Amerika, 1954. Dwight D. Eisenhower is president. Senator Joseph McCarthy jaagt op communisten. Burger King wordt opgericht. Elvis Presley brengt That's All Right uit, zijn eerste single. En in een droom ziet de 24-jarige kunstenaar Jasper Johns een vlag verschijnen. Niet zomaar een vlag, maar de stars-and-stripes. En niet als symbool van de machtigste natie op aarde. Maar als tastbaar object, als abstract spel van lijnen, kleuren en figuren.
...

Amerika, 1954. Dwight D. Eisenhower is president. Senator Joseph McCarthy jaagt op communisten. Burger King wordt opgericht. Elvis Presley brengt That's All Right uit, zijn eerste single. En in een droom ziet de 24-jarige kunstenaar Jasper Johns een vlag verschijnen. Niet zomaar een vlag, maar de stars-and-stripes. En niet als symbool van de machtigste natie op aarde. Maar als tastbaar object, als abstract spel van lijnen, kleuren en figuren. Om dat tactiele te accentueren, besluit Johns zijn droom concreet te maken aan de hand van encaustiek. Dat is een eeuwenoude techniek waarbij kleuren worden vermengd met hete was, die opdroogt zodra hij op het canvas wordt aangebracht. Het resultaat, met zijn zichtbare verflagen, subtiele kleurschakelingen en seriële structuur, is provocerend direct en bevreemdend afstandelijk tegelijk. Johns, dan twee jaar ontslagen uit het Amerikaanse leger, geeft zijn schilderij de speels dubbelzinnige titel Flag mee. Wanneer het in 1958 wordt voorgesteld, tijdens zijn eerste solotentoonstelling in de New Yorkse galerie van kunstbobo Leo Castelli, wordt het ingehaald als een meesterwerk. Een nieuwlichter blijkt geboren; een artiest die abstracte kunst maakt met concrete, alledaagse dingen, die van een schilderij een object op zich maakt, en die op die manier als een satelliet om het abstract expressionisme, het neodadaisme en de ontluikende popart heen cirkelt. Zestig jaar later is Flag (1954-1955) een van de sleutelwerken op de retrospectieve Something Resembling Truth, die nog tot 10 december in de Londense Royal Academy loopt. Het oogt er nog altijd even fors, evocatief en tactiel. Met zijn wasachtige textuur, zichtbare penseelstreken en geabstraheerde symboliek lijkt het alsof de ideeën aan de oppervlakte zijn blijven klitten. En alsof het je, recht op de man af, vraagt: 'Ben ik een vlag, een geschilderde vlag of een schilderij van een vlag?' En als je die ogenschijnlijk simpele vraag niet kunt beantwoorden, wat kun je dan wel nog zeggen over de wereld om je heen? Zelf heeft Johns, 87 inmiddels, die vragen nooit willen beantwoorden, maar hij was wel een van de eersten om ze op zo'n doordachte en onderkoeld humoristische manier te stellen. Het was een tijd waarin het abstract expressionisme van Jackson Pollock, Mark Rothko en co. de toon zette, met hun intellectuele ambities die even episch waren als hun in trauma's gedrenkte doeken. En waarin de popart, die het alledaagse en seriële tot kunst hoopte te verheffen, nog in zijn kinderschoenen stond. 'Ik ben geïnteresseerd in dingen die bestaande dingen aanduiden', zei Johns. 'Ik denk dat we ons op die dingen kunnen richten zonder ze te beoordelen; voor mij lijken ze als duidelijke feiten te bestaan.' Zijn Amerikaanse vlag blijft dan ook een volbloedstars-and-stripes, hoewel het aantal sterren niet klopt. Naar diepere metaforische of politieke betekenissen hoef je niet te zoeken, hoezeer het beeld daar ook om smeekt. Anders gezegd: het is subject en object ineen, het staat in de wereld en onttrekt zich eraan. En vooral: het is een even prachtig als krachtig ding om naar te kijken, of je het nu ziet als een visuele, in was gedoopte constructie in blauw, rood en wit, of als een bevlekt symbool voor the land of the free. In de jaren na Johns spectaculaire entree bleef hij de visuele wereld en onze perceptie ervan bevragen met 'dingen die waarheden lijken'. Met vlaggen, schietschijven, landkaarten en cijfers. Met schilderijen, tekeningen, afdrukken en beeldhouwwerken. Het is een oeuvre dat voortvloeit uit een naadloze symbiose van idee, vorm en proces, en waarin bekende voorwerpen en concepten - 'dingen die de geest al kent', zoals hij ze ooit noemde - vaak een verrassende invulling krijgen. Johns afbeeldingen van platte objecten zijn simulaties gemaakt uit kunstmaterialen, maar ze blijven even functioneel als het ding zelf. Het zijn vlaggen die je kunt groeten, schietschijven waarop je kunt mikken, landkaarten waarop je steden kunt aanduiden, en cijfers die je kunt optellen en aftrekken. Het zijn handgemaakte dingen die de werkelijkheid imiteren, maar die er, bij nader inzien, uitzien als andere dingen, en bijgevolg een unheimlich en desoriënterend effect hebben. Op een tastbare manier peilen ze niet alleen naar de ware aard van het object en de werkelijkheid om ons heen. Ze stellen ons evengoed de vraag: wat komt er eerst? De de kleuren, vormen en lijnen? Of de ideeën die van kindsbeen af in onze geest werden geprent en waarmee we die kleuren, vormen en lijnen betekenis geven? In het doek False Start (1959) blijkt het woord 'Red' blauw geschilderd. In het schilderij The First Real Target? (1961) staat de titel, inclusief vraagteken, boven de afbeelding van een schietschijf. Het is aan de toeschouwer om de puzzel te leggen - en aan Johns om de stukjes aan te reiken, als in een plagerig, intellectueel spelletje dat je toch nooit kunt winnen. Geen wonder dat er weinig Amerikaanse kunstenaars zijn die hun publiek al die tijd zo hebben weten te fascineren, en vooral ook te frustreren, als Jasper Johns. In eigen land leverde dat hem een cultstatus op, wat best ironisch is, aangezien zijn doeken vaak voor miljoenen over de toonbank gingen en hij zich altijd heeft bediend van populaire beelden en gemeenplaatsen. Maar ondanks de bedrieglijke toegankelijkheid van zijn werk, en het commerciële succes ervan, wist hij de status van Andy Warhol, Roy Liechtenstein en consorten nooit te evenaren. Dat heeft te maken met het feit dat niet alle critici in hem een genie zagen. Pierre Restany, die het nouveau réalisme propageerde, deed Johns werk af als 'anachronistische Amerikaanse nostalgie'. Ook qua timing en thematiek zat Johns tussen verschillende stoelen. Hoewel hij grote bewondering had voor de abstract expressionisten, en in het bijzonder voor Barnett Newman, wiens color field paintings hij in verschillende doeken zelfs citeert, volgde Johns een aardser en zakelijker discours. Zijn werken zijn geen abstracte evocaties van diepe zielenroerselen, zoals de gekwelde, hyperenergieke action paintings van Pollock of de omineuze, mentale kleurlandschappen van Rothko. Het zijn in eerste instantie objecten, in verf gevatte en strak gestructureerde symbolen en ideeën. Bovendien lijkt het label popart, waarmee Johns vaak wordt geassocieerd, niet op hem van toepassing. Met zijn antiautoritaire retoriek (wie zegt dat een vlag niet zomaar een vlag is?), zijn seriële aanpak (hij maakte talloze varianten op dezelfde thema's) en zijn collagetechniek (borstels, blikken, bezems en zelfs Mona Lisa's duiken op) mag hij dan wel raakvlakken met de popart hebben, zijn werk is stukken cerebraler en complexer dan de opgeblazen stripprentjes van Liechtenstein, de lipstickrode lippen van Tom Wesselmann of de Campbell's-soepblikken van Warhol. Zijn vlaggen, schietschijven en cijfers zijn geen postervriendelijke prenten om boven je bed te hangen, want ook al heten ze abstract, apolitiek en neutraal te zijn: hun semantische lading is dreigend en in your face. Een anekdote als bewijs? Toen toenmalig MoMa-directeur Alfred Barr in 1958 het werk Flag kocht van Leo Castelli, deed hij dat niet in eigen naam of die van zijn New Yorkse museum, maar via een vriend. Alles om - in tijden van Koude Oorlog-koorts - toch maar niet van subversieve, laat staan on-Amerikaanse activiteiten te kunnen worden verdacht. ß Hoewel hij een van de duurste hedendaagse kunstenaars is - zijn Flag uit 1958 werd in 2010 verkocht voor 110 miljoen dollar - is Johns in dat opzicht geen easy sell. En ook zichzelf verkopen bleek nooit zijn dada. Interviews geeft Johns, die al jaren zijn tijd verdeelt tussen zijn landgoed in Sharon, Connecticut en het Caraïbische eiland Sint-Maarten, zelden of nooit. En hoewel hij al zestig jaar naam en faam geniet, geniet hij die het liefst privé, ver weg van de schijnwerpers die Warhol zo graag opzocht.Het is niet zozeer dat Johns per se de Greta Garbo van de kunstwereld wil uithangen en geilt op de voile van mysterie die al decennia rond zijn persoon hangt. Het is dat hij effectief een einzelgänger is. In zijn werk, maar ook qua levensloop. Ondanks de jarenlange relaties die hij had, in het bijzonder met collega-kunstenaar en assemblagetovenaar Robert Rauschenberg, blijft Johns één van de meest discrete figuren binnen het Amerikaanse kunstwereldje. Welke impact had de vroege scheiding van zijn ouders? (Johns was amper drie toen zijn pa en ma uiteengingen.) In welke mate definieerden zijn zuiderse roots hem? (Hij werd geboren in Augusta, Georgia en groeide op bij zijn grootouders in South Carolina.) Wat betekenden zijn legerdienst en de Koreaanse oorlog? (Hij was in dienst van Uncle Sam en gestationeerd in Sendai, Japan.) Het zijn vragen die hij nooit zou beantwoorden, noch in zijn werk, noch privé. Bovendien bleef zijn homoseksualiteit - hij was behalve Rauschenbergs partner ook een goede vriend van choreograaf Merce Cunningham en avant-gardecomponist John Cage, indertijd New Yorks bekendste homokoppel - lange tijd onbelicht. Pas halverwege de jaren tachtig, in volle aidscrisis, werd hij in een ongeautoriseerde biografie door homoactivisten uit de kast gesleurd, hoewel er van bij zijn vroegste werken een gaye subtekst te bespeuren was. Of hoe anders moet je Alley Oop (1958) interpreteren, een camphommage aan de hypermasculiene held van een stripreeks die van 1933 tot 1973 verscheen? Of Painting with Two Balls (1960), een encaustisch schilderij met twee, welja, ballen, pardoes tussen twee panelen gekneld? Het waren zaken die hypergevoelig lagen in de conservatieve jaren vijftig en zestig, toen homoseksualiteit weliswaar gedoogd maar publiekelijk veroordeeld werd. Hoewel het simplistisch is om het werk van een kunstenaar te degraderen tot symptomen van zijn privéleven, zou een en ander kunnen verklaren waarom Johns zich zo lang achter symbolen, en andere onpersoonlijke beelden verscholen heeft, waarom het menselijke lichaam zo'n fragmentarische rol in zijn werk speelt - je ziet sporadisch een arm, been of penis opduiken - en waarom hij zich noch als kunstenaar, noch als privépersoon ooit volledig heeft 'ontbloot'. Als Johns dan al een tipje van de sluier oplicht, houdt hij het bij eenvoudige aansporingen. In 1964 schreef hij in zijn notitieboek: 'Neem een object / Doe er iets mee / Doe er iets anders mee'. Dat resulteerde in het voortdurende parafraseren van de figuren waarmee hij al van in het prille begin van zijn carrière aan de slag was. En hoe tijdloos veel van zijn werk ook gebleken is, zowat alles wat hem uniek en fascinerend maakt - zijn technieken, thema's en artistieke filosofie - dateert uit de jaren vijftig en zestig.