'Laat overheidssteun voor specifieke militaire onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten toe'. Technologiefederatie Agoria riep eerder dit jaar op om komaf te maken met de terughoudendheid van de Vlaamse overheid ten aanzien van overheidssubsidies voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die leiden tot militaire toepassingen. Nieuwe veiligheidsdreigingen, nieuwe financieringskanalen vanuit de Europese Unie en een mogelijk concurrentieel nadeel voor Vlaamse bedrijven zouden de huidige Vlaamse praktijk onhoudbaar maken, aldus Agoria. Vlaanderen hanteert sinds 1994 het principe dat militair onderzoek en ontwikkeling (O&O) niet in aanmerking komt voor overheidssteun.

Er is nood aan een uitgewerkt Vlaams beleid alvorens we investeren in militaire ontwikkelingsprojecten

Tine Destrooper, directeur en onderzoekscoördinator van het Vlaams Vredesinstituut

Maar leiden deze argumenten inderdaad zo eenduidig tot de conclusie dat we af moeten van het Vlaamse voorbehoud ten aanzien van het subsidiëren van dergelijk onderzoek?

Uit recent onderzoek van het Vlaams Vredesinstituut bleek dat er heel wat kanttekeningen te plaatsen zijn bij de argumenten die steevast worden aangehaald om een versoepeling van de huidige praktijk te bepleiten. Er zijn nog veel onzekerheden, onduidelijkheden en mogelijke principiële bezwaren om zonder meer de ethische uitgangspunten die reeds 25 jaar gelden in het Vlaamse O&O-beleid los te laten, toont dit onderzoek. Voorzichtigheid is geboden.

Nood aan een helikopterperspectief

We moeten vermijden dat dit debat verzandt in een discussie over modaliteiten en definities. Die modaliteiten zijn weliswaar erg belangrijk. We moeten namelijk duidelijkheid hebben over welk soort innovatie we als maatschappij wel (en niet) nastreven. We moeten weten wat bedoeld wordt met militaire O&O of met Dual Use O&O - en vooral hoe we dat eenduidig kunnen bepalen. We moeten weten welk soort overheidssteun niet toelaatbaar is indien een O&O project als 'militair' wordt gedefinieerd. Gaat het enkel om een verbod op subsidies of ook om een uitsluiting van andere dienstverlening?

Maar dit debat hoort over meer dan alleen modaliteiten te gaan. Het verdient ook een helikopterperspectief, een bredere reflectie. Waarom nam de Vlaamse regering in 1994 de positie aan dat ze civiele O&O wil prioritiseren, en gelden die overwegingen nog? Kunnen we voldoende maatschappelijke return verwachten van mogelijk investeringen in militaire O&O? Is het uitbreiden van militaire capaciteit het enige logische antwoord op de veranderende veiligheidssituatie? Deze, en andere, vragen verdienen het om tijdens een publiek en parlementair debat ten gronde besproken te worden. Tijdens zo'n debat dienen argumenten voor en tegen een mogelijke versoepeling van de huidige praktijk redelijk tegen elkaar afgewogen te worden.

Een eerste stap in dat debat vond gisteren plaats in het Vlaams Parlement, tijdens een hoorzitting van de verenigde commissies Buitenlands Beleid en Economie. Dat commissie-overschrijdend debat is belangrijk. Ook wat dat betreft is een helikopterperspectief noodzakelijk. Dit is geen debat over een louter economisch vraagstuk, al zijn economische overwegingen belangrijk.

Het advies van het Vredesinstituut is dan ook om in dit debat af te wegen welk gewicht we als Vlaanderen willen geven aan respectievelijk economische, veiligheids- en ethische overwegingen bij het maken van beleidskeuzes. Dit moet expliciet gemaakt worden in een duidelijk beleid. Bovendien hoort elke mogelijke beleidswijziging te leiden tot een coherent en gecoördineerd beleid, dat ook aandacht heeft voor andere beleidsdomeinen en beleidsniveaus.

Nood aan visie en coherentie

Die expliciete en coherente beleidsvisie is belangrijk. Ze is belangrijk voor bedrijven en onderzoeksinstellingen omdat ze voorspelbaarheid en duidelijkheid garandeert. Maar ze is ook belangrijk voor Vlaanderen als deelstaat. Een eigen duidelijke beleidsvisie op dit onderwerp maakt het mogelijk om als gelijkwaardige partner in overleg te treden met het federale en het Europese niveau omtrent de Vlaamse prioriteiten op vlak van, onder meer, veiligheid en defensie. Zolang Vlaanderen geen duidelijke visie heeft over welk soort projecten het wil ontwikkelen op haar grondgebied, blijft het afhankelijk van de visie van andere beleidsniveaus.

Het is ook belangrijk dat de Vlaamse visie op O&O niet de visie en praktijk binnen andere Vlaamse bevoegdheidsdomeinen ondergraaft. Een voorbeeld is het beleid rond wapenexportcontroles. Dit is in Vlaanderen duidelijk vormgegeven. Echter, indien er meer (en andere) militaire producten ontwikkeld zouden worden in Vlaanderen, zouden deze producten ook moeten uitgevoerd worden. Hoe zorgen we er in dat geval voor dat de verworvenheden van het Vlaamse wapenexportsysteem niet onder druk komen te staan?

Of hoe garanderen we dat de civiele focus van het Vlaamse industriële beleid niet in het gedrang komt als er gesleuteld wordt aan het O&O beleid?

Maar ook, en vooral, hoe garanderen we best dat mogelijke aanpassingen aan het O&O beleid niet gaan interfereren met internationaalrechtelijke verplichtingen die op Vlaanderen van toepassing zijn?

Nood aan een doordachte aanpak

Dit zijn complexe vraagstukken en het Vredesinstituut adviseert dan ook een doordachte aanpak die niet over een nacht ijs gaat. Het gaat hier om een fundamentele beleidskeuze. Bij het maken van een dergelijke keuze is belangrijk dat het huidige debat rond de mogelijke financiering van militaire O&O niet overschaduwt dat het ook belangrijk blijft om ook na te denken over het bredere vraagstuk van duurzame veiligheid, en over de vraag hoe Vlaanderen ook state-of-the-art kan worden (en blijven) in dit domein. Ook daarvoor worden best voldoende middelen vrijgemaakt.

'Laat overheidssteun voor specifieke militaire onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten toe'. Technologiefederatie Agoria riep eerder dit jaar op om komaf te maken met de terughoudendheid van de Vlaamse overheid ten aanzien van overheidssubsidies voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten die leiden tot militaire toepassingen. Nieuwe veiligheidsdreigingen, nieuwe financieringskanalen vanuit de Europese Unie en een mogelijk concurrentieel nadeel voor Vlaamse bedrijven zouden de huidige Vlaamse praktijk onhoudbaar maken, aldus Agoria. Vlaanderen hanteert sinds 1994 het principe dat militair onderzoek en ontwikkeling (O&O) niet in aanmerking komt voor overheidssteun.Maar leiden deze argumenten inderdaad zo eenduidig tot de conclusie dat we af moeten van het Vlaamse voorbehoud ten aanzien van het subsidiëren van dergelijk onderzoek? Uit recent onderzoek van het Vlaams Vredesinstituut bleek dat er heel wat kanttekeningen te plaatsen zijn bij de argumenten die steevast worden aangehaald om een versoepeling van de huidige praktijk te bepleiten. Er zijn nog veel onzekerheden, onduidelijkheden en mogelijke principiële bezwaren om zonder meer de ethische uitgangspunten die reeds 25 jaar gelden in het Vlaamse O&O-beleid los te laten, toont dit onderzoek. Voorzichtigheid is geboden.Nood aan een helikopterperspectiefWe moeten vermijden dat dit debat verzandt in een discussie over modaliteiten en definities. Die modaliteiten zijn weliswaar erg belangrijk. We moeten namelijk duidelijkheid hebben over welk soort innovatie we als maatschappij wel (en niet) nastreven. We moeten weten wat bedoeld wordt met militaire O&O of met Dual Use O&O - en vooral hoe we dat eenduidig kunnen bepalen. We moeten weten welk soort overheidssteun niet toelaatbaar is indien een O&O project als 'militair' wordt gedefinieerd. Gaat het enkel om een verbod op subsidies of ook om een uitsluiting van andere dienstverlening?Maar dit debat hoort over meer dan alleen modaliteiten te gaan. Het verdient ook een helikopterperspectief, een bredere reflectie. Waarom nam de Vlaamse regering in 1994 de positie aan dat ze civiele O&O wil prioritiseren, en gelden die overwegingen nog? Kunnen we voldoende maatschappelijke return verwachten van mogelijk investeringen in militaire O&O? Is het uitbreiden van militaire capaciteit het enige logische antwoord op de veranderende veiligheidssituatie? Deze, en andere, vragen verdienen het om tijdens een publiek en parlementair debat ten gronde besproken te worden. Tijdens zo'n debat dienen argumenten voor en tegen een mogelijke versoepeling van de huidige praktijk redelijk tegen elkaar afgewogen te worden.Een eerste stap in dat debat vond gisteren plaats in het Vlaams Parlement, tijdens een hoorzitting van de verenigde commissies Buitenlands Beleid en Economie. Dat commissie-overschrijdend debat is belangrijk. Ook wat dat betreft is een helikopterperspectief noodzakelijk. Dit is geen debat over een louter economisch vraagstuk, al zijn economische overwegingen belangrijk. Het advies van het Vredesinstituut is dan ook om in dit debat af te wegen welk gewicht we als Vlaanderen willen geven aan respectievelijk economische, veiligheids- en ethische overwegingen bij het maken van beleidskeuzes. Dit moet expliciet gemaakt worden in een duidelijk beleid. Bovendien hoort elke mogelijke beleidswijziging te leiden tot een coherent en gecoördineerd beleid, dat ook aandacht heeft voor andere beleidsdomeinen en beleidsniveaus. Nood aan visie en coherentieDie expliciete en coherente beleidsvisie is belangrijk. Ze is belangrijk voor bedrijven en onderzoeksinstellingen omdat ze voorspelbaarheid en duidelijkheid garandeert. Maar ze is ook belangrijk voor Vlaanderen als deelstaat. Een eigen duidelijke beleidsvisie op dit onderwerp maakt het mogelijk om als gelijkwaardige partner in overleg te treden met het federale en het Europese niveau omtrent de Vlaamse prioriteiten op vlak van, onder meer, veiligheid en defensie. Zolang Vlaanderen geen duidelijke visie heeft over welk soort projecten het wil ontwikkelen op haar grondgebied, blijft het afhankelijk van de visie van andere beleidsniveaus.Het is ook belangrijk dat de Vlaamse visie op O&O niet de visie en praktijk binnen andere Vlaamse bevoegdheidsdomeinen ondergraaft. Een voorbeeld is het beleid rond wapenexportcontroles. Dit is in Vlaanderen duidelijk vormgegeven. Echter, indien er meer (en andere) militaire producten ontwikkeld zouden worden in Vlaanderen, zouden deze producten ook moeten uitgevoerd worden. Hoe zorgen we er in dat geval voor dat de verworvenheden van het Vlaamse wapenexportsysteem niet onder druk komen te staan? Of hoe garanderen we dat de civiele focus van het Vlaamse industriële beleid niet in het gedrang komt als er gesleuteld wordt aan het O&O beleid? Maar ook, en vooral, hoe garanderen we best dat mogelijke aanpassingen aan het O&O beleid niet gaan interfereren met internationaalrechtelijke verplichtingen die op Vlaanderen van toepassing zijn?Nood aan een doordachte aanpakDit zijn complexe vraagstukken en het Vredesinstituut adviseert dan ook een doordachte aanpak die niet over een nacht ijs gaat. Het gaat hier om een fundamentele beleidskeuze. Bij het maken van een dergelijke keuze is belangrijk dat het huidige debat rond de mogelijke financiering van militaire O&O niet overschaduwt dat het ook belangrijk blijft om ook na te denken over het bredere vraagstuk van duurzame veiligheid, en over de vraag hoe Vlaanderen ook state-of-the-art kan worden (en blijven) in dit domein. Ook daarvoor worden best voldoende middelen vrijgemaakt.