Toen ik op de middelbare school zat en later aan de universiteit studeerde, was ik vaak eenzaam. Ik had nooit een lief, en weinig vrienden. Mijn jaren aan de universiteit in Gent lijken vandaag nog het meest op één grote leegte: ik had zelfs niet altijd iemand om op de eerste dag van de lente mee buiten te komen. Dat is sindsdien danig veranderd: u, en mijn moeder die meeleest, hoeft zich over mij al lang geen zorgen meer te maken. (Pas als de mediasector helemaal failliet is, zal ik daar een schreeuwer...

Toen ik op de middelbare school zat en later aan de universiteit studeerde, was ik vaak eenzaam. Ik had nooit een lief, en weinig vrienden. Mijn jaren aan de universiteit in Gent lijken vandaag nog het meest op één grote leegte: ik had zelfs niet altijd iemand om op de eerste dag van de lente mee buiten te komen. Dat is sindsdien danig veranderd: u, en mijn moeder die meeleest, hoeft zich over mij al lang geen zorgen meer te maken. (Pas als de mediasector helemaal failliet is, zal ik daar een schreeuwerig getuigenissen-annex zelfhulpboek over schrijven.) Maar zoals iemand die in zijn jeugd armoede heeft gekend voor de rest van zijn leven geld blijft tellen, zal iemand die vroeger eenzaam was voor altijd een half oog houden op zijn agenda. Heb ik deze week wel genoeg avonden iets te doen? In het weekend is er toch geen dag waarop ik helemaal niemand zie? Altijd bang om weer in diezelfde put van vroeger terecht te komen. Enter covid-19. Het nadeel van zo'n overgebleven gevoeligheid is vaak overcompensatie. Ik lees minder boeken dan ik zou moeten, en ik kijk minder televisie dan ik zou willen omdat ik mijn agenda volschrijf met afspraakjes. Dat is sinds twee weken niet meer mogelijk, nu het hoogtepunt van mijn sociale leven er de afgelopen dagen uit bestond een vriend tegen te komen in de supermarkt die op zoek was naar toiletpapier. Terwijl ik tot voor heel kort vaak met vrienden wilde zijn als ik alleen was, en even graag alleen als ik met vrienden was, heeft Marc Van Ranst die paradox voor mij opgelost. De druk om deze lente eender wat te doen is helemaal verdwenen. Ik kan niet zeggen dat dit mij niet bevalt. Ik voel mij zoals wanneer ik elk jaar enkele dagen alleen met vakantie ben. Wederom blijkt dat ik het uitzonderlijk goed met mezelf kan vinden - iets wat de trouwste lezers van deze column al wel vermoedden. Hoewel ik zonder stotteren tien mensen kan opnoemen die ik heel graag zie, zou het overdreven zijn om te beweren dat ik ze nu ook heel erg mis. Ze zijn allemaal gezond en wel, dat helpt. Ik ben al helemaal gelukkig met het feit dat ik vandaag alleen woon, en niet met iemand opgescheept zit die mij tegen de middag vraagt of ik niet eens een broek wil aantrekken. Wat leer ik hieruit? Helemaal niets, natuurlijk. Zodra het sociale leven zich buiten op gang trekt, zal ook ik weer de onweerstaanbare drang voelen om daar deel van uit te maken. Met evenveel plezier, trouwens, als waarmee ik nu binnen zit.