De voorbije weken is er verschillende keren ophef ontstaan over het kappen van bomen in bossen. Het Agentschap Natuur en Bos van de Vlaamse overheid kreeg de wind van voren van lokale actiegroepen, maar werd wel gesteund door academici en ngo's zoals BOS+ . Het is duidelijk dat het draagvlak voor bossen in Vlaanderen nooit zo groot is geweest en dat het kappen van bomen bovendien een emotionele kwestie is. Blijkbaar slagen experts er niet in om de boodschap duidelijk over te brengen: er is nood aan bijkomend bos, maar toch kan bomen kappen in het bos niet altijd kwaad.

Hieronder presenteren we een eenvoudig afwegingskader dat kan helpen om door de bomen het bos te blijven zien.

© Pieter Vangansbeke

Rood licht: van bos naar beton

Eerst en vooral is er een groot verschil tussen ontbossing enerzijds en bosbeheer anderzijds. Bij ontbossing verschijnt er na het kappen van de bomen niet opnieuw bos, maar een ander landgebruik. In Vlaanderen, haast wereldkampioen bosarmoede, moet het omzetten van bos naar industrie, bebouwing of ander menselijk landgebruik eigenlijk tot elke prijs vermeden worden, zeker gezien de huidige klimaat- en biodiversiteitscrisis.

Wordt er toch voor ontbossing gekozen, moet de schade in oppervlakte tot een minimum beperkt worden en is er nood aan compensatie door aanplant van nieuw bos. Zoals professor Verheyen stelt in een recent opiniestuk in De Standaard aangaf duurt het minstens enkele decennia voor vergelijkbare natuurwaarden zich ontwikkelen in het nieuw aangeplante compensatiebos. Om op middellange termijn geen verlies te hebben van biodiversiteit, is het daarom nodig om de gekapte oppervlakte te vermenigvuldigen met een boscompensatiefactor die afhangt van de waarde en leeftijd van het verdwenen bos. Bijvoorbeeld, het kappen van een 100 jaar oud eikenbos kan enkel gecompenseerd worden door het aanplanten van een pakweg vijfmaal zo grote oppervlakte nieuw eikenbos. De huidige regelgeving voorziet al een boscompensatiefactor, daar zou nog een tijdsfactor aan toegevoegd kunnen worden.

Bij een dergelijke ontbossing met compensatie is er nood aan een eerlijke en duidelijke communicatie. Al lijkt een dergelijke ingreep tegenwoordig bijna steevast op maatschappelijk protest te stuiten, denk bijvoorbeeld maar aan het breed gedragen protest bij de ontbossing door het transportbedrijf Essers. Bovendien zal een compensatie, zeker op korte termijn, nooit de natuurwaarde van het verdwenen bos perfect vervangen. In dit geval is het dus misschien wel een wenselijke tendens dat de opinie het licht op rood zet. In Vlaanderen is er juist sterke nood aan de omgekeerde beweging; het is hoog tijd om de vaak uitgesproken ambitie van 10 000 hectare bosuitbreiding op het terrein te realiseren.

Groen licht: bosbeheer

Bij bosbeheer worden net als bij ontbossing ook bomen gekapt, maar achteraf verschijnt er op dezelfde plaats opnieuw bos. Zoals professor Muys aanhaalt, is het kappen van bomen een van de enige maatregelen waarmee beheerders kunnen ingrijpen in de structuur en samenstelling van het bos. Met een gerichte kap worden uitheemse bomen plaatselijk vervangen door inheemse en wordt er bijvoorbeeld variatie gebracht in de leeftijdsverdeling. Op die manier kan een bosbeheerder de biodiversiteit doen toenemen, maar ook zorgen voor een aantrekkelijk, gevarieerd bosbeeld en een continue productie van hout.

Het gebruik van hout uit onze bossen als een duurzame grondstof is óók een belangrijke klimaatmaatregel: koolstof wordt opgeslagen in het hout dat gebruikt wordt in constructies of in meubels. Tegelijk is er in het bos plaats voor groei van nieuwe bomen die extra koolstof kunnen opslaan. Bovendien is het gebruik van lokaal geoogst hout veel gunstiger voor het klimaat dan alternatieven als tropisch hout, aluminium of beton.

Bij bosbeheer en bosomvorming speelt ook de schaal waarop dit gebeurt een rol in de gevoeligheid bij de publieke opinie. Een grootschalige ingreep op bestandsniveau, een zogenaamde kaalkap, ligt veel gevoeliger dan kleinschalig bosbeheer op boomniveau. Dat is ook deels terecht, een vlaksgewijze ingreep heeft een veel grotere impact op het bosbeeld, op biodiversiteit en ook op de gevoeligheid van het ecosysteem aan verstorende milieufactoren. Recent onderzoek wijst uit dat een kaalkap het microklimaat grondig verandert en dat het samenspel tussen een grotere hoeveelheid licht, een verhoogde temperatuur en een toegenomen stikstofbeschikbaarheid zal leiden tot ingrijpende verschuivingen in vegetatie en bodemleven met verlies van typische bossoorten tot gevolg.

Toch zijn dergelijke ingrepen zeker te verdedigen. Een kaalkap lijkt onnatuurlijk, maar bootst eigenlijk typische natuurlijke processen na zoals een bosbrand of een overstroming door een beverdam. Specifieke soorten van open plekken zullen profiteren en door het warmere microklimaat zijn dit vaak hot spots voor insecten en bijgevolg ook voor insectenetende vogels. Op het niveau van het bos zal de biodiversiteit het hoogst zijn bij een beschikbaarheid van een waaier aan habitat; enerzijds stukken gesloten bos met voldoende grote bomen en dood hout en anderzijds een netwerk van kleinere en grotere open plekken. Een kaalkap met houtoogst in functie van een bosomvorming naar gewenste, inheemse boomsoorten is dus vaak positief, als de bosbalans op landschapsniveau niet uit evenwicht geraakt.

Voor bosbeheer, dat gereguleerd wordt door een goedgekeurd beheerplan, mag er in onze bossen bijna altijd "groen licht" gegeven worden. Zeker voor ingrepen op bestandsniveau is het wel belangrijk om buurtbewoners en recreanten grondig te informeren over het verrichte beheer en de beoogde doelstellingen.

Oranje licht: ontbossing voor natuur

Soms vinden ontbossingen ook plaats in functie van ontwikkeling van andere natuurtypes zoals permanente open plekken of heide. Bij een dergelijke maatregel moet er heel goed worden nagedacht over voor- en nadelen. Bij heideherstel kan er bijvoorbeeld zeker een winst zijn op vlak van biodiversiteit (meer vlinders, andere plantensoorten) en recreatie (afwisselender bosbeeld), maar kan er tegelijkertijd een verlies zijn op vlak van andere, bosgerelateerde soorten en van andere bosfuncties zoals het behoud van een koeler microklimaat.

Gezien de huidige biodiversiteitscrisis kan het zeker soms te verantwoorden zijn om te kiezen voor ontbossing in functie van waardevolle andere natuur, ondanks het verlies van andere bosfuncties. Maar ook bij ontbossing voor natuur is een compensatie meestal wettelijk verplicht en is het als beheerder in elk geval aan raden om de hoeveelheid bos en dus ook de hoeveelheid opgeslagen koolstof op landschapsschaal te behouden of te vergroten. In de gecontesteerde ontbossing in het Heverleebos lijkt het ANB aan alle voorgaande voorwaarden voldaan te hebben: er is lokale biodiversiteitswinst, op bosniveau blijft de balans in evenwicht en door de boscompensatie zal er uiteindelijk meer koolstof opgeslagen worden dan er verloren gaat.

De consternatie lijkt hier vooral voort te vloeien uit een groeiende kloof tussen bosgebruikers en bosbeheerders. Burgers klagen over een gebrek aan communicatie en inspraak, terwijl er aan de andere kant klinkt dat burgerplatformen emotionele betrokkenheid vooropstellen boven deskundigheid. Dat het ANB aangeeft gas terug te willen nemen met kappingen is enerzijds begrijpelijk en niet onverstandig in de huidige gespannen context, maar anderzijds zou er misschien vooral meer moeten worden geïnvesteerd in het stapsgewijs dichten van de kloof met de bosgebruikers. Door samen aan tafel te gaan zitten, of beter nog, het bos in te trekken, kunnen beheerders de verzuchtingen van burgers beter begrijpen en kunnen burgers de expertise van beheerders terug leren waarderen. De voorbije jaren liep het aantal mensen op het terrein echter juist sterk terug door besparingen, wat leidt tot overbevraagde bosbeheerders die hiervoor amper nog tijd en energie hebben om die communicatie met het publiek te voeren. Bijkomende investeringen in mensen die kunnen instaan voor de dialoog met de bosgebruikers lijken noodzakelijk om voor deze nodige beheeringrepen voor iedereen het licht op groen te krijgen.

Pieter Vangansbeke is bio-ingenieur bos- en natuurbeheer bij het Labo Bos & Natuur van de Universiteit Gent. Zijn doctoraat handelde over het duurzaam verenigen van verschillende bosfuncties. Hij is medebeheerder van het Aelmoeseneiebos (UGent) en van de Bourgoyen en de Vinderhoutse Bossen (voor Natuurpunt Gent).