Op woensdag 20 maart leggen leerkrachten uit het basis, secundair en hoger onderwijs het werk neer. En dat is niet zo vanzelfsprekend als het voor sommigen misschien lijkt. 'Ik kan mijn leerlingen toch niet aan hun lot overlaten?', 'ik kan mijn collega's toch niet opzadelen met extra werk in de studie?', 'Ik moet mijn lessen wel gezien hebben op het einde van het jaar, ik kan echt geen uren missen', het zijn maar enkele van de argumenten die we horen om niet te staken. Maar dat neemt niet weg dat het voor leerkrachten heel duidelijk is: de werkdruk is te hoog, er moet iets gebeuren, genoeg is genoeg. En daarom leggen ze op 20 maart toch het werk neer, hoe moeilijk dat ook is.

Een job in het onderwijs moet ook haalbaar zijn, en dat is vandaag steeds minder het geval

'Een leerkracht werkt toch maar 20 uur per week?' Nog niet zo lang geleden was dat een courante uitspraak, gelukkig wordt die meer en meer tegengesproken. Leerkrachten in het secundair onderwijs geven ongeveer 20 uur les. Maar dat is maar een fractie van het werk. Je kan het vergelijken met een nieuwslezer, niemand denkt toch dat Martine Tanghe enkel werkt wanneer ze on air is. Naast lesgeven zijn er de lesvoorbereidingen, het maken en verbeteren van toetsen en taken, de toezichten op speelplaats en tijdens de studie, de vergaderingen met vakgroep, werkgroepen, klassenraden en oudercontacten. En dan hebben we het nog niet over de steeds toenemende administratieve rompslomp. Een recente studie bevestigt: een leerkracht werkt gemiddeld 41 uur per week, en tijdens de lesweken loopt dat op tot 50 uur.

Inclusie zonder middelen

Daar komt het befaamde M-decreet bij. Het M-decreet wil kinderen met een beperking een plaats in het gewoon onderwijs bieden. Inclusie dus, een goede zaak, dat vinden leerkrachten ook. Maar het M-decreet, dat is inclusie zonder extra middelen. Dat wil zeggen dat bij Reninka op school het kindje dat in een rolstoel zit dagelijks meermaals op en af de trap moet worden gedragen, want er is geen geld voor een lift. Dat wil zeggen dat Elke lesgeeft aan een klas van 20 leerlingen waarvan vier met ADHD, drie met een vorm van autisme, zes met dyslexie en daarnaast vier voor wie het allemaal veel te traag gaat. 'Meer differentiëren', krijgt Elke dan te horen tijdens een bijscholing. Maar de lokalen zijn niet aangepast, er is niet voldoende materiaal en er is geen extra hulp. Doe het maar.

Anciens vallen uit door burn-outs, starters stoppen omwille van de druk en de onzekerheid. De gaten worden opgevuld door wie al meer dan voltijds werkt, tot die op hun beurt uitvallen. 'Ik vraag niet om een loonsverhoging, ik vraag om meer collega's en minder papieren', zegt Audrey wanneer ze uitlegt waarom ze woensdag staakt. Want lesgeven is een passie. Je moét dat graag doen, je moét je leerlingen graag zien, anders hou je het niet vol.

Terwijl de noden steeds groter werden, vonden de achtereenvolgende Vlaamse regeringen er niets beter op dan telkens opnieuw te besparen in het onderwijs.

Maar het moét ook haalbaar zijn. En dat is het steeds minder. Vorig onderwijsminister Pascal Smet schafte de mentoruren waarmee jonge leerkrachten begeleid worden af. Het resultaat laat zich raden: één op vier starters houdt het na vijf jaar al voor bekeken. En voor de oudere leerkrachten werd brugpensioen en de landingsbanen botweg afgeschaft. In de toekomst zullen leerkrachten vijf tot zeven jaar langer moeten werken voor honderden euro minder pensioen. Heel wat leerkrachten trekken hun conclusies en geven er de brui aan. Op 1 januari dit jaar waren er daarom niet minder dan 1.400 leerkrachten tekort. Voor heel wat vakken en langdurige interims vindt men nu al geen mensen meer, een probleem dat alleen maar toeneemt.

Dat alles is nefast voor de kwaliteit van het onderwijs. Als leerkrachten hun job niet meer naar behoren kunnen uitoefenen zal het peil van het onderwijs onvermijdelijk - blijven - zakken en verminderen de slaagkansen van leerlingen. De klachten zijn gekend, al vele jaren, maar ze worden genegeerd. Sterker, terwijl de noden steeds groter werden, vonden de achtereenvolgende Vlaamse regeringen er niets beter op dan telkens opnieuw te besparen in het onderwijs. Terwijl er miljarden worden besteed aan nieuwe gevechtsvliegtuigen, gaat het aandeel van onze rijkdom dat naar onderwijs gaat jaar na jaar achteruit. Waar liggen onze prioriteiten?

Tijd voor een grondige koerswijziging

Onze leerlingen zijn de toekomst, en leerkrachten zijn de spil om die toekomst mee te helpen ontwikkelen. Het is dus hoog tijd voor een grondige koerswijziging om de job van leerkracht weer werkbaar te maken. Om te beginnen moeten de klasgroepen kleiner. Tot aan het tweede leerjaar moet 15 leerlingen het maximum zijn, nadien wordt dat 20. Verder moet inclusie ook haalbaar gemaakt worden en daarvoor moeten er meer middelen en meer mensen bijkomen. Daar waar nodig moet een extra zorgleerkracht kunnen voorzien worden in de klas. 'Minder papieren', zegt Audrey, en ze heeft gelijk. Leerkrachten moeten zich meer kunnen toeleggen op hun kerntaak en zoveel mogelijk worden ontlast van administratieve verplichtingen en andere taken. Voor pas afgestudeerde leerkrachten moet er werk- en loonzekerheid komen en omkadering door mentoren. Ten slotte moeten er opnieuw landingsbanen worden gecreëerd en moeten de besparingen in de pensioenen ongedaan gemaakt worden.

Om dit mogelijk te maken is een herfinanciering nodig van ons onderwijs. Op korte termijn is er minstens één miljard euro extra nodig. Voor gevechtsvliegtuigen voorziet de regering negen miljard, voor mobiliteit en beton zes miljard. Wij vragen één miljard om de toekomst te garanderen, wie kan daar nu tegen zijn?