De Nederlandse stadsecoloog Diny Tubbing pleit ervoor om katten 's avonds binnen te houden, zodat ze minder vogels vangen. Terwijl de natuurbescherming het voorstel enthousiast toejuicht, zijn kattenliefhebbers minder overtuigd. We hebben het zelf al moeilijk om ons aan de avondklok te houden, laat staan dat het aanvaardbaar is voor katten, die 's nachts net zeer actief zijn. Toch moeten we waken over de gevolgen van het in huis nemen van dit solitair jagende dier. Maar wat staat er precies op het spel? Een avondklok voor katten, wie ligt daar wakker van?

Het is niet voor het eerst dat de kat op de klauwen wordt getikt. Het verwijderen van kattennagels, de kat letterlijk de bel aanbinden (om de prooien te waarschuwen) of een verbod op loslopende katten, het zijn maar enkele voorstellen die de voorbije jaren de revue passeerden. De ene methode is al katonvriendelijker dan de andere. Kunnen krabben is een belangrijke natuurlijke gedraging voor katten, een belletje maakt hen knettergek en ze verplicht binnenhouden van de ene dag op de andere zou tot een hoop gedragsproblemen leiden. De avondklok lijkt een aanvaardbare tussenoplossing om een aanzienlijk deel van de vangst terug te dringen. Toch moet de kat ook hier een deel van haar vrijheid inleveren. De belangrijke vraag is dan ook waarom dat nodig is. Wie of wat moeten we eigenlijk beschermen?

Een avondklok voor katten. Wie ligt er wakker van?

Een eerste mogelijke antwoord: de natuur. Volgens ecocentristen heeft de natuur intrinsieke waarde en hebben ecosystemen belangen. Zoals wij belang hebben bij een hoog welzijn, zo zou een ecosysteem baat hebben bij een hoge biodiversiteit of soortenrijkdom. Omdat de kat een bedreiging vormt voor het voortbestaan van sommige vogelsoorten, moeten we haar jaaggedrag tegengaan, aldus het ecocentrisme. Deze positie heeft echter een probleem. De natuur ligt niet wakker. Ecosystemen noch soorten hebben enige vorm van bewustzijn. Een ecosysteem zelf heeft dus niets aan een hoge biodiversiteit. Ook een soort heeft er geen belang bij dat ze bestaat. Het is immers niet meer dan een verzamelterm voor dieren of planten die een aantal eigenschappen met elkaar delen.

Misschien is het in ons eigen belang dat vogelsoorten niet verdwijnen. Als we de kat vrij spel geven, verliezen we mogelijks een stukje schoonheid van de natuur en dat willen we niet. Wie geniet er niet van de aanwezigheid van een pimpelmees of roodborstje in de tuin? Toch lijkt dit geen voldoende reden om de kat het jagen te beletten. Onze menselijke belangen moeten immers niet automatisch voorrang krijgen en er zijn nog manieren om de natuur te bewonderen, waarbij we katten niet in hun vrijheid beperken. Er is echter nog een reden om de soortenrijkdom te beschermen: soorten spelen een rol in het ecosysteem waar ze leven. Het verdwijnen van één soort kan zeer ernstige gevolgen hebben voor mens en dier. Er kan al snel een sneeuwbaleffect ontstaan waarbij het verdwijnen van de ene soort het verdwijnen van de andere veroorzaakt. Ook al is de kans hierop niet bijzonder groot, we kunnen maar beter geen al te grote risico's nemen.

Stephens-eilandrotswinterkoning

Het risico dat het jaaggedrag van de kat ons met een ecologische kater opzadelt, is volgens natuurbeschermers alvast groot genoeg om haar binnen te houden. Om dit aan te tonen verwijzen ze graag naar een anekdote die zich afspeelde op Stephens Island, een eilandje in de buurt van Nieuw-Zeeland, waar in 1894 een vuurtorenwachter voet aan land zette, samen met zijn kat Tibbles. Af en toe bracht die een dood vogeltje mee naar huis. Op een dag bracht Tibbles een vogeltje mee dat de vuurtorenwachter nooit eerder had gezien. Hij liet het lijkje onderzoeken, maar het identificatieproces duurde vrij lang. Het besef kwam laat dat het om een nieuwe soort zangvogel ging, de eerste ooit die niet kon vliegen. Ondertussen had Tibbles echter de hele populatie van deze bijzondere soort opgepeuzeld. Het vogeltje werd uiteindelijk de stephens-eilandrotswinterkoning genoemd.

De situatie van een vogelsoort die niet kan vliegen op een eiland van anderhalve vierkante kilometer - waar sowieso al weinig ontspanningskansen zijn - kunnen we echter onmogelijk veralgemenen. Hoe zit het met de katten in onze tuinen en straten? Ook bij ons vormt de kat volgens sommigen een groot gevaar. De antikattenlobby gaat prat op studies die elk jaar tientallen miljoenen prooien rapporteren. Dat klinkt geweldig veel, maar zonder gegevens over het totale aantal prooien kan je moeilijk afleiden dat het voortbestaan van soorten bedreigd is.

Naast deze cijfers verwijzen natuurbeschermers ook graag naar het zogenaamde 'natuurlijke evenwicht': een ideale toestand waarin de natuur spontaan verkeert als er geen stoorzenders in het spel zijn. Omdat katten hier zijn door de mens en niet door natuurlijke selectie, zouden ze het natuurlijke evenwicht verstoren. Ook dit argument houdt echter geen steek. De reden is eenvoudig: iets dat niet bestaat kan je ook niet verstoren. Het idee van een natuurlijk evenwicht is een misvatting. Alles in de natuur verloopt chaotisch. Via terugkoppelingsmechanismes (bijvoorbeeld het opwarmen en afkoelen van de aarde) heeft de natuur de neiging om een stabiele toestand (bijvoorbeeld een stabiel klimaat) te ontwikkelen, maar 'in rust' is de natuur nooit. Alles verandert constant, alles is voortdurend in beweging. Er is geen evenwicht of balans waar de natuur steeds naar terugkeert.

Factor luiheid

Dit starre evenwichtsdenken is nefast voor het oplossen van milieuvraagstukken. We kunnen maar beter kijken naar de werkelijke gevolgen. Doordat de kat hier is door de mens en niet door natuurlijke selectie, moeten we in elk geval op onze hoede zijn. Prooidieren hebben niet de tijd gekregen om zich aan te passen aan de jager. Bovendien vermindert het aantal katten niet als het aantal prooien daalt, zoals in een natuurlijke situatie. De kat is immers niet afhankelijk van prooien om te overleven, maar van het eten dat ze van ons krijgt. Toch is er een belangrijke rem op het jaaggedrag van katten: hun luiheid. Niet alleen als het gaat om aandacht of voedsel, maar ook tijdens de jacht, gaan katten opportunistisch te werk. Ze liggen op de loer en vangen vooral prooien van de soorten die het vaakst voorkomen. Zeldzame prooien staan zelden op de menu. Biodiversiteit, hoe belangrijk het ook is, vormt dus geen reden om katten aan een avondklok te onderwerpen.

Een kat vangt vooral verzwakte prooien die anders ook vroegtijdig zouden sterven. Zieke vogels voor de kat.

Maar we mogen het debat hier niet stopzetten. Soortenbehoud is eigenlijk maar een weinig ambitieus doel. Zodra we het minimale aantal dieren en de minimale oppervlakte bepaald hebben die nodig zijn om soorten in stand te houden, vernietigen we zonder schaamte ontelbare habitats. Op globaal niveau verdubbelde de mensenpopulatie in vergelijking met de jaren zestig, terwijl de populaties van wilde dieren een derde kleiner werden. Ook wat de impact van katten betreft, lijkt het onvoldoende om ervoor te zorgen dat er geen soorten uitsterven. Het wordt tijd om de morele lat hoger te leggen en te denken aan de partijen die écht redenen hebben om wakker te liggen van de kat: haar prooien. Niet de soort waartoe ze behoren, maar de individuele dieren. Net zoals katten en mensen zijn de prooien van katten, voornamelijk kleine knaagdieren en vogels, voelende wezens die er belang bij hebben om niet (half) opgepeuzeld te worden.

Ook hier mogen we ons niet laten verblinden door cijfers over het aantal vangsten. Een kat vangt vooral verzwakte prooien die anders ook vroegtijdig zouden sterven. Zieke vogels voor de kat. Zeventig procent van de prooien van katten zijn bovendien kleine knaagdieren. Die muizen en ratten zijn zogenaamde r-strategen: ze planten zich voort aan een hoge ratio of snelheid en krijgen enorm veel nakomelingen waarvan sowieso slechts een klein deel overleeft. Een andere deel van de prooien kan zonder de kat wel nog van een mooi leven genieten. Het is in het belang van deze dieren dat we katten geen vrij spel mogen geven.

Terwijl natuurbeschermers zich blindstaren op het idee dat we geen soorten mogen doen uitsterven, verliezen we de individuele slachtoffers uit het oog. Nochtans zijn dierenrechten de enige goeie reden om katten het jagen te beletten. Daaruit volgt dat we ook de belangen van de kat moeten meenemen in de zoektocht naar manieren om haar jaaggedrag te verhinderen. Naast omheinde tuinen of gekleurde halsbanden die ervoor zorgen dat prooien het gevaar beter zien aankomen, kan ook een avondklok een katvriendelijke optie zijn. Als de huisinrichting optimaal inspeelt op haar noden en baasjes het jaaggedrag voldoende stimuleren, bijvoorbeeld met speelgoedprooien, hoeft dit niet per se erg nadelig te zijn voor de kat. En alleen zo kunnen ook haar prooien op beide oren slapen.

Rutger Lazou doctoreert in de filosofie aan de Universiteit van Graz (Oostenrijk). Een jaar geleden verscheen zijn boek De toekomst van de kat, waarin hij de vraagstukken bespreekt waar katten ons voor plaatsen.

De Nederlandse stadsecoloog Diny Tubbing pleit ervoor om katten 's avonds binnen te houden, zodat ze minder vogels vangen. Terwijl de natuurbescherming het voorstel enthousiast toejuicht, zijn kattenliefhebbers minder overtuigd. We hebben het zelf al moeilijk om ons aan de avondklok te houden, laat staan dat het aanvaardbaar is voor katten, die 's nachts net zeer actief zijn. Toch moeten we waken over de gevolgen van het in huis nemen van dit solitair jagende dier. Maar wat staat er precies op het spel? Een avondklok voor katten, wie ligt daar wakker van?Het is niet voor het eerst dat de kat op de klauwen wordt getikt. Het verwijderen van kattennagels, de kat letterlijk de bel aanbinden (om de prooien te waarschuwen) of een verbod op loslopende katten, het zijn maar enkele voorstellen die de voorbije jaren de revue passeerden. De ene methode is al katonvriendelijker dan de andere. Kunnen krabben is een belangrijke natuurlijke gedraging voor katten, een belletje maakt hen knettergek en ze verplicht binnenhouden van de ene dag op de andere zou tot een hoop gedragsproblemen leiden. De avondklok lijkt een aanvaardbare tussenoplossing om een aanzienlijk deel van de vangst terug te dringen. Toch moet de kat ook hier een deel van haar vrijheid inleveren. De belangrijke vraag is dan ook waarom dat nodig is. Wie of wat moeten we eigenlijk beschermen?Een eerste mogelijke antwoord: de natuur. Volgens ecocentristen heeft de natuur intrinsieke waarde en hebben ecosystemen belangen. Zoals wij belang hebben bij een hoog welzijn, zo zou een ecosysteem baat hebben bij een hoge biodiversiteit of soortenrijkdom. Omdat de kat een bedreiging vormt voor het voortbestaan van sommige vogelsoorten, moeten we haar jaaggedrag tegengaan, aldus het ecocentrisme. Deze positie heeft echter een probleem. De natuur ligt niet wakker. Ecosystemen noch soorten hebben enige vorm van bewustzijn. Een ecosysteem zelf heeft dus niets aan een hoge biodiversiteit. Ook een soort heeft er geen belang bij dat ze bestaat. Het is immers niet meer dan een verzamelterm voor dieren of planten die een aantal eigenschappen met elkaar delen.Misschien is het in ons eigen belang dat vogelsoorten niet verdwijnen. Als we de kat vrij spel geven, verliezen we mogelijks een stukje schoonheid van de natuur en dat willen we niet. Wie geniet er niet van de aanwezigheid van een pimpelmees of roodborstje in de tuin? Toch lijkt dit geen voldoende reden om de kat het jagen te beletten. Onze menselijke belangen moeten immers niet automatisch voorrang krijgen en er zijn nog manieren om de natuur te bewonderen, waarbij we katten niet in hun vrijheid beperken. Er is echter nog een reden om de soortenrijkdom te beschermen: soorten spelen een rol in het ecosysteem waar ze leven. Het verdwijnen van één soort kan zeer ernstige gevolgen hebben voor mens en dier. Er kan al snel een sneeuwbaleffect ontstaan waarbij het verdwijnen van de ene soort het verdwijnen van de andere veroorzaakt. Ook al is de kans hierop niet bijzonder groot, we kunnen maar beter geen al te grote risico's nemen.Het risico dat het jaaggedrag van de kat ons met een ecologische kater opzadelt, is volgens natuurbeschermers alvast groot genoeg om haar binnen te houden. Om dit aan te tonen verwijzen ze graag naar een anekdote die zich afspeelde op Stephens Island, een eilandje in de buurt van Nieuw-Zeeland, waar in 1894 een vuurtorenwachter voet aan land zette, samen met zijn kat Tibbles. Af en toe bracht die een dood vogeltje mee naar huis. Op een dag bracht Tibbles een vogeltje mee dat de vuurtorenwachter nooit eerder had gezien. Hij liet het lijkje onderzoeken, maar het identificatieproces duurde vrij lang. Het besef kwam laat dat het om een nieuwe soort zangvogel ging, de eerste ooit die niet kon vliegen. Ondertussen had Tibbles echter de hele populatie van deze bijzondere soort opgepeuzeld. Het vogeltje werd uiteindelijk de stephens-eilandrotswinterkoning genoemd.De situatie van een vogelsoort die niet kan vliegen op een eiland van anderhalve vierkante kilometer - waar sowieso al weinig ontspanningskansen zijn - kunnen we echter onmogelijk veralgemenen. Hoe zit het met de katten in onze tuinen en straten? Ook bij ons vormt de kat volgens sommigen een groot gevaar. De antikattenlobby gaat prat op studies die elk jaar tientallen miljoenen prooien rapporteren. Dat klinkt geweldig veel, maar zonder gegevens over het totale aantal prooien kan je moeilijk afleiden dat het voortbestaan van soorten bedreigd is.Naast deze cijfers verwijzen natuurbeschermers ook graag naar het zogenaamde 'natuurlijke evenwicht': een ideale toestand waarin de natuur spontaan verkeert als er geen stoorzenders in het spel zijn. Omdat katten hier zijn door de mens en niet door natuurlijke selectie, zouden ze het natuurlijke evenwicht verstoren. Ook dit argument houdt echter geen steek. De reden is eenvoudig: iets dat niet bestaat kan je ook niet verstoren. Het idee van een natuurlijk evenwicht is een misvatting. Alles in de natuur verloopt chaotisch. Via terugkoppelingsmechanismes (bijvoorbeeld het opwarmen en afkoelen van de aarde) heeft de natuur de neiging om een stabiele toestand (bijvoorbeeld een stabiel klimaat) te ontwikkelen, maar 'in rust' is de natuur nooit. Alles verandert constant, alles is voortdurend in beweging. Er is geen evenwicht of balans waar de natuur steeds naar terugkeert.Dit starre evenwichtsdenken is nefast voor het oplossen van milieuvraagstukken. We kunnen maar beter kijken naar de werkelijke gevolgen. Doordat de kat hier is door de mens en niet door natuurlijke selectie, moeten we in elk geval op onze hoede zijn. Prooidieren hebben niet de tijd gekregen om zich aan te passen aan de jager. Bovendien vermindert het aantal katten niet als het aantal prooien daalt, zoals in een natuurlijke situatie. De kat is immers niet afhankelijk van prooien om te overleven, maar van het eten dat ze van ons krijgt. Toch is er een belangrijke rem op het jaaggedrag van katten: hun luiheid. Niet alleen als het gaat om aandacht of voedsel, maar ook tijdens de jacht, gaan katten opportunistisch te werk. Ze liggen op de loer en vangen vooral prooien van de soorten die het vaakst voorkomen. Zeldzame prooien staan zelden op de menu. Biodiversiteit, hoe belangrijk het ook is, vormt dus geen reden om katten aan een avondklok te onderwerpen.Maar we mogen het debat hier niet stopzetten. Soortenbehoud is eigenlijk maar een weinig ambitieus doel. Zodra we het minimale aantal dieren en de minimale oppervlakte bepaald hebben die nodig zijn om soorten in stand te houden, vernietigen we zonder schaamte ontelbare habitats. Op globaal niveau verdubbelde de mensenpopulatie in vergelijking met de jaren zestig, terwijl de populaties van wilde dieren een derde kleiner werden. Ook wat de impact van katten betreft, lijkt het onvoldoende om ervoor te zorgen dat er geen soorten uitsterven. Het wordt tijd om de morele lat hoger te leggen en te denken aan de partijen die écht redenen hebben om wakker te liggen van de kat: haar prooien. Niet de soort waartoe ze behoren, maar de individuele dieren. Net zoals katten en mensen zijn de prooien van katten, voornamelijk kleine knaagdieren en vogels, voelende wezens die er belang bij hebben om niet (half) opgepeuzeld te worden.Ook hier mogen we ons niet laten verblinden door cijfers over het aantal vangsten. Een kat vangt vooral verzwakte prooien die anders ook vroegtijdig zouden sterven. Zieke vogels voor de kat. Zeventig procent van de prooien van katten zijn bovendien kleine knaagdieren. Die muizen en ratten zijn zogenaamde r-strategen: ze planten zich voort aan een hoge ratio of snelheid en krijgen enorm veel nakomelingen waarvan sowieso slechts een klein deel overleeft. Een andere deel van de prooien kan zonder de kat wel nog van een mooi leven genieten. Het is in het belang van deze dieren dat we katten geen vrij spel mogen geven.Terwijl natuurbeschermers zich blindstaren op het idee dat we geen soorten mogen doen uitsterven, verliezen we de individuele slachtoffers uit het oog. Nochtans zijn dierenrechten de enige goeie reden om katten het jagen te beletten. Daaruit volgt dat we ook de belangen van de kat moeten meenemen in de zoektocht naar manieren om haar jaaggedrag te verhinderen. Naast omheinde tuinen of gekleurde halsbanden die ervoor zorgen dat prooien het gevaar beter zien aankomen, kan ook een avondklok een katvriendelijke optie zijn. Als de huisinrichting optimaal inspeelt op haar noden en baasjes het jaaggedrag voldoende stimuleren, bijvoorbeeld met speelgoedprooien, hoeft dit niet per se erg nadelig te zijn voor de kat. En alleen zo kunnen ook haar prooien op beide oren slapen.Rutger Lazou doctoreert in de filosofie aan de Universiteit van Graz (Oostenrijk). Een jaar geleden verscheen zijn boek De toekomst van de kat, waarin hij de vraagstukken bespreekt waar katten ons voor plaatsen.