Het armoederisico is gebaseerd op het beschikbare inkomen. Wie in een huishouden woont waar het totale beschikbare inkomen lager ligt dan 1.187 euro per maand (voor een alleenstaande), wordt als arm beschouwd. In 2018 was dat dus het geval voor 16,4 procent van de Belgische bevolking, tegen 15,9 procent in 2017. Het is geen verrassing dat het armoederisico veel hoger is voor werklozen (49,4 procent) dan voor de werkende bevolking (5,2 procent). Ook eenoudergezinnen en huurders lopen een groter risico op armoede. Mensen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs lopen vier keer meer kans om financieel arm te zijn dan de hoogst opgeleiden (27,8 tegen 6,4 procent). Beter nieuws komt er van de indicator voor het risico op armoede of sociale uitsluiting. Die is voor het eerst gedaald onder 20 procent, tot 19,8 procent. Deze indicator houdt behalve met het inkomen ook rekening met twee andere risicofactoren, en die zijn verbeterd. Zo leefde vorig jaar 12,1 procent van de Belgische bevolking in een huishouden met een lage werkintensiteit (tegen 13,5 procent in 2017) en werd 4,9 procent geconfronteerd met ernstige materiële deprivatie (5,1 procent in 2017). Dit betekent dat zij niet in bepaalde basisbehoeften konden voldoen, zoals huur betalen, onverwachte uitgaven bekostigen, een auto of telefoon kopen ... De cijfers zijn gebaseerd op een bevraging van ongeveer 6.000 huishoudens. (Belga)