Uw muren, dat was het eerste wat ik van deze aardbol zag. Ik keek naar de ogen van mijn moeder. Mijn vader at een pak frieten in de leunstoel. En buiten sneeuwde het.
...

Uw muren, dat was het eerste wat ik van deze aardbol zag. Ik keek naar de ogen van mijn moeder. Mijn vader at een pak frieten in de leunstoel. En buiten sneeuwde het. Dat is natuurlijk onzin. Niemand herinnert zich iets van zijn dagen in de kraamkliniek - meer dan wat vage vlakken in zwart-wit zal ik in december 1976 niet gezien hebben. En toch zitten de beelden van mijn eerste uren tussen uw muren in mijn hoofd. Misschien omdat ik er later zo vaak geweest ben. Net zoals alle kinderen van de Donk, een gehucht in het noorden van Antwerpen. Ver hoefden we niet te wandelen: een paar straten maar en dan het bos door. Op uw parking stonden veel auto's. Uw toren maakte indruk. Ook binnenin leek u wel een sprookjeskasteel. Het was er altijd druk. Overal liepen mensen met een witte jas. Ziekenhuizen betraden we in die tijd nog spelenderwijs. Dat er in uw kamers mensen vochten voor hun leven, hadden we niet door. We kwamen niet voor hen, wel voor uw vijver. In de winters van de jaren tachtig was die altijd bevroren. Het was verboden om erop te schaatsen, daarom was dat zo opwindend. Angst om door het ijs te zakken hadden we niet. Doodgaan, dat overkwam alleen oude mensen. Dachten we. In die jaren volgde ik les in het college een paar honderd meter verderop. Of ik deed alsof: ik staarde vooral door het raam, naar uw uitkijktorentje, dat de skyline van de Donk kleurde. Ooit wilde ik daar staan, tot ik weer eens door een leraar uit mijn dagdromen gehaald werd. Zoals op 15 maart 1986, de dag dat Patrick Nebel stierf . Een jongen uit onze buurt. Auteur van een van de mooiste belpopsingles ooit: Beats of Love. Honderdduizenden exemplaren heeft hij ervan verkocht, Europa rondgereisd met zijn groep Nacht und Nebel, complimenten gekregen van Morrisey, aan de voeten gelegen van Paul McCartney. En toch, waarschuwden de leraars ons in het college, mochten we nooit worden zoals Patrickske. Een jongen die zijn gezicht wit schminkte en elke dag twijfelde tussen speed en drank. Meestal werd het een combinatie van beide. Tot hij roemloos eindigde in de Sint-Lucaskliniek, voor altijd zevenentwintig. Die 15e maart 1986 leerden we dat ook jonge mensen kunnen sterven - al klonk zevenentwintig jaar in onze tienjarige kinderhoofden ook al behoorlijk oud. Toen ik vorige week na jaren weer eens voorbij u slenterde, dacht ik aan hem en aan zijn song. 'It rains in my heart', zong Patrickske in mijn hoofd. U was danig veranderd. De auto's op de parking waren verdwenen, de vijver ook. En rond uw ooit zo machtige toren hing een draad met een gat erin. Ik klom erdoor en wandelde uw trappen op. Binnen zag ik geen dokters en verpleegsters, alleen puin. Zelfs de trap naar het uitkijktorentje was verdwenen. In de operatiezaal had een dakloze vuurke stook gehouden en op de muur gekalkt: WIE HIER BINNENKOMT, IS DOOD. Straks wacht u hetzelfde lot als Patrickske. Voor u voorgoed verdwijnt, wil ik alvast uw grafrede schrijven. Opdat mensen weten dat u ook glorieuze tijden gekend hebt, maar ook omdat uw historie iets zegt over mijn land. Ik dacht altijd dat u gebouwd was als ziekenhuis. Maar dat klopt niet, las ik in een mooi boek van Katleen De Vylder over de Donk. In mijn heimatwijk hadden altijd voorname, nobele burgers gewoond. Zelfs Peter Paul Rubens had er ooit een lap grond gekocht, net naast u. Een van de ridders, Léon van Delft, had u in 1903 laten bouwen: een kasteel in Vlaamse neorenaissancestijl. Binnenin was het afgewerkt met het beste hout dat er op de wereld te vinden was. En helemaal bovenaan in de vertrekken stond een grote wereldbol. Dat er ooit mensen uit al die landen door uw gangen zouden lopen, had ridder Léon wellicht nooit kunnen vermoeden. Het begon met de Duitsers, tijdens de Tweede Wereldoorlog. En later volgden de geallieerden, die zich gedroegen als varkens. U was zo gekwetst dat de familie Van Delft u na de oorlog verkocht aan de vrouw van een dokter. Haar eega, Leon Dierckxsens, had grootste plannen met u: hij wilde er een privéziekenhuis bouwen. De Donk had dat nodig. Een plek waar baby's veilig op de wereld konden komen - er waren er genoeg thuis gestorven. Maar ook een plek waar ouderen konden worden gered. Een modelkliniek voor het leven, dat moest het worden. 'Moge dit ziekenhuis bijdragen tot de fysieke en psychische welstand van onze bevolking', zei iemand tijdens de openingsspeech in 1948. Leon Dierckxsens kan het allang niet meer navertellen. Daarom zocht ik Martine Troch op. U kent haar vast nog, want ze heeft vroeger vaak door uw gangen gelopen. Haar vader was niet alleen een van de eerste artsen van Sint-Lucas, maar ook een van de eerste anesthesisten van het land. Hij had zijn vak geleerd in Engeland, want hier waren ze toen nog aan het prutsen met ether. Dankzij mensen als vader Troch veranderde het leven in de operatiekamer. Hij werkte hier dag en nacht, vertelde Martine. Zelfs 's zondags, als ze van de bomma kwamen, stopte hij altijd nog even aan de Sint-Lucaskliniek. Martine ging dan altijd mee binnen. Terwijl haar vader zich over de patiënten bekommerde, hielp zij mee het eten rondbrengen. Ziekenhuizen hadden nog een keuken in die tijd. Elke dag werden daar aardappelen geschild en tomaten gepeld. Het idee dat zieken het best vers en lekker eten, was toen nog niet weggesaneerd. Maar ook de rest van het ziekenhuis zag er anders uit. Dat zag ik op dia's van vader Troch - behalve anesthesist was hij ook amateurfotograaf. Ooit, ergens in de jaren zestig, had hij een reportage gemaakt over het leven in Sint-Lucas. Later toonde hij zijn dia's overal op feesten. Zo trots was hij op de kliniek die hij mee had grootgemaakt. Vader Troch loopt niet meer tussen ons, maar zijn dia's hebben hun jaren zestig technicolorkleuren niet verloren. Toen Martine ze projecteerde, dwaalde ik door zijn kliniek. Bij de vijver lagen een paar zieken in hun bed. Ze hadden frisse lucht nodig. Ik stapte binnen en zag een lichtbord met daarop de namen van alle dokters: alleen het lichtje van de aanwezigen brandde. In de operatiezaal stonden schrikbarend weinig toestellen en de chirurgen opereerden nog gewoon in hun overhemd. Overal in de gangen kruiste ik nonnen. Zoals in bijna alle ziekenhuizen zwaaiden ze ook in de Sint-Lucaskliniek de plak. Veel verpleegsters waren er niet, want er waren amper scholen. De meeste dokters hadden toen wel een dienstmeisje dat ze zelf opgeleid hadden, vertelde Martine me. Ook haar moeder hielp vaak mee bij de anesthesie. 'Al dat onopgeleide personeel, dat gaat niet blijven duren', zei haar vader. En hij kreeg gelijk: in 1974 werd verpleegkundige een beroep met een beschermde titel. 'Ga verpleegkunde studeren, Martine', zei haar vader. 'Ooit komt er een tijd dat verpleegsters veel zullen moeten doen, want dokters zullen niet meer te betalen zijn. Zij hebben de toekomst.' Martine volgde de raad van haar vader. In 1980 begon ze als anesthesieverpleegster in het Sint-Lucasziekenhuis. Ze was best wel trots, want er werd aan wetenschappelijk onderzoek gedaan. In de gangen zag ze grote namen passeren: Paul Janssen, bijvoorbeeld, het genie van Janssen Pharmaceutica. Of de befaamde neurochirurg Raymond Van Den Bergh uit Leuven. Maar ook heel wat jonge ambitieuze artsen, zoals Bo Coolsaet, opereerden er. Die laatste trok bekend volk aan. Zelfs een sjeik, die uit Saudi-Arabië naar de Donk was gereisd voor een penisprothese. Hij eiste dat er geen vrouwelijk personeel zou zijn in het operatiekwartier - dat keurde zijn godsdienst niet goed. Dus moesten alle vrouwen zich verstoppen, tot hij onder narcose was. Dan mochten ze weer tevoorschijn komen. Toen hij weer bij bewustzijn kwam, kropen ze allemaal weer in de kast. De sjeik keek naar zijn penis, schudde ontevreden het hoofd en zei: 'We doen de operatie opnieuw.' Het lichtje van dokter Coolsaet bleef nog even branden. Ook Paula Sornsen heeft dat lichtbord vaak gezien. Die kliniek was haar leven. De nonnen van Mère Jeanne hadden in haar laatste jaar middelbaar gezegd: 'We hebben een job voor u, Paula.' Op woensdag deed ze haar laatste examen, op vrijdag begon ze als medisch secretaresse bij dokter Lemmens in de Sint-Lucaskliniek. In de hal hing een groot bord in glas. STILTE stond erop. Iedereen gehoorzaamde in die tijd nog: er was amper iets te horen in de gangen. De zusters bewaakten de stilte, want de zieken moesten in alle rust kunnen herstellen. Sint-Lucas was toen een ultramoderne kliniek, vertelde Paula me. Met grote ruime kamers. Sommige waren eerste klasse: daar brachten ze het eten in zilveren schaaltjes. Mensen kwamen angstig naar het ziekenhuis. Ze hadden respect voor een ziekenhuisdokter - die dwongen dat ook af. Vaak brachten ze hun huisarts mee om hen te steunen. Maar dat bleef niet duren. Ze vergeet nooit dat een jonge huisarts eens verontwaardigd tegen haar zei: 'Nu vroeg een patiënt of hij met mij kon meerijden naar het ziekenhuis. Wat denkt die wel? Ik ben een dokter, geen taxichauffeur.' Toen wist ze dat de tijden aan het veranderen waren. Ook de nonnen verdwenen een voor een. En met hen verdween de stilte, die ze altijd zo minutieus bewaakt hadden. De patiënten werden mondiger. 'Zedde gij Paula?' snauwde iemand haar ooit toe. Ze zonk onder haar bureau, maar alles wende. 'Het werd niet beter of slechter', zegt ze. 'Het werd anders.' Iedereen kwam bij haar over de vloer in Sint-Lucas: zeemannen, Joden... Maar aan één patiënt heeft ze een bijzondere herinnering: de schrijver Maurice Gilliams, toen al een man op leeftijd. Op een dag in 1972 werd hij opgenomen in Sint-Lucas. Paula en hij praatten wat, zoals ze met elke patiënt praatte. Hij keerde weer naar huis. Later zei dokter Lemmens: 'Wil je nog wat insuline brengen naar meneer Gilliams, Paula?' Ze belde aan bij de schrijver in de Lange Gasthuisstraat in Antwerpen. Ze praatten weer wat. De jaren erna bleven ze praten. Zo werden meneer Gilliams en Paula goede vrienden: elke zondagnamiddag gingen ze samen wandelen. Ook met de vrouw van meneer Gilliams kon Paula goed opschieten - toen ze in de kliniek lag, bracht Paula kleine flesjes champagne mee, want dat dronk ze graag. Daarna wandelden meneer Gilliams en Paula verder naar de plekken uit zijn jeugd. Hij, altijd met een sigaar tussen de lippen, was een causeur. Als geen ander kon hij vertellen. 'Alles is een verhaal, Paula', zei hij vaak. Zoals dat van 18 oktober 1982. Het was feest in de Sint-Lucaskliniek, want het was de verjaardag van Sint-Lucas. Om halfnegen 's morgens belde meneer Gilliams: 'Paula, ik word opgenomen in de Sint-Elisabethkliniek in Antwerpen. Kom je?' 'Dat gaat niet, Maurice', antwoordde zij. 'Ik moet werken, maar ik kom vanavond.' 'Maar ik weet nog niet in welke kamer ik zal liggen', antwoordde hij. Ze hoorde angst in zijn stem. 'Geen zorgen, Maurice, ik vind je wel.' Paula vond hem die dag ook: in de dodenkamer. Een paar dagen later, op weg naar de begrafenis, keek ze in de auto naar de lege plek naast haar. Er lagen nog wat as van zijn sigaren. Ze rook de geur, tot ze stopte voor het kerkhof. Toen was de geur weg. Tijdens de teraardebestelling op Schoonselhof gunde niemand haar een blik. Paula keerde terug naar de Sint-Lucaskliniek. Het lichtje van dokter Lemmens brandde nog. Bij turbulentie kon je altijd op hem rekenen, ook deze keer. Hij zag dat zijn secretaresse het moeilijk had. 'Weet je waarom ze je niet aankeken op de begrafenis?' vroeg hij. 'Ze hebben kleine flesjes champagne gevonden in de ijskast van meneer Gilliams. De mensen zijn nu aan het roddelen. "Ge moet niet vragen wat die oude bok en die jonge vrouw allemaal uitstaken."' Paula antwoordde: 'De mensen die zoiets zeggen, zijn gefrustreerd.' En dat meent ze nog altijd. Zoals Sint-Lucas in de Bijbel schreef op 6:37: 'Oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden. En veroordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden.' Zeker als je niet weet hoe het echt zat. Die laatste zin voegde Lucas er nu wel niet aan toe, maar dat leerde Paula die avond. Het werk van Gilliams promoot ze nog altijd, maar ze komt niet meer naar u. Het doet haar te veel pijn om u in deze toestand te zien. Ook Martine Troch stopte na vijfendertig jaar als verpleegster. Hoe graag ze haar job ook deed, op het einde was de lol er wel wat af. Vader Troch had gelijk indertijd: verpleegsters hebben de toekomst gekregen. Ze doen meer dan ooit, ze zijn voor alles verantwoordelijk. Ze moeten alles registeren ook: elke pleister, elk verband dat ze aan een patiënt geven. Op den duur keek ze meer naar een computerscherm dan naar het gezicht van de patiënten. Maar intussen werden zij en haar collega's nog altijd even slecht betaald als in de tijd van Florence Nightingale. 'Een ziekenhuis is een fabriek geworden', zei Martine me. 'Ook voor de patiënten. Je komt binnen en je krijgt een nummer. Dat ben je ook. In een kliniek als Sint-Lucas had je nog een naam.' Misschien dat het ziekenhuis daarom niet meer meekon: eind jaren negentig sloot het de deuren. Of beter, het fuseerde met twee andere uit de buurt. Zo ging het overal: ziekenhuizen werden groter, kamers kleiner. Allemaal in naam van de heilige efficiëntie. Het was een raar decennium, die jaren negentig. Het was allemaal begonnen op 24 november 1991. Zwarte Zondag. Op televisie hoorden we Walter Zinzen zeggen dat het Vlaams Blok vooral doorbrak in de rand van Antwerpen. In onze wijken dus, al spotte ik daar nooit een migrant. De enige vreemdeling van de Donk woonde een paar straten verder en kwam uit Brugge. Ik kruiste hem soms op straat of bij de bakker. Nochtans was de Donk niet het district waar Filip Dewinter de meeste stemmen behaalde. Later is dat veranderd en weer had u ermee te maken. De toenmalige minister van Integratie, Johan Vande Lanotte, had op een grijze donderdag beslist dat u voortaan een asielcentrum zou worden. Zonder overleg, hij was niet eens in onze wijk geweest. De Donkenaars waren ziedend. Onze migrant uit Brugge wilde u zelfs bezetten. Hij arriveerde met een slaapzak in uw gangen, maar heeft er nooit een nacht geslapen. Hij was dan al weggevoerd door de politie, voor de lens van de camera's. Bij de volgende verkiezing behaalde het Vlaams Blok ook in de Donk een monsterscore, maar het asielcentrum kwam er. Rond de eeuwwisseling arriveerden dertien gezinnen uit alle windstreken. Er zaten ook vijf zwangere vrouwen bij. Later hoorden we babygehuil in uw gangen. Het waren de nieuwe kinderen van de Donk: hun huidskleur was donkerder dan de onze, maar ze groeiden weer op onder uw toren. Lang bleven ze niet. Het gebouw moest gerenoveerd worden en daar was geen geld voor. In 2010 verliet de laatste asielzoeker uw gebouwen. Deze keer kwam er niemand in hun plaats. Uw laatste decennium was niet uw beste. Niemand keek nog naar u om. U werd alleen nog bezocht door daklozen en urban exploring-fotografen, die uw laatste schatten leegroofden. O ja, de mensen van Monumentenzorg zijn ook eens langsgekomen. Ze vertelden hoe waardevol u was en dat u nooit mocht verdwijnen. Dat werd dan herhaald door een paar lokale politici, maar eigenlijk kon het hen geen zak schelen. Er waren geen stemmen met u te winnen. En ook geen geld: u was erfgoed dat in de weg stond van de projectontwikkelaars. De nieuwe eigenaars betaalden met plezier de krotbelasting en lieten u verder verkrotten. Tot er ratten door uw gangen liepen en iedereen riep: 'Breek die oude vieze boel maar af.' Het is een bekende truc, zo doen wij dat in dit land, met Vlaamse daadkracht. Filip Dewinter vroeg een paar weken geleden hoe het met u zat. De Antwerpse schepen van Ruimtelijke Ordening, Annick De Ridder (N-VA), keek verveeld in haar papieren en zei dat er nu eindelijk een stedenbouwkundig attest is om u te slopen. Ze denkt dat niemand u zal missen, maar ze dwaalt. Wij wel, kinderen van de Donk. Ook al wonen we nu allemaal ergens anders. Soms overleeft een mens zijn eigen kraamkliniek. Dat is een raar gevoel. Ik kijk naar een dia die dokter Troch maakte op een godvergeten dag in de sixties. U, in de paarse avondlucht. Alle lichten van Sint-Lucas branden. De droom van hem en zovele anderen om de Donk en de rest van de wereld te verbeteren. Vandaag zijn alle lichten uit. Ik steek, in naam van het leven, mijn vuist op. Dag kraamkliniek.