Hervormingen die ik lanceerde toen ik twintig jaar geleden voor gezondheidszorg bevoegd was, zijn achteraf weer stilgevallen. Dat wil ik niet meer meemaken', zegt vicepremier en minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken Frank Vandenbroucke (Vooruit). 'Daarom wil ik ervoor zorgen dat de hervormingen die we nu op de sporen zetten niet meer tegen te houden zijn.'
...

Hervormingen die ik lanceerde toen ik twintig jaar geleden voor gezondheidszorg bevoegd was, zijn achteraf weer stilgevallen. Dat wil ik niet meer meemaken', zegt vicepremier en minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken Frank Vandenbroucke (Vooruit). 'Daarom wil ik ervoor zorgen dat de hervormingen die we nu op de sporen zetten niet meer tegen te houden zijn.' De vraag is wat Vandenbroucke nog kan doen in de twee jaar die hem in deze regeerperiode resten. Hij had gehoopt dat hij al verder zou staan met de voorbereiding en uitvoering van zijn plannen, maar ook daar stak covid een stokje voor. 'Het virus is weerbarstig en zorgt steeds weer voor vervelende verrassingen. Dat is ook voor mij een grote teleurstelling', zegt hij. 'De vaccins zijn buitengewoon krachtig gebleken, maar op dit moment volstaan ze niet. We zullen dus nog lang tegen dit virus moeten vechten en dat vergt enorm veel energie van ons allemaal. Ook van mij. Doordat ik daar het voorbije jaar van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat mee bezig was, heb ik in andere dossiers vertraging opgelopen.' In welke domeinen had u verder willen staan? Frank Vandenbroucke: In de eerste plaats met de hervorming van de ziekenhuisfinanciering. Tijdens de pandemie is opnieuw gebleken hoe anachronistisch en hopeloos ingewikkeld dat systeem is. Dat was al zo toen ik de eerste keer op dit departement zat, en ondertussen is het nog veel complexer geworden. Er is een nieuwe, grote hervorming nodig, maar dat vergt veel tijd. Misschien wel tien jaar. Daarom is het essentieel dat we een versnelling hoger schakelen. Tegen het eind van deze maand moet er een plan van aanpak zijn. Wat moet er dan anders? Vandenbroucke: Het huidige systeem bevat een rist perverse financiële prikkels die tot overconsumptie aanzetten. Dat het niet kapseist, hebben we te danken aan de deontologie van het gros van de artsen. We moeten er dus voor zorgen dat het huidige patroon van overconsumptie niet in het nieuwe systeem wordt gebetonneerd. Daarbij denk ik vooral aan medische beeldvorming en klinische laboratoriumtests. Er gebeuren in die sectoren overdreven veel onderzoeken, van scans en radiografieën tot bloedtests. Om daar iets tegen te doen, moeten er niet alleen richtlijnen voor goede praktijken worden uitgewerkt, maar is er een financieringssysteem nodig dat de juiste prikkels geeft. Als we niet tot een correct niveau van productie en consumptie komen, zal elke toekomstige ziekenhuisfinanciering van een verkeerde basis vertrekken. Daarnaast wilt u ook de vergoedingen van artsen hervormen? Vandenbroucke: Dat is onlosmakelijk met de hervorming van de ziekenhuisfinanciering verbonden. Bij de vergoeding van medische prestaties die in ziekenhuizen gebeuren, worden twee zaken gemengd: het werk van de arts die een patiënt behandelt en de investeringen in onder meer medische apparatuur. Daardoor worden artsen en ziekenhuizen ertoe aangezet om almaar meer te produceren. Willen we daar iets aan doen, dan moeten we de manier aanpassen waarop artsen worden vergoed. Dat zal die vergoeding ook rechtvaardiger maken, want de kloof tussen de vergoeding van bijvoorbeeld een nefroloog en een geriater is groot. Voor een stuk komt dat doordat die nefroloog met hele dure apparatuur werkt, maar ook het systeem is kromgegroeid. Al sinds 2019 werken wetenschappelijke equipes aan de herijking van de nomenclatuur (de lijst van de medische prestaties en de vergoedingen die daartegenover staan, nvdr), maar ook die moet nu worden versneld. Tegen eind 2023 moet de analyse klaar zijn. Anders blijven we bezig. Moeten ook de vaak torenhoge ereloonsupplementen die voor eenpersoonskamers worden aangerekend op de schop? Vandenbroucke: Het is onaanvaardbaar dat die supplementen blijven stijgen. Ziekenhuisbeheerders en artsen beweren dat ze niet anders kunnen. Ze zouden de inkomsten nodig hebben omdat de financiering van de overheid niet volstaat. Dat klopt maar half. Hoe verklaar je anders dat sommige ziekenhuizen veel hogere supplementen aanrekenen dan andere terwijl ze allemaal op dezelfde manier worden gefinancierd? Het ligt voor de hand dat we een rem op die supplementen moeten zetten en ze op termijn zelfs moeten afbouwen. Artsen die gedeconventioneerd zijn, rekenen ook in hun praktijk hoge ereloonsupplementen aan. Hebt u plannen om dat aan te pakken? Vandenbroucke: Grote verklaringen wil ik daar niet over afleggen, maar het houdt me wel bezig. Momenteel worden de tarieven voor medische prestaties door artsenvertegenwoordigers en ziekenfondsen in een conventie vastgelegd. Elke arts kan al dan niet gedeeltelijk uit die conventie stappen en hogere tarieven aanrekenen. Het resultaat is een erg ondoorzichtig systeem, waarvan je je kunt afvragen of het nog wel van deze tijd is. Al moeten we ook nagaan waarom artsen zich deconventioneren. In sommige specialisaties komt dat vooral door lacunes in de terugbetaling. Dat is meteen de reden waarom zo veel tandartsen gedeconventioneerd zijn: een aantal frequente prestaties wordt niet of amper vergoed. Daarom gaan we vanaf volgend jaar 45 miljoen euro in mond- en tandzorg investeren. Hopelijk zal dat tandartsen ertoe aanzetten zich meer te conventioneren. Die investering zal ook de toegankelijkheid van mond- en tandzorg verhogen, want dat is nodig. Zo is het mijn bedoeling om de leeftijdsgrenzen voor preventieve onderzoeken op te heffen. Vandaag worden mondonderzoeken maar tot 67 jaar terugbetaald. Daarnaast moeten we verdere stappen zetten in de terugbetaling van nieuwe technieken, zoals bruggen en kronen. Is er niet meer nodig om ervoor te zorgen dat Belgen minder vaak medische zorgen uitstellen omdat ze die te duur vinden? Vandenbroucke: Wat de betaalbaarheid van medische zorgen betreft, staan er nog een paar initiatieven op stapel. Om te beginnen kunnen alle artsen, tandartsen, logopedisten en andere zorgverleners binnenkort beslissen om alleen het remgeld aan te rekenen. Als patiënt hoef je de rest van de vergoeding dan niet meer voor te schieten tot je ze van het ziekenfonds terugkrijgt. Dat systeem is al verplicht voor ziekenhuisopnames en voor patiënten met een verhoogde tegemoetkoming, maar straks zullen zorgverleners het voor ál hun patiënten kunnen toepassen. Er gaan ook al stemmen op om het systeem te veralgemenen en de keuze dus niet aan de artsen over te laten. Principieel vind ik dat wel een goed idee, maar in het regeerakkoord hebben we er geen afspraken over gemaakt. Patiëntenorganisaties zouden ook graag zien dat de maximumfactuur (MAF), die de jaarlijkse medische kosten voor gezinnen tot een plafondbedrag beperkt, nog wordt uitgebreid. Vandenbroucke: Daarom wil ik het plafond voor de maximumfactuur verlagen voor de gezinnen met de laagste inkomens. In plaats van de huidige 450 euro zullen ze vanaf 1 januari maar 250 euro aan remgeld meer moeten hebben betaald voor de maximumfactuur in werking treedt en ze het remgeld voor alle volgende verstrekkingen helemaal terugbetaald krijgen. Op die manier zullen we naar schatting 95.000 Belgen kunnen helpen. Niet alle kosten waarmee een zieke wordt geconfronteerd zijn in de maximumfactuur opgenomen. Onder meer de rekening voor ziekenvervoer zou voor veel mensen een zware dobber zijn. Vandenbroucke: Ziekenvervoer is een groot probleem, want mensen worden vaak verrast door de hoge factuur. Volgend jaar wil ik al een eerste stap zetten door de terugbetaling te verhogen voor reeksvervoer, waarbij patiënten geregeld tussen hun huis en het ziekenhuis moeten worden vervoerd. Die terugbetaling is nu gepland voor specifieke doelgroepen, zoals kankerpatiënten, mensen die nierdialyse nodig hebben, premature baby's en de patiënten van sommige revalidatiecentra, maar op termijn moeten we daar nog verder in gaan. Niet alleen krijgen Belgische patiënten weleens een onverwacht hoge factuur in de bus, soms moeten ze ook lang op een doktersafspraak wachten. Vooral het tekort aan huisartsen wordt nijpend. Vandenbroucke: We debatteren nu al meer dan twintig jaar over de vraag hoe we het aanbod aan artsen het best kunnen beheersen. Hoog tijd om een eind te maken aan die tweespalt . We moeten vooral uit het aanslepende debat over de verschillende aanpak in het noorden en het zuiden van het land raken. In Vlaanderen hanteert men aan de ingang van de studie voor arts en tandarts al lange tijd een strikte filter, terwijl dat in Franstalig België niet gebeurt. Het liefst wil ik met de gemeenschapsregeringen zo snel mogelijk een akkoord bereiken over de manier waarop we de zaken in de hand kunnen houden. Lukt dat niet, dan zullen we er op federaal niveau over moeten beslissen. Daarnaast is de methode die we gebruiken om te bepalen hoeveel artsen mogen worden toegelaten aan vernieuwing toe. Toen dat systeem twintig jaar geleden werd opgezet, was dat vooral vanuit de bezorgdheid dat er te veel artsen zouden zijn. Ondertussen is de realiteit helemaal anders. Huisartsen, bijvoorbeeld, zijn terecht niet langer bereid om tachtig uur per week te werken. Wanneer er planningen worden gemaakt over het aantal artsen dat we in de toekomst nodig zullen hebben, moet ook daar rekening mee worden gehouden. Ik hoop echt dat we, samen met de gemeenschapsministers van Onderwijs en Volksgezondheid, een vergaande vernieuwing tot stand kunnen brengen. Zullen er in de toekomst meer artsen moeten worden toegelaten? Vandenbroucke:Dat denk ik wel. Ook Vlaanderen heeft het toegelaten aantal studenten in de basisopleiding geneeskunde overschreden. Ik heb laten weten dat het voor mij kan, op voorwaarde dat het overtal maximaal wordt ingezet op extra huisartsen en andere specialismen waaraan een tekort is. Het huidige tekort zullen we moeten uitzweten tot een nieuwe lichting artsen is afgestudeerd? Vandenbroucke: We moeten ervoor zorgen dat de huisartsen die al aan de slag zijn zich meer op hun kerntaken kunnen concentreren. Daarom discussiëren we nu over de afschaffing van het ziektebriefje bij korte afwezigheden en hebben we ook een online tool ingevoerd waarmee mensen zelf een gratis PCR-test kunnen bestellen. De vragen over covidtests en -vaccinaties waarmee huisartsen worden overspoeld, zouden dan weer door een verpleegkundige of zelfs door een goed opgeleide administratieve kracht kunnen worden beantwoord. Dat veronderstelt natuurlijk goed georganiseerde huisartsenpraktijken en een betere taakverdeling tussen de zorgberoepen. Nu almaar meer mensen met mentale problemen bij hun huisarts aankloppen, is het bijvoorbeeld essentieel dat hij of zij met psychologen kan samenwerken. Niet alleen om patiënten door te verwijzen, maar ook om over hen te overleggen. Ook apothekers kunnen artsen ondersteunen en zelfs taken van hen overnemen - op dat vlak ben ik van mening veranderd. Hoezo? Vandenbroucke: Toen ik de vorige keer minister van Sociale Zaken was, twijfelde ik aan de zin van apotheken. Waren dat niet louter winkels geworden? Hadden zij nog wel een rol te spelen in de zorg? Daar denk ik nu anders over. Voor veel mensen - zeker voor wie niet naar de huisarts gaat - zijn apotheken de toegangspoort tot de gezondheidszorg. Ze hebben dus wel degelijk een belangrijke rol en die moeten we ook herwaarderen. Zeker nu het alle hens aan dek is in de gezondheidszorg. Vandaar dat ik initiatieven neem om apothekers niet alleen toe te laten het griepvaccin zelf voor te schrijven en rechtstreeks aan de patiënt te leveren, maar ook om covidvaccins toe te dienen. Sommige artsen hebben het daar moeilijk mee. Op zich begrijp ik dat wel, maar we kunnen hen niet ontlasten als ze niet bereid zijn om sommige taken los te laten. Kunnen ook video- en teleconsultaties de werklast van artsen niet danig verminderen? Vandenbroucke: Tijdens covid hebben we ervoor gezorgd dat tele- en videoconsultaties terugbetaald konden worden, maar het is niet de bedoeling om daar in de toekomst mee door te gaan. Niet alleen omdat die aanpak op een aantal plekken tot onwaarschijnlijke overconsumptie heeft geleid, maar ook omdat een systeem waarbij er tegenover elke tele- of videoconsultatie een vergoeding staat gewoon niet werkt. Elke dag weer krijgen huisartsen een enorme stroom telefoons en e-mails van patiënten te verwerken. Sommige praktijken dreigen daar zelfs onder te bezwijken. Maar wil dat zeggen dat we al die contacten als consultaties moeten beschouwen? Natuurlijk niet. Hoe moet het dan wel? Vandenbroucke: In elk geval niet door elke prestatie apart te vergoeden. Dat is een model uit de vorige eeuw dat niet langer werkt in een tijd van telefoneren, mailen en videoconsultaties. Daarom heb ik nu een werkgroep opgericht onder leiding van professor huisartsgeneeskunde Ann Van den Bruel (KU Leuven), die tegen maart een advies klaar moet hebben over een fundamenteel nieuwe aanpak en financiering van telegeneeskunde. Ik wil niet op de zaken vooruitlopen, maar we zouden bijvoorbeeld kunnen beslissen om niet de contacten op zich maar wel de beschikbaarheid van een arts via telefoon, e-mail en videoconsultatie te vergoeden. Aan verpleegkundigen is er een nog groter gebrek. Sommige ziekenhuizen moeten zelfs afdelingen sluiten. Vandenbroucke: Dat is een van de redenen waarom ik niet gerust ben op de verdere ontwikkeling van de vierde covidgolf. Op papier hebben we tweeduizend bedden op de diensten voor intensieve zorg, maar sommige kunnen niet of toch niet goed worden gebruikt omdat er te weinig verpleegkundigen zijn. Ook dat tekort kunnen we niet in een handomdraai oplossen, maar we moeten het natuurlijk wel proberen. Zo zetten we met de middelen uit het Zorgpersoneelsfonds in op meer handen aan het bed. Daardoor kan er per ziekenhuisfunctie één extra verpleegkundige worden ingezet. Heeft dat wel zin als er veel te weinig mensen zijn om die vacatures in te vullen? Vandenbroucke: Om het beroep aantrekkelijker te maken, investeren we alvast een miljard euro in opleiding, betere arbeidsvoorwaarden en hogere lonen. We trekken specifiek voor zelfstandige verpleegkundigen nog eens 48 miljoen euro uit. Daarmee willen we mensen aantrekken om - al dan niet opnieuw - in het beroep te stappen. Dat is een historische inspanning, maar toch ben ik er niet euforisch over want het is lang niet zeker dat ze zal volstaan. Net als bij de huisartsen moeten we er ook voor zorgen dat verpleegkundigen die al aan het werk zijn zich meer op hun kerntaken kunnen richten. Daarom heb ik het de voorbije tijd mogelijk gemaakt dat ook niet-verpleegkundigen uitzonderlijk een aantal verpleegkundige taken mogen uitvoeren. Daar is veel tumult over geweest, maar in een tijd als deze moet je creatief met de taakverdeling in de gezondheidszorg durven om te gaan. Een ander punt van kritiek dat in de gezondheidszorgreeks van Knack geregeld werd aangehaald, is dat maar 2 procent van het Belgische gezondheidszorgbudget naar preventie gaat. Vandenbroucke: Dat komt vooral doordat onze gezondheidszorg gebaseerd is op een systeem waarbij een patiënt met een acuut gezondheidsprobleem naar een arts stapt, die hem of haar curatief behandelt en voor die prestatie wordt vergoed. Daardoor hebben we decennialang almaar meer geld in meer van hetzelfde gepompt, en dat moet nu stoppen. Bij het begrotingswerk van het RIZIV willen we een radicale verschuiving tot stand brengen, waarbij de verdeling van het budget gebeurt op basis van gezondheidsdoelstellingen (specifieke, meetbare doelstellingen die voor gezondheidswinst bij de Belgische bevolking moeten zorgen, nvdr). Hoe werkt die begroting nu? We gooien geld in een machine die het tussen de zorgverstrekkers en ziekenfondsen verdeelt. Die verdeling gebeurt te veel op basis van belangen en niet van zorgnoden. Van dat systeem moeten we af. Nu al wordt een deel van het budget ingezet op basis van gezondheidsdoelstellingen in plaats van het systematisch onder de verschillende sectoren te verdelen. In de toekomst moet dat nog veel meer gebeuren. Zal er dan vanzelf meer geld naar preventie gaan? Vandenbroucke: Om gezondheidsdoestellingen te bereiken, moeten we zowel op zorg als op preventie inzetten. Die twee kunnen niet van elkaar worden gescheiden. Onlangs bezocht ik in Leuven een samenwerkingsverband dat zwangere vrouwen opvolgt en adviseert. Er zijn zowel gynaecologen, vroedvrouwen en huisartsen als sociale diensten en verpleegkundigen van Kind & Gezin bij betrokken. Door die geïntegreerde aanpak worden aanstaande moeders met een verhoogd risico op complicaties sneller gedetecteerd en kan er dus sneller worden ingegrepen. Dát is de weg die we met onze gezondheidzorg uit moeten. Neem het probleem van obesitas bij kinderen. Er zijn al heel wat huisartsen, ziekenhuizen, psychologen en gespecialiseerde centra die daarmee bezig zijn, maar er bestaat geen traject waarbij kinderen die obesitas ontwikkelen er vroeg worden uitgepikt, het nodige advies krijgen en ook worden opgevolgd. Zo zouden we nochtans vaker kunnen vermijden dat problemen erger worden of dat mensen hervallen. De projecten die u beschrijft vergen een intensieve samenwerking van diensten en zorgverleners die gewoon zijn om onafhankelijk te opereren. Vandenbroucke: Om zulke zorgtrajecten op te zetten, moeten er muren worden gesloopt. Zowel binnen de federale ziekteverzekering als tussen de eerste, tweede en derde lijn van de gezondheidszorg én tussen de verschillende bevoegdheden. Ook tussen de beleidsniveaus? Vandenbroucke: Zeker. De zesde staatshervorming was catastrofaal voor de gezondheidszorg. De onderhandelaars voerden destijds een staatkundig debat zonder zich af te vragen hoe een moderne gezondheidszorg het best kan worden georganiseerd. Ze vertrokken louter vanuit symbolieken en niet vanuit de reële noden op het terrein. Daardoor is de bevoegdheidsverdeling op het vlak van gezondheidzorg hopeloos ingewikkeld, haast onwerkbaar zelfs, maar dat proberen we met veel overleg te overstijgen. Mijn samenwerking met Vlaams minister van Volksgezondheid Wouter Beke (CD&V) is heel goed, en dat geldt ook voor die met de bevoegde ministers in Brussel en Frans- en Duitstalig België. Onze vriendschap en grote bereidheid om samen te werken zijn de olie in een machine die anders voortdurend vast zou lopen.