' Un passeur de frontières', zo noemt Jean-François Lenvain zichzelf. Iemand die grenzen doorbreekt. Hij was onderwijzer in de Anderlechtse wijk Kuregem en ving er de eerste signalen van radicalisering op. Hij hielp, bij Anderlecht, woelwater Anthony Vanden Borre op weg naar het WK in Brazilië. Hij won ultramarathons in China, Cuba en Jordanië. Hij begeleidde sporters met een handicap. En nu wil hij het leven van Molenbeekse jongeren veranderen, met voetbal als hefboom. Een zelfportret-in-vier-haltes van een man die al zijn hele leven balanceert op de scheidslijn tussen sport en sociaal engagement.
...

' Un passeur de frontières', zo noemt Jean-François Lenvain zichzelf. Iemand die grenzen doorbreekt. Hij was onderwijzer in de Anderlechtse wijk Kuregem en ving er de eerste signalen van radicalisering op. Hij hielp, bij Anderlecht, woelwater Anthony Vanden Borre op weg naar het WK in Brazilië. Hij won ultramarathons in China, Cuba en Jordanië. Hij begeleidde sporters met een handicap. En nu wil hij het leven van Molenbeekse jongeren veranderen, met voetbal als hefboom. Een zelfportret-in-vier-haltes van een man die al zijn hele leven balanceert op de scheidslijn tussen sport en sociaal engagement. 'Ik ben opgegroeid in Zinnik, in Henegouwen, als kind van twee boekhouders. Op een dag kwam père Guy Gilbert in mijn school spreken, de man die in 2003 het huwelijk van prins Laurent en prinses Claire zou inzegenen. Vol vuur sprak hij over zijn werk met jeugddelinquenten in Parijs. Ik hing aan zijn lippen en heb hem kort erna een brief gestuurd. Tot mijn verbazing kreeg ik onmiddellijk een antwoord. Hij nodigde me uit op zijn boerderij in het zuiden van Frankrijk, waar hij een centrum voor de heropvoeding en re-integratie van jongeren had opgericht, gebaseerd op zelfrespect en contact met dieren en de natuur. Die trip heeft mijn leven veranderd. Na mijn studie wilde ik als onderwijzer aan de slag in wat ze "moeilijke" scholen noemen. Na een jaar in Bergen ben ik naar Anderlecht verhuisd, naar Kuregem, de veelbesproken wijk achter het Zuidstation. Ik kon er beginnen in La Providence, een middelbare school die leerlingen opvangt die overal elders eruit zijn gegooid. Van de eerste minuut van de eerste schooldag begreep ik dat ik op de klassieke manier geen schijn van kans zou maken, of simpelweg mijn tijd zou verspillen. Van de twintig leerlingen waren er vijf komen opdagen. Vijf! De volgende ochtend ben ik bij elk van die gasten gaan aanbellen. Ik heb met hen gepraat, met hun ouders en hun vrienden, en leerde zo stukje bij beetje de wijk kennen. Door mijn ontmoeting met Guy Gilbert had ik een duidelijke methode ontwikkeld: de klassieke denkkaders openbreken, mensen met uiteenlopende achtergronden bij elkaar brengen en hen zo zelfstandig mogelijk hun leven laten inrichten. Ik betrok mijn leerlingen bij projecten rond daklozen en gedetineerden, probeerde hun thuissituatie zo goed mogelijk te begrijpen, en hield scherp in de gaten welke evolutie ze in de loop van het schooljaar maakten. In 2003 richtte ik Tous à bord op - samen met bokser Béa Diallo, nu politicus bij de PS. We wilden zogenoemde "probleemjongeren" verenigen met sportievelingen in een rolstoel, door hen bijvoorbeeld samen aan de 20 km door Brussel te laten deelnemen. Op die manier beleefden veel van mijn leerlingen voor het eerst een waardevol moment met een volwassene. Hun ouders waren afwezig of autoritair, leraars ongeïnteresseerd, politieagenten vielen hen alleen maar lastig. Met Tous à bord wilde ik aantonen dat volwassenen niet per definitie vijanden zijn. Sindsdien is de organisatie sterk gegroeid. Het is mijn visitekaartje, de verwezenlijking waarop ik het meest trots ben. Na acht jaar in Kuregem had ik behoefte aan iets nieuws. Steeds meer leerlingen hielden er vreemde ideeën over de samenleving op na. Tot op zekere hoogte kon ik hen volgen, als ze het hadden over hun gevoel door iedereen in de steek te zijn gelaten of tussen twee culturen te vallen. Maar hun ongenoegen ging dieper dan dat. De eerste signalen van radicalisering staken de kop op. Ik voorvoelde dat sommigen erg vatbaar zouden zijn voor een organisatie die hun een duidelijke, sterke identiteit zou voorspiegelen. Nadien is helaas mijn gelijk gebleken. Enkele van mijn oud-leerlingen waren betrokken bij de aanslagen in Parijs en Brussel. Van dichtbij en veraf.''Veel van mijn leerlingen in Kuregem konden ongelooflijk goed voetballen. Maar vroeg ik waarom ze niet bij Anderlecht speelden, dan kreeg ik telkens hetzelfde antwoord: "Ze moeten ons daar niet, het zijn racisten." Op een dag heb ik bij de club aangeklopt, ik wilde hun kant van het verhaal wel eens horen. Bleek dat de meeste van die jongens elke vorm van discipline of structuur aan hun laars lapten. Ze kwamen te laat op training, of soms helemaal niet, ze aten niet gezond, gedroegen zich allesbehalve voorbeeldig... De kloof tussen de pleintjes en de club was enorm. Een drama voor de hele stad: jonge Brusselaars liepen diepe ontgoochelingen op, Anderlecht speelde potentiële topspelers kwijt. Ik wilde beide werelden dichter bij elkaar brengen. Peter Smeets en Jean Kindermans, respectievelijk begeleider en jeugdcoördinator, waren enthousiast. Samen hebben we in 2008 Purple Talents opgericht, een programma voor jonge spelers als Romelu Lukaku, Michaël Heylen, Davy Roef en Leander Dendoncker. Ik werd hun vertrouwenspersoon, hield me met alles naast het veld bezig: school, familie, vriendengroep, de meisjes die onvermijdelijk rond die jongens cirkelen... Het werk in de schaduw is minstens even belangrijk als dat in de schijnwerpers, herhaalde ik keer op keer. Goed tegen een bal kunnen trappen is maar een deel van het verhaal. Je moet 24 uur per dag, 7 dagen per week op je doel gefocust zijn. Zoals een monnik in een klooster. Gasten als Youri Tielemans en Romelu Lukaku kunnen dat, dat was al op jonge leeftijd duidelijk. Na twee, drie jaar schoof ik door naar het eerste elftal. Dieumerci Mbokani had een moeilijk jaar achter de rug, met enkele blessures en vooral de dood van zijn zoontje van vijf maanden oud, en Anderlecht-manager Herman Van Holsbeeck vroeg of ik Dieumerci persoonlijk wilde begeleiden. Het klikte. Dieumerci kwam snel weer op zijn oude niveau. Meer zelfs, hij hielp Anderlecht aan de titel en won de Gouden Schoen. Ook met Chancel Mbemba, Frank Acheampong en Kara Mbodj bouwde ik een intieme band op. Blijkbaar kan ik goed met Afrikanen overweg. Maar dé speler die me altijd zal bijblijven, is Anthony Vanden Borre. In amper negen maanden tijd heb ik hem zien evolueren van een niet-voetballer, die zelfs in de provinciale reeksen niet mee zou kunnen, tot een vaste waarde op de wereldbeker in Brazilië in 2014. Een formidabele duoprestatie. Elke dag werkten we samen, elke maand stelden we samen nieuwe doelen op. We waren onafscheidelijk. Na enkele weken kende ik hem beter dan hij zichzelf kende. Ik hield Anthony de klok rond een spiegel voor en betrok hem ook bij verschillende sociale projecten. Ik wilde hem nieuwe impulsen geven - in de voetbalwereld is dat vrij ongewoon. En het lukte nog ook. In Brazilië kreeg hij eindelijk waarnaar hij al zijn hele leven snakte: een plek op het grootste podium. Verschillende spelers beschouwden me als hun grote broer. We werden familie. En wanneer ze de club verlieten, bleven we contact houden. Maar zag ik ze daarna opnieuw ontsporen, zoals bij Anthony het geval was, dan leidde dat onvermijdelijk tot persoonlijke frustraties. Ik leefde mee met hun successen, maar nog meer met hun tegenslagen. Ik ging mezelf harde vragen stellen: "Waarin ben ik tekortgeschoten? Heb ik hun autonomie verkeerd ingeschat? Heeft mijn job wel zin?"' 'Na acht jaar bij Sporting Anderlecht was ik toe aan een nieuw avontuur. Meer dan een jaar heb ik erover nagedacht. Cruciaal was het liedje Mon fils est parti au djihad van de Franse zanger Gauvain Sers. Ik hoorde het op de radio en was van mijn sokken geblazen. " Mon fils est parti au djihad / Et j'ai rien vu, j'en suis malade". Ik ben een vechter, ik hou niet van verliezen, en de aanslagen in Maalbeek en Zaventem van 22 maart 2016 voelden als een persoonlijke nederlaag. Als de samenleving afziet, zie ik ook af. Het discours van Thiery Dailly, de nieuwe voorzitter van RWD Molenbeek, sprak me meteen aan. Als je in het hart van een gemeente als Molenbeek een traditieclub wilt heropbouwen, kun je niet om de sociaal-maatschappelijke realiteit heen. Je móét eenvoudigweg op de lokale jeugd inzetten, je móét hen actief bij de club betrekken. Niet omdat je er de sportieve vruchten van zult plukken of omdat het je imago ten goede komt, vooral omdat je door sport het leven van zoveel jonge mensen kunt veranderen. Thierry heeft me carte blanche gegeven . Ik krijg alle vrijheid om samen met de club, de scholen en de buurtwerking sociale projecten uit te werken. We willen de Molenbeekse jeugd aan het voetballen krijgen en zo het slechte imago van de gemeente oppoetsen. Daarnaast wil ik profvoetballers blijven begeleiden. Alexis Saelemaekers en Paul-José Mpoku, onder anderen. Ik wil hen vooral stimuleren om voorbij de grenzen van de voetbalwereld te kijken, om bij te leren van toppers in andere sporten en alert te blijven voor wat er in de rest van de wereld gebeurt. Veel meer dan in gelijk welke andere sport worden voetballers al op jonge leeftijd in de watten gelegd. Juist daarom hebben ze iemand nodig die het hen lastig maakt, hen met zichzelf confronteert, ongewone vragen stelt. Ik wil die lastpak zijn. Mijn bijnaam onder de spelers? De Militant.' 'Op mijn achttiende ben ik gestopt met voetballen. Tot mijn grote frustratie kreeg ik maar geen kans in het eerste elftal van Zinnik. Dankzij een vriend kreeg ik de smaak van het lopen te pakken. Gaandeweg verlegde ik mijn grenzen: eerst de 20 km door Brussel, dan een marathon... Tot ik over de Zijderoute Race hoorde. Een wedstrijd van vijftien opeenvolgende dagen door China, met elke dag een marathon op het programma. Ik ben als een gek beginnen te trainen en won de wedstrijd in 2009, als eerste Europeaan onder de dertig. Vier jaar lang was ik onverslaanbaar. Ik won ultramarathons in Cuba, Haïti, Kenia en Jordanië. Het gevecht met jezelf is onbeschrijflijk. De solidariteit met de andere lopers en de plaatselijke bevolking voelde heel verrijkend. Helaas heeft het lopen me ook het grootste drama uit mijn leven bezorgd. In 2013 vloog ik met Salvatore Notarrigo naar India, voor een wedstrijd van twaalf dagen. Salvatore was een vriend, we hadden ons maandenlang samen voorbereid. Hij was blind. Het moest het hoogtepunt van zijn leven worden. Na de tweede etappe stortte hij opeens in: een herseninfarct, midden in de woestijn. Met de klap veranderde het paradijs in een hel. De organisatie heeft hem naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis overgebracht, waar ik tien dagen naast zijn bed heb gezeten en urenlang alle bizarre taferelen op straat beschreef. Op een bepaald moment werd er beslist om Salvatore naar België te repatriëren. Het zag ernaar uit dat we het grootste exploot uit ons leven verwezenlijkt hadden - levend ontsnappen uit de hel. Maar Salvatore heeft geen voet meer op Belgische bodem gezet: hij stierf tijdens de terugvlucht.Sindsdien heb ik aan geen grote wedstrijden meer deelgenomen. Ik loop nog elke dag, vanochtend 12 kilometer, maar het is onmogelijk te vergelijken met vroeger. Toen moest ik minstens twee keer per week kotsen van de inspanningen. Ik mis vooral de eenzaamheid tijdens zo'n ultrarun en de harde voorbereiding vooraf. Het werk in de schaduw ligt me het beste. Mijn grote droom? Ooit een individuele atleet naar de Olympische Spelen begeleiden. Een jaar lang lijden in de schaduw en dan, pats, één keer schitteren. Voor Salvatore.'