Zonet bracht de 'Opvolgingscommissie van het terugkeerbeleid' haar eerste rapport uit. Die commissie werd opgericht in de nasleep van de Soedan-affaire op aandringen van Monica De Coninck (SP.A).

Het rapport leest als een droge oplijsting van de stand van zaken en als een validatie van het gevoerde beleid. En dat is normaal. De commissie, onder leiding van prof. em. Marc Bossuyt, bestaat nu eenmaal voornamelijk uit leidende ambtenaren, aangevuld met vertegenwoordigers van politie en luchtvaart.

Dat er nu een rapport bestaat met de kijk van enkele overheidsinstanties op het terugkeerbeleid is zelfs goed. Het maakt debat mogelijk en biedt een stukje meer transparantie. Maar het had zoveel meer kunnen zijn.

Evaluatie van het terugkeerbeleid had zoveel meer kunnen zijn.

Toen prof. Vermeersch 14 jaar geleden, na een eerdere evaluatie van het terugkeerbeleid, aanbeval om een 'permante opvolgingscommissie voor het terugkeerbeleid' op te richten wilde hij naast overheidsvertegenwoordigers, ook vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke experten betrekken. Ook het wetsvoorstel van Monica De Coninck wilde in de filosofie van Vermeersch een stuk breder gaan, maar die suggestie werd helaas niet gevolgd.

De betrokkenheid van NGO's en externe deskundigen bleef zo erg beperkt. Wel bezorgden een aantal NGO's hun bedenkingen. Enkel op die van Amnesty gaat de commissie in haar rapport uitvoerig in, maar dan wel vanuit een defensieve instelling. In het rapport wordt uitgelegd waarom de ander ongelijk heeft, en daarmee basta.

En wie zich verder kritisch uitlaat wordt in het begeleidende voorwoord van het rapport weggezet als voorstander van een opengrenzenbeleid. ("Velen die verklaren geen voorstanders te zijn van een opengrenzenbeleid, bestrijden niettemin alle maatregelen die een dergelijk beleid proberen tegen te gaan.")

Was het maar zo gemakkelijk. Zo legde het beleid de voorbije jaren de focus op gedwongen terugkeer. Maar in weerwil van de publieke perceptie daalden onder staatssecretaris Francken de terugkeercijfers naar landen buiten de EU. De gehanteerde tactie, namelijk meer intercepties, meer opsluitingen, een hoger terugkeerbudget, een grotere terugkeercapaciteit, volstond duidelijk niet. Het zou dan ook een fout zijn om alle heil verwachten van louter 'meer van hetzelfde'. Bijsturen is nodig.

Het terugkeerbeleid kan dus wel wat creativiteit gebruiken. Maar het rapport inspireert amper of niet en dat is een gemiste kans. Wanneer er bvb. wordt ingegaan op de alternatieven voor detentie (via open terugkeerwoningen, thuiscoaching, ...) , dan komt men niet veel verder dan de vaststelling dat er de voorbije jaren steeds meer 'ontsnappingen' (sic) waren.

Maar zo'n evolutie komt natuurlijk niet uit de lucht vallen. Heeft het misschien te maken met een begeleiding die te weinig aanklampend is, of is er meer aan de hand? Het zou dan te taak van de opvolgingscommissie moeten zijn om op zoek te gaan naar de oorzaken en om voorstellen te doen hoe het béter kan.

Qua aanbevelingen voor zo'n beter beleid betreft blijft de lezer totaal op zijn honger zitten. Te makkelijk maakt de commissie-Bossuyt zich ervan af door te verwijzen naar de inspanningen uit het verleden. Wanneer het rapport stelt dat ten aanzien van 20 jaar geleden 'aanzienlijke vooruitgang werd geboekt in het bevorderen van zowel de menselijkheid als de efficiëntie van het terugkeerbeleid', dan is dat ongetwijfeld juist. Maar dat gebeurde net mede dankzij het werk dat geleverd werd door de toenmalige 'Commissies Vermeersch' die het opvolgingsbeleid evalueerden. Waarom zou men niet op zoek gaan naar nieuwe aanbevelingen die het terugkeerbeleid én menselijker én efficiënter maken?

Dat het mogelijk is om op basis van de inbreng van én middenveld én overheidsinstanties gezamenlijk tot een menselijker en efficiënter terugkeerbeleid te komen bewees - tromgeroffel - de Soedan-affaire.

Door een deel van het middenveld (maar ook door SP.A) werd toen gevraagd om het risico op een onmenselijke behandeling nog vóór de uitzetting te onderzoeken, in plaats van achteraf te gaan moeten reconstrueren of het al dan niet misging. Er werd gevraagd dat onderzoek te laten plaatsvinden vóór de identificatie door de buitenlandse missie, zodat wie geïdentificeerd werd niet onder druk gezet kon worden. En er werd voorgesteld dat een vertaler aanwezig zou zijn bij de identificatie door een buitenlandse missie, samen met een DVZ-ambtenaar, zodat België ten mínste op de hoogte was van wat daar gezegd werd.

Stuk voor stuk aanbevelingen waarvan de regering, inclusief staatssecretaris Francken, maanden later moest erkennen zij een verbetering betekenden. Waarna het beleid ook effectief op die manier werd bijgesteld. Zo werden de voorwaarden gedefinieerd voor een efficiënt maar menselijk terugkeerbeleid naar problematische regimes.

In haar rapport sluit de commissie-Bossuyt zich hier nu zeer terecht bij aan. Geen opengrenzenbeleid, maar ook geen middeleeuwse toestanden. Dankzij al bij al relatief eenvoudige bestuurlijke maatregelen. Het kán dus.

Al te vaak wordt beweerd dat er gekozen moet worden tussen mensenrechten of terugkeerbeleid. Dat is een valse keuze.

Al te vaak wordt beweerd dat er gekozen moet worden tussen mensenrechten of terugkeerbeleid. Dat is een valse keuze. Een gecontroleerd terugkeerbeleid moet net zorgvuldig zijn én rekening houden met mensenrechten.

Meer nog: een menselijke aanpak is simpelweg het efficiëntst. Net dáárom is een doorgedreven dialoog tussen overheidsinstanties, middenveld en externe experten zo nodig. Kamperen op het eigen grote gelijk brengt niemand een stap verder.

De werkwijze van de commissie moet daarom bijgesteld worden om ook middenveld en onafhankelijke experts te betrekken. Sluit jullie daarna samen op, overleg, daag elkaar uit, overstijg het eigen gelijk, zoek oplossingen en stel zo dit stukje van de erfenis van Vermeersch veilig. Laat ons resoluut kiezen voor een humaan terugkeerbeleid dat wérkt. Gecontroleerd en menselijk. Met hoofd en hart.

Zonet bracht de 'Opvolgingscommissie van het terugkeerbeleid' haar eerste rapport uit. Die commissie werd opgericht in de nasleep van de Soedan-affaire op aandringen van Monica De Coninck (SP.A). Het rapport leest als een droge oplijsting van de stand van zaken en als een validatie van het gevoerde beleid. En dat is normaal. De commissie, onder leiding van prof. em. Marc Bossuyt, bestaat nu eenmaal voornamelijk uit leidende ambtenaren, aangevuld met vertegenwoordigers van politie en luchtvaart. Dat er nu een rapport bestaat met de kijk van enkele overheidsinstanties op het terugkeerbeleid is zelfs goed. Het maakt debat mogelijk en biedt een stukje meer transparantie. Maar het had zoveel meer kunnen zijn. Toen prof. Vermeersch 14 jaar geleden, na een eerdere evaluatie van het terugkeerbeleid, aanbeval om een 'permante opvolgingscommissie voor het terugkeerbeleid' op te richten wilde hij naast overheidsvertegenwoordigers, ook vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke experten betrekken. Ook het wetsvoorstel van Monica De Coninck wilde in de filosofie van Vermeersch een stuk breder gaan, maar die suggestie werd helaas niet gevolgd.De betrokkenheid van NGO's en externe deskundigen bleef zo erg beperkt. Wel bezorgden een aantal NGO's hun bedenkingen. Enkel op die van Amnesty gaat de commissie in haar rapport uitvoerig in, maar dan wel vanuit een defensieve instelling. In het rapport wordt uitgelegd waarom de ander ongelijk heeft, en daarmee basta. En wie zich verder kritisch uitlaat wordt in het begeleidende voorwoord van het rapport weggezet als voorstander van een opengrenzenbeleid. ("Velen die verklaren geen voorstanders te zijn van een opengrenzenbeleid, bestrijden niettemin alle maatregelen die een dergelijk beleid proberen tegen te gaan.")Was het maar zo gemakkelijk. Zo legde het beleid de voorbije jaren de focus op gedwongen terugkeer. Maar in weerwil van de publieke perceptie daalden onder staatssecretaris Francken de terugkeercijfers naar landen buiten de EU. De gehanteerde tactie, namelijk meer intercepties, meer opsluitingen, een hoger terugkeerbudget, een grotere terugkeercapaciteit, volstond duidelijk niet. Het zou dan ook een fout zijn om alle heil verwachten van louter 'meer van hetzelfde'. Bijsturen is nodig.Het terugkeerbeleid kan dus wel wat creativiteit gebruiken. Maar het rapport inspireert amper of niet en dat is een gemiste kans. Wanneer er bvb. wordt ingegaan op de alternatieven voor detentie (via open terugkeerwoningen, thuiscoaching, ...) , dan komt men niet veel verder dan de vaststelling dat er de voorbije jaren steeds meer 'ontsnappingen' (sic) waren. Maar zo'n evolutie komt natuurlijk niet uit de lucht vallen. Heeft het misschien te maken met een begeleiding die te weinig aanklampend is, of is er meer aan de hand? Het zou dan te taak van de opvolgingscommissie moeten zijn om op zoek te gaan naar de oorzaken en om voorstellen te doen hoe het béter kan. Qua aanbevelingen voor zo'n beter beleid betreft blijft de lezer totaal op zijn honger zitten. Te makkelijk maakt de commissie-Bossuyt zich ervan af door te verwijzen naar de inspanningen uit het verleden. Wanneer het rapport stelt dat ten aanzien van 20 jaar geleden 'aanzienlijke vooruitgang werd geboekt in het bevorderen van zowel de menselijkheid als de efficiëntie van het terugkeerbeleid', dan is dat ongetwijfeld juist. Maar dat gebeurde net mede dankzij het werk dat geleverd werd door de toenmalige 'Commissies Vermeersch' die het opvolgingsbeleid evalueerden. Waarom zou men niet op zoek gaan naar nieuwe aanbevelingen die het terugkeerbeleid én menselijker én efficiënter maken?Dat het mogelijk is om op basis van de inbreng van én middenveld én overheidsinstanties gezamenlijk tot een menselijker en efficiënter terugkeerbeleid te komen bewees - tromgeroffel - de Soedan-affaire. Door een deel van het middenveld (maar ook door SP.A) werd toen gevraagd om het risico op een onmenselijke behandeling nog vóór de uitzetting te onderzoeken, in plaats van achteraf te gaan moeten reconstrueren of het al dan niet misging. Er werd gevraagd dat onderzoek te laten plaatsvinden vóór de identificatie door de buitenlandse missie, zodat wie geïdentificeerd werd niet onder druk gezet kon worden. En er werd voorgesteld dat een vertaler aanwezig zou zijn bij de identificatie door een buitenlandse missie, samen met een DVZ-ambtenaar, zodat België ten mínste op de hoogte was van wat daar gezegd werd. Stuk voor stuk aanbevelingen waarvan de regering, inclusief staatssecretaris Francken, maanden later moest erkennen zij een verbetering betekenden. Waarna het beleid ook effectief op die manier werd bijgesteld. Zo werden de voorwaarden gedefinieerd voor een efficiënt maar menselijk terugkeerbeleid naar problematische regimes. In haar rapport sluit de commissie-Bossuyt zich hier nu zeer terecht bij aan. Geen opengrenzenbeleid, maar ook geen middeleeuwse toestanden. Dankzij al bij al relatief eenvoudige bestuurlijke maatregelen. Het kán dus. Al te vaak wordt beweerd dat er gekozen moet worden tussen mensenrechten of terugkeerbeleid. Dat is een valse keuze. Een gecontroleerd terugkeerbeleid moet net zorgvuldig zijn én rekening houden met mensenrechten. Meer nog: een menselijke aanpak is simpelweg het efficiëntst. Net dáárom is een doorgedreven dialoog tussen overheidsinstanties, middenveld en externe experten zo nodig. Kamperen op het eigen grote gelijk brengt niemand een stap verder. De werkwijze van de commissie moet daarom bijgesteld worden om ook middenveld en onafhankelijke experts te betrekken. Sluit jullie daarna samen op, overleg, daag elkaar uit, overstijg het eigen gelijk, zoek oplossingen en stel zo dit stukje van de erfenis van Vermeersch veilig. Laat ons resoluut kiezen voor een humaan terugkeerbeleid dat wérkt. Gecontroleerd en menselijk. Met hoofd en hart.