De zaak draait rond een aanvraag tot gezinshereniging van een Afghaanse man die in ons land het statuut van vluchteling heeft. De man vroeg gezinshereniging aan met zijn echtgenote. De familieband werd echter niet aangetoond en zijn verzoek werd in 2014 afgewezen. De Raad voor vreemdelingenbetwistingen bevestigde die afwijzing.

De Raad van State echter oordeelde dat de Belgische autoriteiten de termijn van zes maanden voor de behandeling van de aanvraag hadden overschreden. Daarom was er volgens het rechtsorgaan sprake van een impliciete goedkeuring van het verzoek tot gezinshereniging, ook al was de huwelijksband niet aangetoond.

De Raad voor vreemdelingenbetwistingen maakte de zaak aanhangig bij het Europees Hof van Justitie, en vroeg of de beslissing van de Raad van State strookt met EU-richtlijn 2003/86. Het Europese Hof oordeelt in zijn arrest van woensdag dat België geen verblijfstitel mag geven aan een derdelander die niet voldoet aan de voorwaarden voor gezinshereniging. 'Op die manier wordt immers de doeltreffendheid van de richtlijn ondermijnd en een en ander is in strijd met de doelstellingen van de richtlijn.'