getroffen?' zegt de Antwerpse gouverneur. 'Dat is een vraag die me bezighoudt, en waar we met de Dienst Noodplanning en partners over zullen doordenken. Hoe zouden we hebben kunnen voorkomen dat mensen het leven laten? Zouden we tijdig over de nodige middelen hebben kunnen beschikken? Hoe zouden we de interactie tussen de federale, provinciale en lokale veiligheidscellen hebben georganiseerd? Hoe zouden we een zo scherp mogelijk beeld van het terrein hebben gekregen, rekening houdend met de waarschijnlijke uitval van communicatiemiddelen en elektriciteit? Hoe zouden we onmiddellijk een zicht hebben gehad op de inzetbaarheid van private middelen?' Berx werkt zelf op dit soort onderzoeksvragen en maakte ze over aan de opleiding Veiligheidswetenschappen van de UAntwerpen en aan Campus Vesta, het opleidingsinstituut voor brandweer, politie en ambulanciers. Ze heeft ook simulaties besteld van gebieden die gevoelig zijn voor overstromingen. 'Om precies te weten over welk gebied we het hebben, en hoeveel inwoners daar bijvoorbeeld overdag aanwezig zijn, werknemers en schoolkinderen uit andere gemeenten meegeteld.' Hebben de besparingen bij de civiele bescherming gevolgen gehad voor de hulpverlening tijdens de watersnood in Wallonië? Berx nuanceert. 'De kazerne van de civiele bescherming in Wallonië ligt in Crisnée, dicht bij het getroffen gebied. Daaraan kan het alvast niet gelegen hebben. Bovendien werken bij de civiele bescherming, zowel voor als na de hervorming van Jambon, slechts enkele honderden agenten. Maar er zijn 18.000 brandweermensen in België. Het niet-efficiënt inzetten van de brandweer weegt dus in alle omstandigheden véél zwaarder door, al zeg ik niet dat dit hier het geval was.' Wel denkt Berx dat 'de grootste humanitaire ramp van deze eeuw' de noodzaak van een eengemaakte bevelstructuur voor de brandweer én de civiele bescherming aan het licht heeft gebracht. 'Ik vrees dat die nodig is bij dit soort rampen, in combinatie met een duidelijk mandaat voor een interfederaal, transdisciplinair crisiscentrum in de aanpak van de crisis, onder de verantwoordelijkheid van de premier, of de premier en de ministers-presidenten.' Bij zulke massieve rampen zijn immers heel veel departementen en diensten betrokken, die heel gefocust moeten blijven samenwerken. Meer in het algemeen, aldus Berx, laten de coronapandemie en de overstromingsramp zien dat de samenleving baat heeft bij 'een verscherpte veiligheidscultuur' en een grotere alertheid in verband met collectieve gezondheidsrisico's en andere gevaren. 'Dat begint met een beter inzicht in en het structureel helpen voorkomen van die risico's. Overheidscommunicatie in wat-als-scenario's, ook op scholen en op de werkvloer, kan daarbij helpen. Wat als het wekenlang erg droog en heet is? Wat als het wekenlang regent en overstromingen dreigen? Wat als het ICT-netwerk dagenlang platligt of de stroom uitvalt? Bedoeling is niet om mensen angst aan te jagen, wel om hun veerkracht te versterken.'