Het voorbije jaar zijn maar liefst 12.070 huurders in Vlaanderen met uithuiszetting bedreigd. Niet toevallig bereiken ook de wachtlijsten voor een sociale woning recordhoogtes. Voor te veel mensen is betaalbaar wonen al lang geen evidentie meer. Nochtans is het een grondrecht en dan verwacht je van de volgende Vlaamse regering dat ze de handschoen opneemt.

Helaas, niets daarvan. Of althans veel te weinig. Na weken in de luwte heeft formateur Jan Jambon nu de tophandelaars van CD&V en Open VLD om de tafel gebracht om enkele grote dossiers uit te klaren. Naar eigen zeggen zijn de 'ideologische tegenstellingen' groot. Ik hoop dat het woonbeleid - zoals het in de startnota van Bart De Wever werd geformuleerd - daar één van is. Zoniet, dan is dat een gemiste kans.

In die startnota verbiedt de volgende Vlaamse regering 40 procent van onze steden en gemeenten om nog sociale woningen te bouwen. Verschillende steden of gemeenten - zoals Antwerpen of Gent - moeten stoppen met bouwen tot de achterop hinkende gemeenten ook hun sociale (woon)doelstelling hebben bereikt. Nochtans is het precies in onze steden dat de nood hoog is. Het is alsof je de gemotiveerde leerling uit de klas zou vragen om te stoppen met studeren tot de ongemotiveerde leerlingen de les hebben begrepen.

De volgende Vlaamse regering moet weer speler worden op de huurmarkt en niet langer toeschouwer zijn.

Het streven naar excellentie voor elke leerling in onze scholen geldt blijkbaar niet voor het Vlaamse woonbeleid. Als je iedereen die vandaag op een wachtlijst staat één vierkante meter geeft, staat er een wachtrij van 154 kilometer lang. Daarmee reik je van de kust tot in Limburg. Of tot in Nederland.

Nederland is voor Bart De Wever en co het gidsland bij uitstek. Het is het land van de canon, maar ook het land met 30 procent sociale woningen. Vlaanderen - hou u vast - zit amper aan 6,5 procent. De lat die de volgende Vlaamse regering voor zichzelf legt, is 9 procent.

Nu, die 9 procent is al sinds 2008 een minimum. Meer dan 11 jaar geleden dus. Tijden veranderen, steden groeien, maar de startnota maakt van datzelfde cijfer nu dus plots een eindpunt. En als wij die al bescheiden 9-procentdoelstelling halen de volgende jaren, dan komen we nog altijd meer dan 60.000 sociale woningen te kort in Vlaanderen. Daarom moet 12 procent vandaag het minimum zijn.

Waarom onze grootsteden - die goed werk leveren - niet gewoon laten verder bouwen richting 12 procent en intussen wat harder trekken aan de oren van zij die nog onder de 9-procentnorm zitten? Een lichte (en bewuste) scheefgroei richting steden is immers wenselijk. Daar wonen logischerwijze de meeste mensen die nood hebben aan een betaalbaar dak boven hun hoofd. Zo creëer je niet alleen een sociale huurmarkt die voldoet aan de behoefte, maar die ook ruimte biedt voor renovatie-verhuizingen of tijdelijke opvang van daklozen.

Investeren in de sociale huurmarkt is één, de huurprijzen op de private huurmarkt begrenzen is twee. Zoniet, dan zal de toestroom nooit stoppen. De gemiddelde maandelijkse huurprijs van een woning op de private huurmarkt vandaag ligt 250 euro hoger dan die op de sociale huurmarkt. Dat is 3.000 euro per jaar. Netto. Nogal wiedes dat op die manier de wachtlijsten voor een sociale woning alsmaar langer wordt.

Een maximale huurprijs per type woning kan nochtans op basis van oppervlakte, locatie, bouwjaar of laatste renovatie. Zo vermijden we toestanden zoals in New York, waar je een maandloon betaalt voor een kruipkot. Daarnaast moeten we projectontwikkelaars verplichten om in hun nieuwe huurprojecten een bepaald percentage sociale woningen te voorzien.

De volgende Vlaamse regering moet weer speler worden op de huurmarkt en niet langer toeschouwer zijn. Dat kan ze door weer meer zelf te verhuren en tegelijk de losgeslagen private huurmarkt aan te pakken. Het ene zonder het andere werkt niet.

Ik mag hopen dat CD&V - toch een partij met een sociaal verleden - de volgende dagen haar volledige gewicht in de schaal legt om de huurmarkt in Vlaanderen eindelijk opnieuw leefbaar te maken.