Onlangs gingen we met de familie op stap in Tienen, de suikerstad. Tienen heeft zijn reputatie tegen, maar eigenlijk is het een verborgen pareltje, dat alleen een beetje meer toewijding nodig heeft om te schitteren. We wandelden van de Baronnekesberg door een klein steegje naar de Sint-Germanuskerk. Dat deed met wat verbeelding denken aan de historische steegjes van pakweg Montpellier. De compacte stad heeft een mooi reliëf, een fraai plein en knap erfgoed. Als nu de Gete nog in ere hersteld wordt, krijg je een Hagelands volbloedje waar je gemakkelijk een dag kunt rondhangen.
...

Onlangs gingen we met de familie op stap in Tienen, de suikerstad. Tienen heeft zijn reputatie tegen, maar eigenlijk is het een verborgen pareltje, dat alleen een beetje meer toewijding nodig heeft om te schitteren. We wandelden van de Baronnekesberg door een klein steegje naar de Sint-Germanuskerk. Dat deed met wat verbeelding denken aan de historische steegjes van pakweg Montpellier. De compacte stad heeft een mooi reliëf, een fraai plein en knap erfgoed. Als nu de Gete nog in ere hersteld wordt, krijg je een Hagelands volbloedje waar je gemakkelijk een dag kunt rondhangen. België heeft veel van die kernsteden, maar ze worden weinig gekoesterd. De voorbije decennia zijn de identiteit en de charme van die stadjes kapotgemaakt. Zwakke stadsbesturen lieten zich door megalomane ontwikkelaars veel beton, staal, bleke baksteen en witte gevelbepleistering opdringen. Ze wisten niet hoe ze het evenwicht konden bewaren tussen historische aantrekkelijkheid en hedendaagse noden. In Tienen valt de schade nog mee en waait er een frisse wind in het bestuur. Maar het wordt spannend en in andere kernsteden is het kwaad geschied. Dit zou nochtans een van de mooiste en meest veelzijdige regio's kunnen zijn, met boeiende steden, erfgoed en landschappen. Misschien herontdekken we dankzij de coronacrisis die veelzijdigheid. Deze zomer is er wellicht geen ontsnappen aan. Frankrijk heeft zijn burgers al verboden om naar het buitenland te trekken. Andere lidstaten zullen volgen en ook ons land zou zich daar het best bij aansluiten. Het kan therapeutisch werken. De voorbije decennia is ons stuk Europa verworden tot een labeurregio: een plek waar gewerkt wordt, terwijl inwoners hun vrije tijd toch vooral elders spenderen. En hoe meer we met zijn allen ontsnapten, dankzij de steeds goedkopere citytrips, hoe meer we in een vicieuze cirkel zijn beland. Minder vrije tijd ter plaatse betekent minder belangstelling voor de schoonheid van het thuisland. En dus ook minder toewijding om wat mooi is mooi te houden of er nieuwe mooie zaken aan toe te voegen. Dit is geen nostalgische reflex. Ook economisch wordt dit van levensbelang. Nergens in West-Europa bestaat er zo'n onevenwicht tussen wat burgers uitgeven aan buitenlandse vakanties en wat buitenlandse toeristen er ter plaatse spenderen. Vorig jaar bedroeg dat verschil volgens de Nationale Bank 9 miljard euro. België geeft dus miljarden meer uit aan toerisme in het buitenland dan omgekeerd. Economisch weegt dat door. En het ligt overigens niet aan het weer. Landen zoals Nederland en Denemarken hebben een positieve toerismebalans. Nederland trekt drie keer meer toeristen aan. Niet alleen in Amsterdam, maar ook in kleinere steden als Delft, Utrecht en Haarlem. Die worden vaak met net iets meer visie en fijngevoeligheid beheerd dan een doorsnee Vlaamse stad. Zelfs de beste branding kan nooit het gebrek aan liefde en toewijding van de bestuurders en burgers van een land goedmaken. Dit jaar biedt een kans om te tonen dat zomers thuis ook aangenaam kunnen zijn. Ik beeld me een zomer in waarbij alle markten en parken herschapen worden tot megaterrassen, zoals de Dîners en Blanc in Parijs. In plaats van overvolle taferelen, voorzien restaurateurs er in gastronomische eilandjes. Contact wordt beperkt, want alles staat klaar op tafel. Een reservatiesysteem vermijdt opstoppingen. Dinerende gezinnen nemen de nodige afstand keurig in acht. Muzikanten luisteren het terras op met de gereserveerdheid die past in deze pandemische tijden. Dit is hét moment voor onze horeca om zich te bewijzen. Met een goede combinatie van creativiteit en discipline is alles mogelijk. Een economische stimulus kan ook aangenaam zijn. Als deze crisis voorbij is, moeten we de ambitie hebben om de charme van Frankrijk, Italië of zelfs de Nederlandse grachtenwijken opnieuw naar onze steden te brengen, maar wel zonder het verdwaasde massatoerisme. Dat kan alleen als we van onze steden niet langer een pretpark voor ontwikkelaars maken en als we ophouden met overal dezelfde betonnen banaliteit neer te poten. Als we met onze architectuur iets vertellen over de geschiedenis, de geologie en de natuur van de streek, over onze dromen als samenleving. Als we kleine en creatieve ondernemers en hun vakmanschap koesteren. En voor wie dat niet wil doen uit liefde voor het land, is de 9 miljard euro misschien een meer doorslaggevende reden in deze recessie.