'Kijk', zegt Jozef Deleu, en de oude dichter-schrijver wijst door het grote raam van zijn werkkamer in het West-Vlaamse Rekkem naar het doorregende weiland achter zijn huis: 'Daar ligt de schreve, de grens tussen Frankrijk en België.' Deleu draait het hoofd in de richting van het witte gebouw van Stichting Ons Erfdeel, een paar honderd meter verderop. Ons Erfdeel is sinds 1957 de naam van een blad en sinds 1970 ook van een gelijknamige Vlaams-Nederlandse culturele organisatie. Deleu richtte ze op ter verspreiding van de Nederlandse cultuur.
...

'Kijk', zegt Jozef Deleu, en de oude dichter-schrijver wijst door het grote raam van zijn werkkamer in het West-Vlaamse Rekkem naar het doorregende weiland achter zijn huis: 'Daar ligt de schreve, de grens tussen Frankrijk en België.' Deleu draait het hoofd in de richting van het witte gebouw van Stichting Ons Erfdeel, een paar honderd meter verderop. Ons Erfdeel is sinds 1957 de naam van een blad en sinds 1970 ook van een gelijknamige Vlaams-Nederlandse culturele organisatie. Deleu richtte ze op ter verspreiding van de Nederlandse cultuur. Jozef Deleu: Ons Erfdeel, het blad en de stichting, waren niet gebonden aan een zuil. Onze enige norm was kwaliteit. Ik was amper 20 toen ik hoofdredacteur werd en vroeg om medewerking aan de groten van die tijd: Herman Teirlinck, Henriette Roland Holst en Stijn Streuvels. Toen ik Streuvels aanschreef met de vraag of hij deel wilde uitmaken van onze 'ereredactie', antwoordde hij: 'U wilt dus alleen mijn naam gebruiken. Mij goed.' Misschien kan uw voorbeeld de misnoegde kunstenaars van vandaag inspireren: ook voor wie naast verwachte subsidies grijpt, is er toekomst. Deleu: Toch denk ik dat de Vlaamse administratie vandaag dezelfde denkfouten maakt als het oude ministerie van Cultuur in de jaren 1950. Met het eerste nummer van Ons Erfdeel onder de arm ging ik daar in 1957 naartoe. Daar besliste schrijver Karel Jonckheere - God hebbe zijn pikzwarte ziel - als ambtenaar over de culturele subsidies. Jonckheere: 'Gij komt met uw pastoorsblaadje uit West-Vlaanderen zeker om steun vragen?' Ik: 'Dit is een tijdschrift waaraan Vlamingen en Nederlanders meewerken.' Hij: 'En toch krijg je geen subsidie.' Ik: 'En toch zet ik door met het blad.' U kon het dus zonder staatstoelage. Deleu: Wacht. Ik had ook om steun gevraagd bij de provincie West-Vlaanderen. Daar gunde men mij wel een kleine toelage - eigenlijk was het niet meer dan een prikje van omgerekend 50 euro. Maar ik, een jongeman met een tijdschriftje van 24 pagina's, voelde mij wel ondersteund. Toevallig is Ons Erfdeel uitgegroeid tot een blijver, dat lukt natuurlijk niet met elk cultureel initiatief. Dat is ook niet erg. Elke West-Vlaamse landbouwer weet: er moet worden gezaaid voor je kunt oogsten. Alleen die heren in de hoofdstad zijn zo dwaas om te denken dat ze vrijelijk kunnen beschikken over de hele graanschuur, dat er niets apart hoeft te worden gehouden om te zaaien. Dat is onbegrijpelijk. Natuurlijk moet een topdanseres als Anne Teresa De Keersmaeker royaal gesubsidieerd worden. Maar het is Anne Teresa niet die vervolgens concludeert dat daarom de kleintjes ineens geen steun meer behoeven. Het ontbreekt deze Vlaamse regering aan een elementaire visie op hoe cultuur wezenlijk functioneert - alle cultuur, en overal. Wie wereldniveau wil, moet eerst zaaien, in de wetenschap dat nooit elk zaadje zal kiemen. Wat toch groeit, moet tijd en ruimte krijgen. Pas dan kunnen er vruchten komen. (maakt zich boos) Ik zeg het al jaren, en het is de schandvlek van de Vlaamse zelfstandigheid: de Vlaamse overheid treedt jakobijns op. Ik ben geen provincialist, maar het was rampzalig om de provincies te verbieden om nog een eigen cultuurbeleid te voeren, en dus om eigen subsidies uit te delen. De Vlaamse overheid zou dat wel in hun plaats doen. Vandaag verdeelt 'Brussel' dus alles. Het resultaat is dat het tussenniveau verdwijnt. Elk cultuurlandschap is per definitie fijnmazig. Vandaar dat het verstandig is om veel kleine initiatieven te subsidiëren. Maar die jakobijnen uit Brussel zien daar natuurlijk het nut niet van in. Zij willen vooral uitpakken met grote namen. Dat noemen ze 'regeren'. Het zint u duidelijk niet. Deleu: Nee. Een ander gevolg van dat beleid is dat er - terecht - veel geld vloeit naar de grote steden Brussel, Antwerpen en Gent, al heel wat minder naar Kortrijk, Leuven of Hasselt, en dat men bijna geen oog heeft voor Oudenaarde, Veurne of Menen. Terwijl cultuursubsidies daar pas echt het verschil kunnen maken. En men zou de Vlaamse cultuur pas echt een dienst bewijzen door meer aandacht te hebben voor jong talent. Er zijn namelijk altijd mensen of organisaties die totaal onverwacht uitgroeien tot een fenomeen. Wat voor zin heeft het dat een minister van Cultuur deskundigen inhuurt die hem dan vertellen dat Van Eyck, Bruegel of Rubens onze grote meesters zijn? Het is geen kunst om grote namen te steunen. De kunstenaars voelen zich belaagd en jouwden minister-president Jan Jambon (N-VA), ook minister van Cultuur, minutenlang uit op de uitreiking van de MIA's, de Vlaamse muziekprijzen. Neemt de culturele sector zichzelf niet té ernstig? Deleu: Integendeel. Het probleem is vooral dat wij geen traditie van verzet hebben. Wij zijn het korenveld, naar de regels van de Zuid-Afrikaanse dichter Dirk J. Opperman in zijn toneelstuk Periandros van Korinthe: 'Die are gaan lig/ onder die wind.' Vlamingen collaboreren met machthebbers, van welke kleur ook. Het was dus goed dat Jambon werd uitgejouwd. Er is onvrede, dat mag getoond worden. Ik denk dat Jambon denkt dat het protest van de culturele sector wel 'zal passeren'. Hij heeft ongelijk. Zijn beleid wordt niet meer gepikt. Eind vorig jaar heb ik in De Standaard een 'open brief' gericht aan Jan Jambon. Daarin raadde ik hem onder meer aan om voor de Vlaamse regering, in kabinetsraad bijeen, enige verzen te laten voorlezen van de Poolse dichter en Nobelprijswinnaar Czeslaw Milosz (1911-2004): 'En dan komt er een regering die rechts noch links is/ Dan komen er halve cultuur en halve hervorming/ halve vrijheid, halve onderdrukking en halve ontbering.' Op die ene ingezonden brief kreeg ik meer dan honderd enthousiaste reacties. Een steeds groter deel van Vlaanderen heeft begrepen welk afschrikwekkend cultuurbeleid ons te wachten staat. U bent Vlaamsgezind, en toch bent u al jaren een genadeloos criticus van de Vlaamse elite. Deleu: Mijn flamingantisme is sociaal bewogen. Ik wantrouw mensen die veel hebben. Ik bekijk de zaken namelijk vanuit het perspectief van mensen die weinig hebben. Als dichter ben ik voor de buitenwereld wellicht meer melancholisch dan het lijkt. Ik heb mezelf gehard. Ik ben de jongste van zeven kinderen uit een familie van pachtboeren. Mijn ouders hebben niets anders dan tegenslag gekend. Ik benadruk: níéts anders. Ze waren altijd afhankelijk van de eigenaar en de wispelturigheid van het lot. Toen ik twaalf was, werden mijn ouders uit hun boerderij in Roeselare gezet, ook al waren het goede boeren en betaalden ze stipt hun pacht. In het grensdorp Rekkem vonden ze een nieuwe pachthoeve. Die is op haar beurt verdwenen onder de nieuwe snelweg en een industriepark. Van de zichtbare dingen uit mijn jeugd is niets overeind gebleven. Van welgestelde boeren werden mijn hardwerkende ouders verarmde landbouwers, zonder enig eigen bezit. De confrontatie met de problemen in deze grensstreek heeft mij getekend. Ik heb het nooit alleen bij de literatuur kunnen houden. Cultuurpolitiek heeft me altijd geboeid en tot actie aangezet. Wie schrijft, moet ook zijn handen vuil durven te maken. Dat is de erfenis van de armoede in uw jeugd: sociale bewogenheid? Deleu: Mijn kindertijd was niet een en al treurnis, hoor. Ik ben in Roeselare geboren, de plattelandswijk De Ruiter is mon terroire nostalgique. Weet u dat ik als kind nog een liedje heb moeten zingen ter ere van de toenmalige burgemeester van Roeselare? Dat was Joseph De Nolf, de grootvader van Rik De Nolf, nog altijd de voorzitter van de raad van bestuur van Roularta en de 'grote baas' van Knack. (zingt)'Clou, Clou/ Tralala/ 't Is al voor De Nolf / 't Is al voor De Nolf.'Toen mijn ouders noodgedwongen verhuisden, moest ik het Klein Seminarie in Roeselare inruilen voor het Franstalige Collège Saint-Joseph in Moeskroen. In 1951 was ik oud genoeg om voor onderwijzer te studeren. In de normaalschool van Torhout heb ik mij goed kunnen uitleven, ondanks het ancien régime en het roomse leven. Onder impuls van leraren Nederlands kreeg ik belangstelling voor taal en literatuur en werd ik cultuurflamingant. Aan de vastlegging van de taalgrens, de Vlaamse betogingen in Brussel en allerlei lokale activiteiten rond mei '68 deed ik enthousiast mee. Ik heb nog een foto waarop ik samen met het 'taalgrenscomité Komen Moeskroen' naast een spandoek sta:'Zij die gaan sterven, groeten u.' (lacht) Vlaanderen borrelde in die tijd van nieuwe ideeën, we werden vrijer en moediger. Ik heb veel te danken aan het enthousiasme van medestanders voor de Vlaamse zaak, zoals dat toen heette. Over die tijd gaat ook mijn gedicht Nalatenschap: 'Wat wij deden/ of nalieten te doen/ wat wij opbouwden/ of bestreden/ was openbaar.' In 1985 schudde u Vlaanderen wakker met een toespraak op het Antwerpse stadhuis, onder de titel De pleinvrees der kanunniken. Sindsdien bent u vlijmscherp voor de nieuwe Vlaamse elite. Deleu: Ik zag al enige tijd met lede ogen aan dat de nieuwe Vlaamse elite, met haar gremia als de Marnixring en de Orde van den Prince, geruisloos afstand nam van cultuur als middel tot en vorm van Vlaamse emancipatie. De beteren wilden zich weer afscheiden. Ik behoor niet tot de beteren. Het is begonnen met Gaston Geens (CVP), de eerste 'voorzitter van de Vlaamse executieve', zoals het toen heette en de man achter projecten als Flanders Technology en vooral van de slagzin 'Wat we zelf doen, doen we beter'. En het stopt niet. Het centenflamingantisme van de CVP van de jaren tachtig is het centennationalisme van de N-VA geworden. Ik heb al bezwaren tegen nationalisme op zich, maar tegen centennationalisme heb ik niets anders dan bezwaren. Vandaag is Jan Jambon de emanatie van de Vlaamse politici en zakenmensen die jaren geleden al hun Vlaamsgezindheid hebben verengd tot een centennationalisme. Het is toch godgeklaagd: het begon met het taal- en nadien het iets bredere cultuurflamingantisme. En ineens, wanneer al die kinderen van arme Vlamingen eindelijk een diploma kunnen behalen, gaan ook die Vlaamse zonen en dochters die de dienst uitmaken zich gedragen als une classe supérieure en wanen ze zich 'beteren'. In zijn boek Over Identiteit pleit N-VA-voorzitter Bart De Wever voor een leitkultur, een geheel van waarden en normen dat van bovenuit opgelegd zou moeten worden aan de inwoners van Vlaanderen. Deleu: Wat is de zogenaamde leitkultur van een volk eigenlijk? Jazeker, in Vlaanderen spreken wij min of meer dezelfde taal. Tegelijk hebben wij allemaal andere affiniteiten, andere belangstellingen, andere perspectieven. Ik verschil met u, maar ook met mijn buren. De boeren hier in Rekkem kijken anders naar ruimtelijke ordening dan u. Deleu: Natuurlijk. Leitkultur is een kunstmatig kader: wat er niet in past, wordt erin gestouwd. Dat aanvaard ik niet. Zeker, je moet een gemeenschappelijke, aanvaardbare communicatie nastreven. Maar tegelijk moet je de eigenheid van elke inwoner van Vlaanderen respecteren. Ooit was Vlaanderen een katholiek land, nu is het nog slechts zes procent kerkelijk. Het aantal mensen dat zich kerkelijk laat begraven, daalt met rasse schreden. In de loop van hun leven krijgen mensen vaak andere inzichten, en veranderen ze ook hun manier van leven. De Vlaamse overheid moet dus geen extra labels plakken op de Vlamingen, en generaties lang een onderscheid blijven maken tussen oude - 'echte' - en nieuwe Vlamingen. En als er nieuwe Vlamingen bijkomen, met een ander geloof, moeten we vooral vermijden dat het tot clashes komt, of dat er onvoldoende wederzijds respect is. De aanvaarding van verscheidenheid binnen een cultuurgemeenschap is essentieel. Ze vormt de rijkdom van het geheel en van alle delen afzonderlijk. Voor wie vindt dat het 'eigen volk' eenduidig moet zijn, is veelkleurigheid verwerpelijk. Dat verwijt ik de rechterzijde. Voor wie vindt dat alles altijd internationaal moet kunnen zijn, is iedere verwijzing naar het eigene een vloek. Dat is mijn kritiek op de progressieve kerk in dit land. De cultuurstrijd treft ook de VRT. U kent het huis: u zat tien jaar in de raad van bestuur van de openbare omroep. Deleu: In 2004 werd ik tijdens de receptie na de 11 juliviering op het Brusselse stadhuis voorgesteld aan SP.A-voorzitter Steve Stevaert, die ik niet kende, en aan Tony Mary, de ceo van de VRT. Er ontstond een discussie, erg interessant maar ook nogal heftig, over de openbare omroep. Ik zei aan de heren dat de VRT onze grootste culturele instelling was en dat ze daarom meer zorg en respect verdiende van de Vlaamse overheid. Aan het einde van het gesprek vroeg Stevaert mij op de man af: 'Tegen volgend jaar moet een nieuwe raad van bestuur samengesteld worden. Ben je bereid daar lid van te worden? Ik zei 'ja', maar op voorwaarde dat ik geen richtlijnen zou krijgen van wie dan ook. 'Dat is goed', zei hij. En zo geschiedde: op voordracht van de SP.A heb ik van 2005 tot 2014 in de raad van bestuur van de VRT gezeten. En dat zonder tien jaar lang één richtlijn, één telefoon of één vraag te hebben gekregen van de partij die mij naar die raad had gestuurd. Ik heb later nog veel vriendschappelijke gesprekken gevoerd met Stevaert, maar nooit over de VRT. Bij andere fracties was dat niet zo. Tekens als een heikel punt op de agenda kwam, verlieten de VB-afgevaardigden de zaal om te gaan plassen - ze moesten eerst aan Filip Dewinter vragen hoe ze moesten stemmen. Wat hebt u als bestuurder kunnen of willen veranderen aan de openbare omroep? Deleu: Er lopen in dat huis te veel mensen rond die een eigen agenda hebben en voor belangen opkomen die niet die van de openbare omroep zijn. Dat stoorde me toen al, en er is zo te zien geen verandering in gekomen. Ik heb me altijd hevig verzet tegen de heersende 'huiscultuur' waarbij eigen medewerkers eerst kennis en ervaring opdoen bij de VRT, zodra ze hun kans ruiken hun schop afkuisen en dan via een eigen bedrijfje dure programma's gaan maken voor dezelfde VRT. U hebt het over Woestijnvis van ex-sportjournalist Wouter Vandenhaute, of Studio 100 van ex-omroeper Gert Verhulst. Deleu: Iedereen kent de namen. Ik wil niemand persoonlijk een steen gooien. Het gaat me om het systeem. Dat werkt demotiverend voor de mensen die de VRT trouw blijven en 'uit geldgebrek' onvoldoende ruimte krijgen om te experimenteren. Het gaat niet alleen om externe productiehuizen. Onlangs raakte bekend dat een VRT-regisseur 650.000 euro mocht aanrekenen voor zijn diensten. Deleu: Dan zijn wij toch armoedezaaiers? (Tot de fotograaf en de journalist) Zo veel verdienen wij niet in ons leven! Er moet binnen de VRT een heldere structuur worden uitgewerkt waardoor nieuw talent gestimuleerd wordt en creatieve mensen niet gedesillusioneerd raken. Daar is durf en moed voor nodig. Ik heb er niets tegen dat de VRT sport en ontspanning blijft aanbieden, maar toch vind ik dat de openbare omroep zo veel mogelijk goede, eigen programma's moet tonen, gemaakt in eigen huis. Met name de nieuwsdienst moet toonaangevend zijn. Vandaag zie ik soms het verschil niet tussen het nieuws van de VRT en dat van VTM, op het decor en de schermgezichten na. Dat zal handenvol geld kosten. De Vlaamse regering wil juist dat de VRT de tering naar de nering zet. Deleu: Inderdaad, dat zal iets meer kosten aan de Vlaamse overheid. En waarom niet? Ik ben ervan overtuigd dat de Vlaming er geen bezwaar tegen heeft dat er per jaar en per burger bijvoorbeeld 60 euro aan overheidsgeld aan de openbare omroep wordt besteed, in plaats van 41,2 euro zoals vandaag. Zolang de omroep maar verlost raakt van de rommel die hij soms uitzendt. Met een volwaardige dotatie heeft de VRT ook geen reclame meer nodig: de commerciële zenders zullen de vrijgekomen advertentiemiddelen graag inpikken. Waarom niet? De kwaliteit van het nieuws en cultuur: daar moet de VRT in voorgaan. Maak er een goede zender van. Welke programma's mist u dan bij de VRT? Deleu: In mijn tien jaar als bestuurder ben ik als een oude zaag blijven pleiten voor een boekenprogramma. Tevergeefs. In de nieuwe beheersovereenkomst van de VRT ziet de oppositie de hand van Christian Van Thillo, de eigenaar van DPG Media. Hij wil de VRT klein houden om zelf nog meer te kunnen groeien. Deleu: Ik neem Christian Van Thillo niets kwalijk. Hij zorgt voor zijn business. Ik neem het de Vlaamse overheid wél kwalijk dat zij de VRT te weinig middelen geeft. Van Thillo verdedigt zijn boîte, de overheid doet dat niet meer. Vandaag is Luc Van den Brande VRT-voorzitter namens de N-VA. Dat kan niet anders, want in de raad van bestuur hebben N-VA en VB samen de meerderheid. Wat blijft er nog over van Van den Brandes eigen CD&V? Uw VRT-tijd ligt inmiddels al zes jaar achter u, uw Ons Erfdeel-periode achttien jaar. Hoe vult u als tachtiger uw dagen? Deleu: (stil) 2019 was een slecht jaar. Mijn laatste broer is gestorven, ik ben de laatste Deleu van mijn generatie. Dan was er de dood van mijn vrienden Gaston Durnez (schrijver en oud-journalist van De Standaard, nvdr) en de Gentse filosoof Etienne Vermeersch. Met Etienne heb ik aan de tafel beneden uitvoerig gepraat en gediscussieerd, soms tot drie uur 's nachts. Etienne was een fantastische man. In het vuur van zijn betoog kon hij met grote zelfverzekerdheid zijn Waarheid verkondigen. Dat is weg. Je kunt een echo niet meer terugroepen. Het leven is eenzamer geworden. Deleu: Eenzamer weet ik niet. Ik ben wel 'allener' dan vroeger. De dag voor zijn dood heb ik nog getelefoneerd met Gaston Durnez, wat we vaak deden. We spraken elkaar aan met grootsprakerige titels: ik was 'de markies' en hij 'de grootcommandeur'. Het was jongenshumor van twee oude mannen. Ook dat is gestopt. Zijn nummer zit nog wel in mijn telefoon. Er is een zekere droefheid in mijn leven geslopen. De mensen sterven. Als je zelf ouder wordt, vallen veel vrienden één voor één weg. Ik kan u hun boeken nog tonen, de opdracht die ze erin geschreven hebben, maar voor de rest is het verleden tijd. C'est la vie. Intussen ben ik een oud grijs konijn. U bent nog altijd hoofdredacteur van Het Liegend Konijn. U blijft actief. Deleu: Na Ons Erfdeel is Het Liegend Konijn mijn tweede kind. Dat blad bestaat binnenkort achttien jaar. Meer dan 5000 gedichten werden erin gepubliceerd, er hebben al meer dan 400 dichters aan meegewerkt. Het is de best lopende bloemlezing over poëzie die in Vlaanderen bestaat. Ik weet het, ik ben ijdel, en toch kan ik niet helemaal tevreden zijn. Tevredenheid is een gevaarlijk gevoel. Ik heb ooit geschreven: 'Het is nooit helemaal goed.' Met die ingesteldheid sta ik nog altijd in het leven. Ik ben een ancien combattant van een oorlog die nooit afgelopen is. En ik beoog het om honderd jaar oud te worden. Vlaanderen is gewaarschuwd. Deleu:(bulderlach) Stouterik!