De waanzin van de lijn en van de oorlog: dat is het', zegt Sam Dillemans als we in zijn tentoonstellingsruimte in Antwerpen de overrompeling en bevreemding ondergaan van de schilderijen die hij maakte voor Goodbye to All That. Soms zijn soldaten weinig meer dan duistere schimmen in een kleurrijk landschap, dan weer proberen ze zich aan modder en verf te ontworstelen of tasten ze - in hard zwart en wit - als blinden in het rond na een gasaanval. Nu eens klit de verf als klodders modder aan het doek, dan weer is de stijl schraal en bijna etherisch. Dillemans verkent als schilder nieuwe en uiteenlopende richtingen, hij vecht met de oorlog en de verf.
...

De waanzin van de lijn en van de oorlog: dat is het', zegt Sam Dillemans als we in zijn tentoonstellingsruimte in Antwerpen de overrompeling en bevreemding ondergaan van de schilderijen die hij maakte voor Goodbye to All That. Soms zijn soldaten weinig meer dan duistere schimmen in een kleurrijk landschap, dan weer proberen ze zich aan modder en verf te ontworstelen of tasten ze - in hard zwart en wit - als blinden in het rond na een gasaanval. Nu eens klit de verf als klodders modder aan het doek, dan weer is de stijl schraal en bijna etherisch. Dillemans verkent als schilder nieuwe en uiteenlopende richtingen, hij vecht met de oorlog en de verf. Waarom hebt u zich in de Eerste Wereldoorlog vastgebeten? Sam Dillemans: Bij mij gebeurt dat op een natuurlijke manier. Ik glijd van de ene periode in de andere. Het is niet dat ik opsta en denk: nu ga ik de oorlog als thema gebruiken. Ik was al een hele tijd landschappen aan het schilderen, maar ik miste iets, ik miste figuren... Het moet het voorjaar van 2016 geweest zijn. Ik had hier in Antwerpen een retrospectieve georganiseerd en wilde rust nemen, maar dat is er toen niet van gekomen. Het zál er ook niet meer van komen: eigenlijk biedt schilderen mij een soort rust, maar dat mag ik niet hardop zeggen. (lacht) Als ik schilder, kom ik thuis. Goed, die landschappen wilde ik dus een meerwaarde geven. Ik wilde er geen bucolische landschappen van maken, geen ' déjeuner sur l'herbe'. Het is eerder ' déjeuner dans la merde' geworden. Ik herinner me dat ik bezig was op het werk van een zondagsschilder - ik heb veel schilderijen opgekocht in de kringloopwinkel: die zorgen voor een goede fond. Voor ik het besefte, had ik een soldaat geschilderd, en nog één, en een Britse tank. Heel organisch. Van het een kwam het ander. Hoe verklaart u dat? Dillemans: Ik was ineens gegrepen door dat thema. Er zijn natuurlijk veel oorlogsschilderijen gemaakt, maar niet zoals ik het zie: ik wil die primitieve confrontatie met het landschap, met de grond, de modder, water, staal en bloed. De Eerste Wereldoorlog is primitief, zoals we hem van de archiefbeelden kennen. Eerst heb ik op een zestigtal afgedankte schilderijen en uitsluitend met witte en zwarte verf oorlogstaferelen gemaakt. Alleen zwart en wit gebruiken, dat was voor mij een plastische revolutie. De kleuren die in de werken voorkomen, zijn telkens de uitgespaarde kleuren van het zondagsschilderij waarop ik werkte. Edgar Degas zei op het einde van zijn leven: 'Als ik het had geweten, had ik álles in zwart-wit geschilderd.' Waarom zei hij dat? Dillemans: Omdat de lijn en de tekening de essentie zijn en kleur daarvan kan afleiden. In mijn jeugd heb ik me blind getekend, ik ken de anatomie van Paul Richer (de Franse anatomist en kunstenaar, nvdr.) van voor naar achter en omgekeerd. Ik heb de harde school gevolgd en daar de vruchten van geplukt. Nu heb ik de tekenkunst in de schilderkunst geïntegreerd. Pas op, ik wil daar allemaal niet te veel bij nadenken. Ik heb doorgewerkt in een roes, puur met zwarte en witte verf. Het is als etsen: je kunt niet terug, het moet juist zijn. Als je begint te corrigeren met white spirit, is de frisheid van het doek weg. Ik heb ook met krijt en houtskool op wit doek gewerkt, en ook dat is nieuw voor mij. Houtskool heb ik gebruikt alsof het verf was. U bent ver gegaan in de verminking en ontwrichting. Dillemans:Goodbye to All That is geen brave uitbeelding van de oorlog geworden. Voor mij gaat het om deformatie en een vernieuwende vormentaal. In juli 2017 heb ik mijn doek Ypres geschonken aan het In Flanders Fields Museum: het is een monumentaal werk van bijna 3 meter breed, waarin ik heb geprobeerd om door te dringen tot de essentie van de mens, zijn wezen, zijn ruggengraat. Puur in de richting van lijn, vernieuwing en avontuur. Massa's worden gereduceerd tot een spel van lijnen, tot de waanzin van de lijn. Betekent dat dat u de verminkingen van de oorlog kunt uitbeelden hoe u wilt? Dillemans: De ellende van de oorlog is een goede aanleiding om dit te doen, maar is er niet van fundamenteel belang voor. Belangrijker is dat ik daardoor een nieuwe vormentaal heb ontdekt. De teennagels die ik teken zijn veel experimenteler dan vroeger: dat kun je je pas permitteren als je miljoenen teennagels hebt getekend. Als je bagage groot is, ben je plastisch een vrij man. Zoals Anna Pavlova, een van de grootste danseressen, ooit zei: 'Beheers uw techniek en verlaat ze dan.' Om het grof te stellen: Cézanne heeft met appelen een revolutie in de kunst ontketend, alleen met appelen... Ik blijf een vormenschilder: ik heb verhalen nodig, maar niet te veel. Ja, het gaat over de Eerste Wereldoorlog, maar het draait vooral om een stijlbreuk. En het feit dat het werk plastisch overeind moet blijven. Kijk naar Guernica van Picasso: daar zit geen boodschap in, hè. Je weet zelfs niet dat het om de Spaanse burgeroorlog gaat: er is geen vlag te zien, dat werk is puur vormelijk. Toch kunt u er niet omheen dat we hier voor een gigantisch werk staan - Goodbye to All That, waaraan uw nieuwe tentoonstelling haar titel ontleent - waarmee u de gruwel van de oorlog uitbeeldt als een soort oerschreeuw. Dillemans: Absoluut. Maar dat schilderij laat ook een amalgaam van stijlen zien. Ik heb er maanden aan gewerkt. Ik wilde geen realistisch panorama - je ziet wel iets van Ieper - en ben tegen het klassieke perspectief ingegaan. Ik heb geprobeerd om veel facetten van de oorlog bij elkaar brengen: Goodbye to All That is ook op het einde gemaakt, na alle andere werken van de tentoonstelling. Hebt u zich gedocumenteerd met foto's? Dillemans: Ik heb foto's gebruikt die liefst zo slecht en vaag mogelijk waren. En ik heb ze ook ver van mij gehouden. Vroeger was het anders: toen wilde ik het materiaal dichtbij hebben om het te kopiëren. Dat doet wat denken aan een model dat ik ooi heb gehad: na vijf jaar liet ik haar in het stikdonker poseren. Ze vroeg waarom ze nog moest komen: wel, ik had haar aanwezigheid nodig. U bent een gretige lezer. In het tentoonstellingsboek staan citaten van de Engelse oorlogsdichters Sassoon en Owen, van Remarque en Céline. Hoezeer hebben die schrijvers u geïnspireerd? Dillemans: Ook Robert Graves zit erbij: de titel van zijn autobiografische boek over de loopgravenoorlog is de titel van mijn tentoonstelling geworden. De vertaling in het Nederlands is ook sterk: Dat hebben we gehad. Helaas komen oorlogen altijd terug. Ik heb niet gelezen 'in functie van': zo ben ik niet, want dan word ik er slaaf van. Maar de literatuur heeft me wel beïnvloed. Erich-Maria Remarque (auteur van 'Van het westelijk front geen nieuws', nvdr.) is schitterend, met die onvergetelijke paardenscène. In de Eerste Wereldoorlog zijn 3 miljoen paarden omgekomen. Niet in gevechten - die mythe mag ontkracht worden - maar vooral door honger en ontbering. En dan is er de mens in die oorlog. Henri Barbusse beschrijft dat de soldaten urenlang tot hun knieën in de modder stonden. Volgens hem was water de grootste vijand. Het intrigeert mij hoe een mens dan overeind blijft. Daarom ook wilde ik die grote schrijvers in hun eigen taal laten spreken: ze waren ooggetuigen die informatie verstrekten uit de eerste hand. Een Rus had ik er ook graag bij gehad. Aan het oostfront zijn tenslotte 1,8 miljoen Russen gesneuveld. En twee miljoen Duitsers. In WO I zijn ook meer dan een half miljoen Italianen gesneuveld: dat is meer dan het totale aantal Amerikanen in de twee wereldoorlogen, Korea én Vietnam samen. Natuurlijk heeft elke oorlog zijn waanzin, maar in de Derde Slag om Ieper in 1917 zijn 170.000 soldaten gesneuveld - en dat voor een terreinwinst van acht kilometer! Onvoorstelbaar. Nu ik u met zo veel vuur over uw onderwerp hoor spreken: is uw nieuwe tentoonstelling dan toch geen statement tegen de oorlog? Dillemans: Ja, maar dat komt ook doordat ik me informeer als ik door een onderwerp gefascineerd ben. De oorlog intrigeert mij wel: tot wat is de mens in staat? Tot welke herhaalde waanzin? Tegelijk bouw ik geen historiek op: Goodbye to All That is geen pedagogische of educatieve tentoonstelling. Er is een schilderij over de Somme, ja, maar voorts gaat het om de dood van een soldaat. En ja, je moet historisch besef hebben, maar helpt dat bij het maken van schilderijen? Ik denk het niet. Mijn plastische ontwikkeling: die domineert álles.