Toen ik begin vorig decennium aan mijn boek over de wereldwijde jaren zestig begon te werken, was het snel duidelijk dat zwarte Amerikaanse cultuur daarin een centrale rol zou krijgen. Aretha Franklin, James Brown, Nina Simone, Miles Davis, John Coltrane, Gwendolyn Brooks, James Baldwin, Amiri Baraka... zonder die giganten kon het verhaal van het meest mythische naoorlogse decennium onmogelijk worden verteld. Tot mijn gêne en ontzetting stelde ik evenwel vast dat ik geen enkele Afrikaans-Amerikaanse beeldend kunstenaar uit de sixties kende. Kunsthistorische standaardwerken konden me niet op weg helpen, zij vermeldden die artiesten evenmin.
...

Toen ik begin vorig decennium aan mijn boek over de wereldwijde jaren zestig begon te werken, was het snel duidelijk dat zwarte Amerikaanse cultuur daarin een centrale rol zou krijgen. Aretha Franklin, James Brown, Nina Simone, Miles Davis, John Coltrane, Gwendolyn Brooks, James Baldwin, Amiri Baraka... zonder die giganten kon het verhaal van het meest mythische naoorlogse decennium onmogelijk worden verteld. Tot mijn gêne en ontzetting stelde ik evenwel vast dat ik geen enkele Afrikaans-Amerikaanse beeldend kunstenaar uit de sixties kende. Kunsthistorische standaardwerken konden me niet op weg helpen, zij vermeldden die artiesten evenmin. In die tien jaar is er veel veranderd. Het bepaald niet afnemende racisme na de verkiezing van de eerste zwarte president, het activisme van Black Lives Matter tegen politiegeweld en de manier waarop wereldsterren als Beyoncé en Kendrick Lamar de zwarte culturele geschiedenis naar een miljoenenpubliek brachten, hebben eindelijk ook de kunstwereld wakker geschud. De grote expo Soul of a Nation: Art in the Age of Black Power 1963-1983 van het Tate Modern, die na Londen in Bentonville (Arkansas) en Brooklyn stond en nu in San Francisco te zien is, kreeg juichende recensies en vele duizenden bezoekers. Amerikaanse topmusea en collectioneurs gingen de afgelopen jaren in zo'n tempo werk van altijd genegeerde zwarte artiesten kopen, dat hoogbejaarde schilders plots miljonair werden. In 2014 nam het belangrijkste museum voor moderne kunst, het MoMA in New York, een curator in dienst met als belangrijkste opdracht de gaten in de - voor witte westerse kunst ongeëvenaarde - collectie te dichten. Die curator bleef niet op zijn handen zitten. Toen het MoMA vorig jaar een nieuwe opstelling van zijn vaste collectie presenteerde, roemde menig persverslag de koppeling van Picasso's kubistische mijlpaal Les Demoiselles d'Avignon (1907) aan het pas in 2016 door het museum aangekochte American People Series #20: Die (1967) van Faith Ringgold (1930). Ringgold levert nu ook een van de hoogtepunten van de tentoonstelling Tell Me Your Story, waarmee de Amersfoortse Kunsthal KAdE het belangrijkste overzicht van zwarte Amerikaanse kunst presenteert dat ooit in de Lage Landen te zien was. Ringgolds gezeefdrukte quilt Tar Beach #2 (1990-92) vertelt ook echt een verhaal - de dromen van een achtjarig zwart meisje dat over de George Washingtonbrug wil vliegen om het lot van haar ouders en broertje te verbeteren. Zo expliciet verhalend zijn de meeste andere werken niet, maar toch is de titel van de tentoonstelling uitstekend gekozen. Hoe innovatief of funky de zwarte cultuur ook was en is, opmerkelijk vaak legt hij getuigenis af van een bestaan dat, van de slavernij tot Trump, doorlopend gekenmerkt wordt door uitsluiting, gevaar en geweld. Uiteraard maken niet alle zwarte kunstenaars uitgesproken politiek werk, maar de uitsnede van zo'n 140 werken van 50 kunstenaars die gastcurator Rob Perrée uit voornamelijk Amerikaanse collecties bij mekaar wist te brengen, presenteert een tegelijk coherent en afwisselend beeld van honderd jaar groeiend zelfbewustzijn. Het verhaal begint relatief bescheiden: terwijl muzikanten als Duke Ellington en schrijvers als Langston Hughes en Zora Neale Hurston tijdens de zogenoemde Harlem Renaissance de zwarte cultuur indringend en met zwier op de kaart zetten, leek de beeldende kunst wat achter te blijven. Veelzeggend: de bloemlezing The New Negro waarmee Alain Locke in 1925 die Harlem Renaissance inluidde, werd geïllustreerd door een ingeweken Duitser, Winold Reiss. Diens zwarte leerling Aaron Douglas mocht wel een tiental kleinere illustraties leveren en een jaar later ontwierp Douglas het omslag van Fire!!, een spraakmakende poging om met jazz, blues, vrije dichtvormen en lofzangen op androgynie en homoseksualiteit een zwarte avant-garde te creëren. In Amersfoort zijn een aantal van zijn omslagontwerpen te zien, maar ook enkele originele illustraties - onder meer de gouache The Judgement Day (1927), een uiterst expressieve mix van figuratieve Afrikaanse motieven en modernistische abstractie. De eerste generaties zwarte artiesten keken wel naar Europa (sommigen studeerden ook in Parijs), maar hun belangrijkste referentie was Mexicaans: de muurschilderingen van onder andere Diego Rivera, waarin historische iconen en gewone mensen even krachtig en waardig worden gepresenteerd, zouden onder meer Hale Woodruff en Charles White inspireren. Afrikaans-Amerikaanse kunstenaars verzetten zich soms wel tegen de druk om expliciet politiek werk te maken, maar de omstandigheden bleken vaak sterker te wegen. Wanneer zwarte leiders als Martin Luther King of Malcolm X vermoord werden, de Black Panthers door de FBI en politiediensten vervolgd en gedood werden of wanneer de artiesten zelf discriminatie ervoeren in de zich als progressief voordoende kunstwereld, leverde dat confronterende werken op. Nadat in 1971 in Attica bij een gevangenisopstand voor betere levensomstandigheden meer dan veertig mensen waren omgekomen, maakte Ringgold de groenrode landkaart United States of Attica, een ontnuchterend gedetailleerde opsomming van het geweld dat het land staat per staat in de ban hield, soms al eeuwenlang. Ringgold is niet de enige die vanuit de zwarte ervaring het Amerikaanse zelfbeeld op zijn kop zet. De assemblage Sunnyland van Betye Saar, die vorig najaar, op haar 93e, plots grote solotentoonstellingen kreeg in het MoMA en het niet veel minder prominente LACMA in Los Angeles, verbindt de sinaasappelpluk met de zwarte lichamen die als 'Strange Fruit' (Billie Holiday) tot diep in de 20e eeuw werden gelyncht. Lang niet alle werken zijn even expliciet. De kubistische collages van Romare Bearden, met maar liefst tien werken een ander hoogtepunt op de tentoonstelling, tonen veeleer taferelen uit het dagelijkse leven. Hun veelkleurige energie spat ook vijftig jaar later nog altijd van het blad. Dat geldt ook voor de twee grote portretten van Kehinde Wiley in de enorme hal waar de tentoonstelling onze tijd bereikt. Wiley, die in 2018 plots wereldberoemd werd toen hij het officiële portret van president Barack Obama schilderde, zet pontificaal zwarte mannen centraal in een barok bloemendecor dat niet alleen de achtergrond vult, maar ook hun kleren lijkt te overwoekeren - een telkens weer aandoenlijke nuancering van het machismo waartoe zwarte mannen in de media vaak worden gereduceerd. Het is vast geen toeval dat de werken in deze tentoonstelling zaal na zaal groter lijken te worden, net zoals het zelfbewustzijn van de Afrikaans-Amerikaanse artiesten die zich stilaan in het centrum van de aandacht van curatoren, wetenschappers en critici weten. Als burger is hun positie echter niet wezenlijk veranderd. Gelyncht worden zwarte mensen niet meer, slachtoffer van politiegeweld zijn ze nog altijd. Centraal op de gigantische, kamervullende houtskooltekening From Ferguson to Baltimore (2015) van Dáreece Walker ligt een zwarte jongen in een open kist - net zoals de gelynchte Emmett Till in 1955. Walker sluit met dit werk aan bij de rijke traditie van grote muurschilderingen, maar bovenal wijst hij op het blijvende geweld tegen zwarte lichamen. Natuurlijk hoort de kunstliefhebber dit voorjaar de fenomenale Van Eycktentoonstelling in Gent te bezoeken, een weergaloze triomf van tijdloze schilderkunstige finesse. Wie evenwel wil voelen en zien wat kunst kan betekenen voor de ontvoogding en het zelfbegrip van mensen, moet vooral ook naar Amersfoort reizen. Kunsthal KAdE presenteert er een verzameling krachtige werken van kunstenaars die in onze gewesten nog veel te weinig bekend zijn en die ons beeld van wat moderne kunst kan zijn weldadig opschudden.