Watermeloenen. Dat is de treiterende term waarmee klimaatsceptici graag de milieubeschermers willen kleineren. Ze vinden dat de eco-activisten van buiten groen zijn, maar rood van binnen - en dat is kennelijk heel erg. Onder dat groene, duurzame laagje zit volgens hen een politieke kleur, die verraad dat ze het kapitalisme omver willen stoten en vervangen door een omvangrijke, socialistische wereldregering.
...

Watermeloenen. Dat is de treiterende term waarmee klimaatsceptici graag de milieubeschermers willen kleineren. Ze vinden dat de eco-activisten van buiten groen zijn, maar rood van binnen - en dat is kennelijk heel erg. Onder dat groene, duurzame laagje zit volgens hen een politieke kleur, die verraad dat ze het kapitalisme omver willen stoten en vervangen door een omvangrijke, socialistische wereldregering. Van alles wat klimaatsceptici roepen, vind ik de metafoor van de watermeloen het meest absurd en kinderachtig. Het is namelijk veel te flatteus. Het stelt hen voor als 21ste-eeuwse revolutionairen die de wereld op haar kop dreigen te zetten. Niets is minder waar. Duurzaamheid is de meest conservatieve ideologie van deze tijd. Ze demoniseert de verovering van de natuur en herwaardeert terughoudendheid. Haar strijdkreet is niet 'revolutie', het is 'voorzichtigheid'. Dat conservatisme zien we terug in de campagnes tegen verandering. Bovenal de verandering van het klimaat, maar ook economische verandering in Afrika. Daar geven de milieuridders de voorkeur aan 'duurzame ontwikkeling' - of, zoals ik het zie: ze geven de voorkeur aan armoede boven industrialisatie. Ze zijn ook tegen serieuze verandering in het Westen. De duurzame beweging heeft hier geholpen om het voorzorgsprincipe te institutionaliseren. Zo heeft ze een revolutie in CO2-vrije kernenergie belemmerd, evenals een revolutie in genetisch gemodificeerde gewassen, en andere potentiële sprongen voorwaarts voor de mensheid.Een beweging die zo allergisch is voor verandering verdient het niet in één adem te worden genoemd met de rode socialisten. Radicaal links wilde ooit alles omverwerpen om het menselijk potentieel te ontketenen; de groenen willen overal het deksel op houden. De groenen willen onze verlangens ('hebzucht', noemen zij het) bedwingen, industrie uitbannen en de menselijke reproductie beperken. De term 'watermeloen' mist het werkelijke punt van de milieubeweging. Het is namelijk niet de voortzetting van de radicaal-linkse politiek van weleer, maar ze onderstreept juist het verlies van die politiek. Het vertegenwoordigt de ultieme teloorgang van oude linkse idealen die grote delen van de bevolking heeft geïnspireerd van de vroege negentiende eeuw tot halverwege de twintigste eeuw. De milieuridders vinden de belangen van de aarde meer waard dan die van haar inwoners. Dat is in mijn ogen een complete omdraaiing van wat bijna tweehonderd jaar gold als een progressieve visie. Sylvia Pankhurst, de revolutionaire activiste voor vrouwenstemrecht, omschreef negentig jaar geleden de doelstelling van het socialisme als 'overvloed voor iedereen'. Ze schreef: 'Wij prediken niet het evangelie van gebrek en schaarste, maar van onstuimige rijkdom.' Daarmee jaag je iedere milieuactivist vandaag op de kast. Hoewel de mensen die de milieubeweging steunen uiteenlopende politieke voorkeuren hebben, wordt het milieu toch gemakkelijk gezien als iets voor links. Dat is merkwaardig. Want de linkse politiek - en het humanisme dat eraan voorafging - kwam op als een overtuiging dat wij niet moesten buigen voor de natuur. We moesten de natuur juist ontdoen van haar mythologieën. Het was destijds links om de machtige Kerk aan te vallen met haar patent op de waarheid. Het was links om via de wetenschap raadsels op te lossen en ziektes te genezen. Het was links om de natuur aan te passen aan de behoeften van de mens. Dat werd gezien als dé manier om de wereld een veiliger, gezonder en betere plek te maken. Zie de filosofen uit de Verlichting, zoals Francis Bacon die zei dat we 'de geheimen van de natuur' moesten ontfutselen. Zie de marxisten uit de jaren dertig, zoals Leon Trotski, die ons allen opriep om 'serieus en voortdurend verbeteringen in de natuur' na te streven. Deze lange periode was hét moment in onze geschiedenis, waarin de mensheid werd opgeroepen om de grillige, gevaarlijke natuur te bedwingen. Het was een verwerping van het aloude idee dat er 'natuurlijke grenzen' waren aan wat we konden bereiken. De groenen doen precies het tegenovergestelde. Ze benadrukken dat er kraakheldere, planetaire grenzen zijn waar we binnen moeten blijven. En anders? Anders komt er vergelding van de boze weergoden. De progressieve, linkse beweging ontstond grotendeels als kritische reactie op het gangbare idee dat ellende een natuurlijk gegeven was, een door God gegeven onafwendbaar lot. Vroege linkse denkers beweerden dat er niets natuurlijks was aan honger en armoede. Zij beschreven deze toestanden als sociale problemen, die konden worden opgelost als we daar ons best voor zouden doen. Klassiek zijn de aanvallen van Karl Marx op Thomas Malthus, de Britse predikant die aan het einde van achttiende eeuw al meende dat er niet genoeg eten was om iedereen te voeden. Met zijn acceptatie van natuurlijke grenzen en vrees voor overbevolking geldt Malthus als een voorloper van de duurzame beweging. Malthus hield vol dat er maar beperkte grondstoffen beschikbaar waren. Massale hongersnoden en uitbraken van ernstige ziekten zag hij als onvermijdelijk. Malthus was al net zo hysterisch als de moderne groenen. Hij geldt nog altijd als een inspiratie voor velen onder hen. Marx viel Malthus aan. Hij noemde zijn ideeën een 'beschimping van de menselijke soort'. Daarmee zette Marx de toon voor het progressieve gedachtegoed. Als we het Malthusiaanse idee van natuurlijke schaarste zouden accepteren, stelde hij, moesten we ook accepteren dat 'socialisme niet in staat is om armoede te beëindigen, omdat armoede immers natuurlijk is'. En dus werd er decennialang beargumenteerd waarom onze problemen niet natuurlijk waren, maar sociaal. Toen kwam de milieubeweging op. Die maakte een einde aan dat krachtige, hoopvolle idee. De groene denkers stonden erop dat zo ongeveer ieder probleem waarmee we worden geconfronteerd natuurlijk is. Problemen waren een gevolg van natuurlijke grenzen en ons arrogante onvermogen om die te respecteren. Het beëindigen van armoede werd op de lange baan geschoven; eerst moeten we Moeder Aarde maar eens beschermen. Je ziet die misantropie ook terug in de nieuwe ontwikkelingsagenda van de Verenigde Naties. De 'Duurzame Ontwikkelingsdoelen' gaan lang niet ver genoeg. Er is geen enkele ambitie om arme landen te industrialiseren, zodat de mensen in Accra en Ahmedabad over een generatie of twee, drie, net zo comfortabel kunnen leven als mensen in Amsterdam en Atlanta. De reacties op deze ontwikkelingsagenda is dat de Verenigde Naties met hun zeventien doelstellingen 'te ver' zijn gegaan. Een columnist voor The Guardian opperde dat het tijd werd op te houden om 'arme landen te "ontwikkelen"' (let op de aanhalingstekens) en dat we juist de rijke landen maar eens moeten 'ont-ontwikkelen'. Welja, vergeet de honderden miljoenen mensen die iedere dag honger lijden. Vergeet de honderdduizenden doden per jaar door malaria. Hun problemen zijn nu eenmaal een gevolg van onze verstoring van de harmonie in de natuur en er is niets wat we er nog aan kunnen doen. Het evangelie van duurzaamheid verkondigt kortom het einde van linkse, progressieve ideeën. Het is anti-humanistisch en anti-vooruitgang. Het ontmoedigt de mensheid om maatschappelijke oplossingen te zoeken, zoals economische groei of technologische vooruitgang. Het steunt natuurlijke oplossingen, zoals het veroordelen van miljoenen Afrikanen tot biologisch boeren. Duurzaamheid is het linkse excuus voor gebrek en schaarste: precies die zaken die progressieve denkers hebben willen oplossen. Daarom verdienen de milieubeschermers het om fel te worden bekritiseerd. (Brendan O'Neill is medewerker van Tegengeluid, de nieuwsbrief voor dwarsdenkers. Dit artikel is een bewerking van zijn openingsspeech tijdens het debat 'Are greens the enemies of progress?', op 30 september in De Balie, Amsterdam. Vertaling: Marco Visscher.)