Een foto is niet noodzakelijk een leugen', sprak Martine Franck ooit. 'Maar evenmin is het de waarheid. Het is meer een vluchtige, subjectieve impressie. Wat ik het leukst vind aan fotografie is het moment dat je niet kunt anticiperen. Je moet constant op de loer liggen, klaar om het onverwachte te verwelkomen.' Wat Franck daarmee precies bedoelde, kun je ontdekken op de allereerste expositie van de pas heropende Fondation Cartier-Bresson, die na vijftien jaar verscholen te hebben gelegen in Montparnasse verhuisde naar een groter en mooier pand in de Marais.
...

Een foto is niet noodzakelijk een leugen', sprak Martine Franck ooit. 'Maar evenmin is het de waarheid. Het is meer een vluchtige, subjectieve impressie. Wat ik het leukst vind aan fotografie is het moment dat je niet kunt anticiperen. Je moet constant op de loer liggen, klaar om het onverwachte te verwelkomen.' Wat Franck daarmee precies bedoelde, kun je ontdekken op de allereerste expositie van de pas heropende Fondation Cartier-Bresson, die na vijftien jaar verscholen te hebben gelegen in Montparnasse verhuisde naar een groter en mooier pand in de Marais. Een straatkind uit Ballyun, een arbeidersstadje in de buurt van Dublin, dat je onder schot neemt met een speelgoedpistool. De dalai lama die lijkt te baden in goddelijk licht, net op het moment dat hij zijn vinger ten hemel richt en zijn discipelen toespreekt. Een parmantig oud vrouwtje dat zich iets te nieuwsgierig vooroverbuigt naar een schilderij van Paul Delvaux, alsof ze het schaamhaar wil inspecteren van de naakte vrouw die erop afgebeeld staat. Het zijn maar enkele van de tientallen, met zorg gekozen en gepresenteerde foto's die het werk van Martine Franck typeren: schijnbaar spontaan maar prachtig gecomponeerd, vaak met een speelse knipoog en altijd getuigend van empathie en engagement. Dat de vernieuwde Fondation uitpakt met een retrospectieve van de in 2012 in Parijs overleden fotografe, is geen toeval. Sinds 1970 was ze getrouwd met Henri Cartier-Bresson, de peetvader van de humanitaire, documentaire fotografie, al zou het onheus zijn om haar te reduceren tot de 'vrouw van'. Op het moment van hun eerste date had Franck namelijk al gepubliceerd in toonaangevende tijdschriften als Life, Fortune, Sports Illustrated en Vogue, en wereldwijd tal van reportages gemaakt. In 1983 was ze bovendien de eerste vrouw die werd toegelaten tot het prestigieuze fotoagentschap Magnum, dat haar echtgenoot in 1947 had opgericht samen met Robert Capa, nog zo'n instituut uit de geschiedenis van de fotografie. Nochtans was fotografie een veeleer toevallige roeping voor Franck, die in 1938 werd geboren in Antwerpen, maar vrijwel meteen daarna met haar kunstminnende ouders verhuisde naar Londen, de oorlogsjaren doorbracht in de VS en daarna in Parijs belandde waar ze kunstgeschiedenis studeerde. 'In 1963 had ik een visum voor China', vertelde ze ooit, 'en ik leende een Leica-toestel van mijn neef, die me zei dat ik met mooie foto's moest terugkomen.' Dat deed ze met verve, zoals enkele van haar oudste beelden op de expo illustreren, waarna ze ook begon met het portretteren van artiesten en schrijvers. Alberto Giacometti, Marc Chagall, Balthus, Seamus Heaney, Ariane Mnouchkine ... allen poseerden ze voor de tactiele lens van Franck, die over de gave beschikte om met één flits meteen ook tot in hun ziel te loeren. Aan bekend artistiek volk ontbreekt het bijgevolg niet op de tentoonstelling, al was Franck een fotografe van sterke contrasten. Zowel stilistisch als qua thematiek. Zo stond ze evengoed bekend om haar meeslepende docu-reportages van figuren, groepen en volkeren uit de marge. Ze was een voorbeeldige leerlinge van de naoorlogse fotografieschool die de wereld wilde vastleggen zoals hij was. Zonder opsmuk. Of toch geen al te zichtbare. Haar favoriete actieterrein bevond zich dan ook buiten de studio. Daar schoot ze met haar Leica 35mm-camera de meest levendige, verrassende en intieme beelden, bij voorkeur in zwart-wit. Vooral de zwakkeren uit de samenleving hadden daarbij haar onvoorwaardelijke aandacht. Tibetaanse jongetjes die uitgekozen waren om reïncarnaties van de lama te worden. De straatarme, van de wereld weg gedobberde bevolking van Tory Island, voor de kust van Ierland. Maar evengoed stakende fabrieksarbeiders, vereenzaamde bewoners van een rusthuis en anonieme daklozen. Franck gaf hen niet alleen een gezicht, ze gaf hen ook waardigheid. Bovendien was Martine Franck altijd al een feministe, nog meer in daad dan in woord. Een van de laatste gezamenlijke projecten die ze ondernam met Cartier-Bresson - die in 2004 overleed - was Des femmes et la création, over West-Indische meisjes die hun eigen bruidsschat borduurden. Altijd en overal speelden vrouwen een prominente rol in haar sociaal bewogen oeuvre, evenwel zonder in pamflettaire propaganda te vervallen. Bovendien besefte ze maar al te goed dat ze zich als kunstenares moest ontvoogden van haar illustere echtgenoot, wat ze op haar gedecideerde maar discrete manier ook deed. Nooit gebruikte ze hem als mentor of mecenas, en thuis hadden de twee het naar haar zeggen maar zelden over fotografie. Toen Franck op het hoogtepunt van haar carrière was, fotografeerde Cartier-Bresson immers niet of nauwelijks meer en wijdde hij zich nog uitsluitend aan tekenen. Het noopte Franck tot de conclusie: 'Henri was zowel kritisch als inspirerend en tegelijk vol warme aanmoediging voor mijn werk als fotograaf.' Hoewel Franck vocht voor haar eigen plek en identiteit in een wereldje dat altijd al door mannen - en niet het minst door haar eigen man - werd gedomineerd, is Cartier-Bresson alomtegenwoordig op de tentoonstelling. Er hangt een prachtig portret van hem als oude man, terwijl hij aandachtig een schilderij van Goya in het Prado bestudeert. Verderop hangt een nog indringender foto, waarop hij met de hulp van een spiegel een zelfportret tracht te tekenen in zijn Parijse atelier, en waarop zijn gezicht op verschillende manieren en vanuit verschillende hoeken is te zien. Het waren cadeautjes voor Franck, die voor haar verjaardag aan haar man de toestemming vroeg, en kreeg, om hem te fotograferen, hoewel hij schuwde om zelf voor de camera te staan. Dat schuchtere had Franck, die na Cartier-Bressons dood aan de wieg stond van de Fondation en diens archief beheerde, overigens zelf ook. 'Ik realiseerde me dat fotografie een ideale manier was om mensen te vertellen wat er aan de hand was, zonder zelf te moeten praten', gaf ze toe in een interview. Nochtans had Franck als kunstenares niets om verlegen voor te zijn, zoals blijkt uit de vele, eloquent sprekende beelden die ze naliet en die moeiteloos de malende tanden des tijds hebben doorstaan. Let bijvoorbeeld op haar bijna perfecte, spookachtig mooie portret van enkele zonnebaders bij een zwembad in Le Brusc, in de Provence, met zijn magnifieke, sensuele spel van licht en lijnen. Een grote dame, met een groot hart en een nog groter metier.