Eerst was er de wiskunde. Hij studeerde het aan de Gentse universiteit, doctoreerde en werkte daarna een paar jaar als onderzoeker in het buitenland. 'Toch miste ik nog iets en daarom ging ik filosofie studeren', zegt professor Karim Zahidi. 'Aanvankelijk wilde ik me vooral toeleggen op de filosofie van de wiskunde, maar langzaamaan groeide ook mijn interesse in de politieke en sociale filosofie.' Vandaag is Zahidi wiskundige, filosoof, docent wetenschapsfilosofie én bariton bij het Brussels Brecht-Eislerkoor. Een groot deel van zijn vrije tijd spendeert hij aan het voorzitterschap van het Masereelfonds, een culturele organisatie die vroeger nauw aanleunde bij de Kommunistische Partij. 'Het zijn barre tijden voor een sociaal-culturele vereniging', zucht Zahidi. 'Als de Vlaamse regering haar plannen doorzet om drastisch in onze subsidies te knippen, zullen we onvermijdelijk werknemers moeten ontslaan. Dat is niet alleen erg omdat die mensen dan op straat staan, maar ook omdat de impact van hun werk op de samenleving niet mag worden onderschat.'
...

Eerst was er de wiskunde. Hij studeerde het aan de Gentse universiteit, doctoreerde en werkte daarna een paar jaar als onderzoeker in het buitenland. 'Toch miste ik nog iets en daarom ging ik filosofie studeren', zegt professor Karim Zahidi. 'Aanvankelijk wilde ik me vooral toeleggen op de filosofie van de wiskunde, maar langzaamaan groeide ook mijn interesse in de politieke en sociale filosofie.' Vandaag is Zahidi wiskundige, filosoof, docent wetenschapsfilosofie én bariton bij het Brussels Brecht-Eislerkoor. Een groot deel van zijn vrije tijd spendeert hij aan het voorzitterschap van het Masereelfonds, een culturele organisatie die vroeger nauw aanleunde bij de Kommunistische Partij. 'Het zijn barre tijden voor een sociaal-culturele vereniging', zucht Zahidi. 'Als de Vlaamse regering haar plannen doorzet om drastisch in onze subsidies te knippen, zullen we onvermijdelijk werknemers moeten ontslaan. Dat is niet alleen erg omdat die mensen dan op straat staan, maar ook omdat de impact van hun werk op de samenleving niet mag worden onderschat.' Waaruit bestaat die impact dan volgens u? Karim Zahidi: Medewerkers van sociaal-culturele verenigingen proberen mensen te bereiken die anders niet aan het maatschappelijke debat zouden deelnemen. Zo bevorderen ze de pluraliteit in de samenleving. Een kaalslag in de sector betekent dus dat het debat op ideologisch vlak wordt verengd. Dat moet elke democraat, wat zijn politieke overtuiging ook is, problematisch vinden. Natuurlijk zou het mooi zijn als middenveldorganisaties niet van subsidies hoeven af te hangen, maar dat is vandaag niet realistisch. Van ledenbijdragen alleen kunnen ze niet leven. Een overheid die beslist daar geld weg te halen om in andere dingen te investeren, maakt een keuze tegen de democratie. De Vlaamse meerderheidspartijen willen vooral de subsidiëring van organisaties 'die zich terugplooien op hun etnisch-culturele afkomst' stopzetten. Zahidi: Onbegrijpelijk. Als verenigingen zich op een specifieke etnische groep richten, is dat net om die meer bij de samenleving te betrekken. Ze plooien zich niet op zichzelf terug, maar vormen een brug tussen hun doelgroep en de rest. Bestraft een overheid zulke organisaties, dan sluit ze een aantal mensen uit. Bovendien geeft ze daarmee het signaal dat alleen burgers die van Vlaamse origine zijn echt meetellen. Heel gevaarlijk. De regering denkt blijkbaar dat ze zo de inclusie in de samenleving kan bevorderen, maar ik vrees dat ze het tegenovergestelde zal bereiken. Door organisaties die zich met etnische minderheden bezighouden financieel aan banden te leggen, wordt de segregatie alleen maar groter. Met alle gevolgen van dien. U stond in 2008 mee aan de wieg van de progressieve Vooruitgroep. Bestaat die eigenlijk nog? Zahidi:Nee, een vijftal jaar geleden is die in de burgerbeweging Hart boven Hard opgegaan. We zijn destijds met de Vooruitgroep begonnen om te reageren tegen het manifest van de naar eigen zeggen Vlaamsgezinde én progressieve Gravensteengroep. Wij wilden aantonen dat het helemaal niet progressief is om je te willen afscheuren van regio's die het op sociaal-economisch vlak moeilijker hebben. Wil je een solidaire samenleving uitbouwen dan is het - om het zacht uit te drukken - contradictorisch om eerst groepen mensen uit te sluiten. (denkt na) Ondertussen is het er in Vlaanderen niet op verbeterd en staat de solidariteit meer dan ooit onder druk. Dat hebben de verkiezingen van 26 mei nog maar eens duidelijk gemaakt. Bent u geschrokken van de heropstanding van het Vlaams Belang? Zahidi: Ik heb nooit echt geloofd dat de N-VA het uitgelezen vehikel is om het Vlaams Belang te bestrijden, zoals de voorbije jaren vaak is beweerd. Dat er op een bepaald moment zo veel kiezers van het Vlaams Belang naar de N-VA overliepen, kwam waarschijnlijk doordat ze dachten dat die partij er wél in zou slagen om de oude flamingantische eisen waar te maken. Zodra die veronderstelling fout bleek, zijn veel mensen naar de oude stal teruggekeerd. Ondertussen heeft de N-VA wel een aantal denkbeelden salonfähig gemaakt die vroeger alleen bij het Vlaams Belang ingang vonden. Het gevolg is dat het Vlaams Belang zich nu nog radicaler opstelt om zich van de N-VA te kunnen onderscheiden. Hangen incidenten zoals de brandstichting in een toekomstig asielcentrum in Bilzen en de Hitlergroet die jongemannen in het Fort van Breendonk uitbrachten daar volgens u mee samen?Zahidi: De groei van het Vlaams Belang bij de laatste verkiezingen heeft de verrechtsing ook nog eens versterkt. We hebben gelijk gekregen, denken hun kiezers nu. Als er voor de verkiezingen nog een rem op onverdraagzaamheid stond, is die nu helemaal los. Wat me nog meer zorgen baart, is dat ook opiniemakers die ver van de N-VA en het Vlaams Belang staan de angst voor mensen van vreemde origine mee voeden. Op de achterflap van een boek van de uiterst rechtse publicist Wim Van Rooy over migratie stond bijvoorbeeld een lovend citaat van wijlen Etienne Vermeersch. Onschuldig is zoiets allerminst, want als filosoof en ethicus was Vermeersch een belangrijke maatschappelijke figuur en had hij grote invloed op de publieke opinie. Ondertussen zijn er wel meer academici en andere opiniemakers die dat soort dingen doen. Wellicht omdat ze merken dat ze er niet meer op worden afgerekend. Staan sommigen van uw collega-filosofen dan te veel open om het debat met extreemrechtse mensen en partijen aan te gaan? Zahidi: Dat denk ik wel. Er zijn grenzen aan het debat en die worden tegenwoordig vaak overschreden. Wie meediscussieert over de vraag of moslims hier thuishoren dan wel een bedreiging vormen voor de samenleving, stapt automatisch in de framing van extreemrechts. De volgende stap is dan onvermijdelijk dat we ons gaan afvragen hoe we 'die bedreiging' het best aanpakken. In plaats van te discussiëren over de vraag of moslims hier thuishoren, moeten we vertrekken vanuit de realiteit: ze zijn hier, ze gaan niet meer weg en ze zullen hun geloof ook niet collectief afzweren. Als we dat vooropstellen, zal de verleiding om alle samenlevingsproblemen als een gevolg van botsende culturen te zien al een stuk kleiner worden. Bovendien zal er dan weer meer ruimte zijn om het te hebben over structurele sociaal-economische problemen, zoals discriminatie en uitsluiting. Vindt u dat academici hun maatschappelijke rol voldoende opnemen? Zahidi: Sommigen lijken te vergeten dat het maatschappelijke debat zich niet alleen afspeelt in televisiestudio's en op de opiniepagina's van kranten en weekbladen. Op zich is het goed dat filosofen in de media komen, maar het is ook belangrijk om je werkkamer uit te komen en letterlijk naar de mensen toe te gaan. Voor je ego is het natuurlijk veel leuker om opiniestukken te schrijven die door duizenden mensen worden gelezen. Maar dat is one way communication. In een panel ergens in een zaaltje in Vlaanderen bereik je misschien maar dertig mensen, maar je leert er wel veel van. Ondertussen wordt wetenschappelijk onderzoek almaar vaker ter discussie gesteld en zelfs aangevallen. Kijkt u daarvan op? Zahidi: Dat gebeurt altijd weer als de wetenschap een bedreiging vormt voor bepaalde belangen. Denk maar aan het onderzoek naar het verband tussen roken en kanker. In de jaren vijftig van de vorige eeuw was al duidelijk dat roken longkanker kan veroorzaken, maar de tabaksindustrie deed er alles aan om de wetenschappelijke bewijzen in twijfel te trekken. Daar hadden die bedrijven zelfs ontzettend veel geld voor over. Later zijn er interne memo's gelekt waarin zwart op wit staat dat die wetenschappelijke feiten een probleem vormden voor hun verdienmodel en dus moesten worden ontkend. Vandaag herhaalt die geschiedenis zich in de klimaatdiscussie. Klimaatontkenners - met op kop de Amerikaanse miljardairs David en Charles Koch, die grote belangen hebben in de olie-industrie - financieren instituten die onderzoeken afleveren waaruit moet blijken dat de opwarming van de aarde helemaal niet dramatisch is. En dat werkt. Als mensen de hele tijd zien hoe de wetenschap ook door voorbeeldfiguren in twijfel wordt getrokken, denken ze: als zij die experts niet geloven, waarom zou ik dat dan wel moeten doen? Ook wetenschapsfilosofen kibbelen daarover. Zahidi: De klimaatopwarming is geen louter natuurwetenschappelijk of technologisch probleem. Onderzoekers uit de exacte wetenschappen hebben aangetoond dat de aarde te veel zal opwarmen als we de CO2-uitstoot niet inperken. Maar wat we daar het best aan kunnen doen, is een maatschappelijke vraag, waarover ook sociale wetenschappers en filosofen iets te zeggen hebben. Elke voorgestelde maatregel houdt een waardeoordeel in en is dus niet objectief wetenschappelijk. Filosoof Maarten Boudry vindt dat we ons geloof in de wetenschap moeten stellen en dat het niet nodig is om iets aan de maatschappelijke structuren te veranderen. Daar ben ik het totaal niet mee eens. Willen we de opwarming van de aarde afremmen, dan zal onze economie anders moeten functioneren. Maar als je vandaag de link durft te leggen tussen kapitalisme en klimaatontwrichting, word je al snel als een ideoloog beschouwd. Nu helpt het natuurlijk ook niet dat sociale wetenschappers tegenwoordig als linkse intellectuelen worden weggezet. Daarmee wordt meteen ook gesuggereerd dat hun onderzoek gekleurd is en dat er dus geen rekening mee hoeft te worden gehouden. Dat zelfs wetenschap niet meer als iets neutraals wordt gezien, bleek onlangs nog toen de Nederlandse politica Sylvana Simons voor de 'dekolonisering van de wiskunde' pleitte. Heeft ze een punt? Zahidi:Aan het huidige curriculum valt niet veel te dekoloniseren, maar wel aan de manier waarop we naar de geschiedenis van de wiskunde kijken. Zo leeft nog altijd het idee dat ze een uitvinding van de Grieken is, terwijl we ondertussen weten dat er daarnaast onder meer een rijke traditie van Indiase wiskunde bestaat. In de vijftiende en zestiende eeuw werden er in het Westen bijvoorbeeld allerlei technieken ontwikkeld om het getal pi zo nauwkeurig mogelijk te berekenen. Dus denken de meeste mensen dat het een westerse ontdekking is. Maar wat blijkt? In oude brahmaanse gezangen zat al een methode om pi te berekenen. Nog voor onze tijdrekening hadden de Indiërs die kennis dus al. In Afrika zijn dan weer artefacten teruggevonden waaruit blijkt dat daar al heel vroeg relatief geavanceerde rekentechnieken bestonden. De wiskunde is dus geen louter westerse discipline die bij de Grieken is gestart. Dat zou in het onderwijs best wat meer in de verf mogen worden gezet. Veel meer dan symboolwaarde heeft dat toch niet? Zahidi: Toch wel. Om kinderen voor een bepaald vak of onderwerp te interesseren, moeten ze zich erin kunnen herkennen. Als er in de lijstjes van grote wiskundigen die ze te zien krijgen alleen namen van westerse mannen staan, zullen meisjes en kinderen met een migratieachtergrond zich niet snel aangesproken voelen. Daarom is het belangrijk dat er in de historische interludia in wiskundehandboeken ook vrouwen en niet-westerse onderzoekers staan. Nu is het natuurlijk zo dat de meeste leerkrachten in de middelbare school niet eens aan de culturele en historische aspecten van wiskunde toekomen omdat ze alle tijd nodig hebben voor de leerstof zelf. Heel jammer. Zeker in een tijd dat men zo veel mogelijk jongeren voor STEM-richtingen probeert warm te maken. Ik vrees dat we een hele groep missen door die opleidingen barstensvol vakinhoud te stoppen. Mocht er een algemeen filosofisch en historisch vak worden gegeven waarin ze onder meer leren hoe de rol van de wetenschap door de tijden heen verandert, zou dat de interesse kunnen aanwakkeren van leerlingen die anders nooit voor wetenschappen zouden kiezen. Soms heb ik de indruk dat we in disciplines als natuurkunde, biologie en wiskunde te veel inzetten op het produceren van vakidioten - om het sterk uit te drukken: we geven hen heel veel vakkennis mee zonder dat in een ruimer kader te plaatsen. Terwijl de verwevenheid tussen wetenschappen en de samenleving enorm is. En dan is er ook nog de muziek. Is zingen in een koor een soort antidotum voor uw academische werk? Zahidi: Muziek is er altijd geweest. Die liefde heb ik van thuis meegekregen. Ik zing graag, en dan vooral in groep. Het Brussels Brecht-Eislerkoor, dat in de jaren zeventig is opgericht in het zog van de grote sociale bewegingen, sluit ook bij mijn overtuigingen aan. We zingen vooral het repertoire van schrijver Bertolt Brecht en componist Hanns Eisler, die zich in het Berlijn van de jaren twintig van de vorige eeuw ten dienste wilden stellen van de linkse beweging. Naast hun werk zingen we ook liederen uit de sociale beweging en hebben we aandacht voor nieuwe muziekvormen met een sociale inhoud. Onze nieuwe productie, over de afbraak van de sociale woonblokken aan de Brusselse Papenvest, gaat begin volgend jaar in het Kaaitheater in première. U ziet: consistent ben ik wel. (lacht)