In een opiniebijdrage pleiten Frédéric Amez en Tony Van de Calseyde (BPlus) voor een federale kieskring. Elke Belg zou zo, althans voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de kans krijgen om twee stemmen uit te brengen. De ene in een provinciale kieskring (of het Brussels gewest) en de andere in een nationale kieskring. Het doel is nobel: meer cohesie en minder polarisatie tussen de gemeenschappen. Maar is dat zo eenvoudig?

Een federale kieskring kan de legitimiteit van separatistische politici versterken.

Een argument voor een federale kieskring zoekt men in het democratisch deficit, veroorzaakt door de '(quasi-)afwezigheid van federale politieke partijen'. 'De federale ministers zijn bevoegd voor het ganse land", zo stellen 'de auteurs vast. Ze voegen eraan toe: 'Niettemin beschikt een Vlaming over geen enkel wapen om een Franstalige minister bij de verkiezingen af te straffen of te belonen.'

De enige invloed die de kiezer - ongeacht zijn woonplaats - op de samenstelling van de regering heeft, is nochtans indirect. Hij kan volksvertegenwoordigers die de coalitie steunen belonen of afstraffen. Een nationale kieskring is daarvoor niet nodig.

De uitvoerende macht wordt inderdaad niet verkozen. Ze kan in principe zelfs maar een klein deel van het electoraat binnen dezelfde taalgroep vertegenwoordigen. Zo leverde tijdens de vorige legislatuur de MR alle Franstalige ministerzetels, terwijl maar 21 procent van alle Franstalige kiesgerechtigden op die partij stemde. Wie opziet tegen de mogelijkheid van een zogenaamde 'Vlaamse minderheidsregering', doet er goed aan om hier ook bij stil te staan.

Dat er haast geen nationale politieke formaties zijn, is onwaar. Op heden is méér dan 1/5de van de Kamerleden afkomstig uit nationale fracties of unitaire politieke partijen. Dat is het grootste aantal sedert de jaren 1970. De trend om meertalige fracties te vormen, lijkt zich trouwens door te zetten. Ook in liberale kringen wordt erover nagedacht.

Anderzijds is het een feit dat bijna 30 procent van de Kamerleden behoort tot de separatistische familie. En dat de drie traditionele politieke families na 26 mei 2019 nog 48 procent van de Kamerleden overhouden. Ter vergelijking: in 1995 waren dat er nog méér dan 80 procent. Drie opeenvolgende staatshervormingen, die min of meer tegemoet kwamen aan de eisen van de taalnationalisten, hebben de separatisten op electoraal vlak niet afgeremd, integendeel. Op twintig jaar tijd werd hun zetelaantal méér dan verdubbeld.

Een Nederlandstalige kan vandaag op een Henegouwse lijst kandideren. En wie verbiedt aan Franstaligen om in Vlaams-Brabant lijsten neer te leggen?

Wie België wil verdedigen, moet in de eerste plaats weerleggen wat nationalisten verkondigen. Maar de meeste politici kunnen de burger zelfs geen correcte definitie geven van wat confederalisme nu eigenlijk is, laat staan dat ze zeggen waarom ze ertegen zijn. Erger nog, bewust of onbewust blijven zeer velen enkel spreken in termen van 'Vlaanderen' en 'Wallonië', alsof dat 'de' realiteit is. Het separatistisch wereldbeeld wordt zo gelegitimeerd.

De vorige auteurs schreven dat een nationale kieskring nodig is 'als men België nog een ernstige kans wil geven'. Ik vrees dat ze dwalen. Er is nog nooit een land uit elkaar gevallen bij gebrek aan een hervorming van de kieswet.

Overigens kan vandaag een Nederlandstalige op een Henegouwse lijst kandideren. En wie verbiedt aan Franstaligen om in Vlaams-Brabant lijsten neer te leggen?

Dat 'we niet op elkaar kunnen stemmen' lijkt me een zwak argument. Een Antwerpenaar kan ook niet op Limburgse lijsten stemmen, zelfs niet voor het Vlaams parlement. Nochtans ontstaat er daar geen dynamiek waarbij Limburgse en Antwerpse partijen een polariserend discours voeren en de belangen van hun eigen provincie gaan verdedigen. Dat die op Belgisch niveau wel aanwezig is, is het gevolg van het bestaan van twee grote nationalismen die bovendien eigen parlementen en regeringen hebben.

Grondwettelijk probleem

De invoering van een federale kieskring botst ook op een aantal constitutionele problemen. Zo bepaalt artikel 42 van de Grondwet dat de leden van beide Kamers de Natie vertegenwoordigen en niet enkel diegenen die ze hebben verkozen. Anders gezegd, een Kamerlid is niet zomaar iemand die louter de belangen van zijn provincie of electoraat belichaamt. Indien men een substantieel deel van de Kamerleden - vijftig personen bijvoorbeeld - verkiest in een nationale kieskring, is er een probleem.

Immers, door een deel van de Kamer rechtstreeks door alle Belgen te laten verkiezen en een ander deel niet, dreigt een soort hiërarchie te ontstaan tussen parlementsleden. Er loopt dan een virtuele scheidslijn tussen diegenen die de facto de natie vertegenwoordigen (de vijftig 'nationale Kamerleden') en diegenen die de iure de natie vertegenwoordigen (de rest).

Men zou 25 van de 60 Senatoren landelijk kunnen laten verkiezen, eenzelfde aantal door de deelstaten kunnen laten aanduiden en tien kunnen laten coöpteren.

Een tweede grondwettelijk obstakel betreft de indeling in taalgroepen. De bedoeling van een federale kieskring, is om een groep Belgische Kamerleden in het leven te roepen die een federale dynamiek scheppen. Tegelijk is de Kamer ingedeeld in taalgroepen. Met een federale kieskring van vijftig zetels in de huidige Kamer, zouden er 29 zetels aan Nederlandstaligen en 21 aan Franstaligen toebedeeld worden. Maar wat is het nut van een federale kieskring wanneer de taal-quota bij voorbaat vastgelegd zijn? Waarom zou dit politici aanmoedigen om landelijk campagne te voeren?

Ironisch genoeg kan een federale kieskring de legitimiteit van separatistische politici zelfs versterken. Zoals de auteurs het stellen zijn er 'zelfs binnen de N-VA, politici met bekendheid én populariteit aan de overzijde van de taalgrens'. In een nationale kieskring, waar de kans dat separatistische politici door handig in te spelen op thema's als onveiligheid en migratie, zeer populair worden in héél België, wordt dit effect versterkt.

Bovenstaande kritiek betekent niet dat een nationale kieskring overbodig is. De vorige auteurs wezen terecht op een groter politiek verantwoordelijkheidsbesef dat zo'n hervorming teweeg kan brengen. Dat gebeurt echter best in de Senaat. Men zou 25 van de 60 Senatoren landelijk kunnen laten verkiezen, eenzelfde aantal door de deelstaten kunnen laten aanduiden en tien kunnen laten coöpteren. Die laatste categorie is niet nutteloos, zoals men vaak (en onterecht) hoort, maar zorgt er net voor dat deskundigen in hun domein toegang tot het politieke leven kunnen krijgen.

Meer bevoegdheden voor de Senaat

Het is evident dat die hervorming nutteloos is, wanneer de Senaat maar over een schaars aantal bevoegdheden beschikt, zoals dat vandaag het geval is. Minstens dienen de bevoegdheden van de Eerste Kamer uitgebreid te worden met de beslechting der belangenconflicten, de goedkeuring van samenwerkingsakkoorden tussen de federale staat en één of meer deelstaten en de zogenaamde 'gemengde' verdragen. Dat zijn internationale verdragen waarvoor zowel de Belgische staat als de deelgebieden hun akkoord moeten geven.

Het belangrijkste is dat de nationale Senatoren een specifiek doel zouden hebben: het versterken van een wetgevende assemblee.

Het is zeer redelijk dat de Senaat bevoegd wordt voor deze materies. De stemming gebeurt dan met een gewone meerderheid in een democratische ruimte. Tijdens de onderhandelingen over de zesde staatshervorming werd trouwens reeds in het regeerakkoord geopperd dat de Senaat 'eventueel [bevoegd wordt voor] de goedkeuring van sommige gemengde verdragen [...]'. Dat bleef echter dode letter.

Ook vallen de bezwaren die men kan maken tegen een nationale kieskring in de Kamer weg. Het aantal verkozen Senatoren speelt geen rol in de regeringsvorming. Er zou geen concurrentie ontstaan tussen het statuut van provinciale Senatoren en landelijke Senatoren. De nationale Senatoren vormen 'gewoon' een derde categorie Senatoren, naast de deelstatelijke en gecoöpteerde Senatoren.

Het belangrijkste is dat de nationale Senatoren een specifiek doel zouden hebben: het versterken van een wetgevende assemblee, die vandaag louter de deelgebieden vertegenwoordigt, door een substantiële inbreng van de Belgische staat. Zo hoort het ook, want de Senaat maakt deel uit van de federale wetgevende macht.

Denken dat men de Belgische staat gaat versterken of vernieuwen door een aantal Kamerleden in een federale kieskring te laten verkiezen, is erg naïef. De invoering van een gelijkaardige kieskring koppelen aan een grondige hervorming van ons bicameralisme, is daarentegen wél toekomstgericht.