Daar', zegt Jennifer Mainil. 'Daar was het, daar is het gebeurd.'
...

Daar', zegt Jennifer Mainil. 'Daar was het, daar is het gebeurd.' We staan op het jaagpad langs het Canal du Centre, op een warme vrijdagnamiddag in volle herfst. La Louvière ligt 6 kilometer hiervandaan, leert een bordje, Bergen 15. We kijken naar het water, dat rustig lijkt te stromen: amper golven, nauwelijks beweging. Achter de kerk van Thieu, het dorpje aan de overkant van het kanaal, doemt onder de snel noordwaarts drijvende stapelwolken de scheepslift van Strépy- Thieu op. Met zijn hoogte van meer dan honderd meter en zijn strakke vormen in rood, zwart en grijs heeft hij wat weg van een modernistisch kerkgebouw. Rechts van de lift zien we het ijzeren geraamte van Ascenseur n°4, een van de vier oude scheepsliften op het naastgelegen Ancien Canal du Centre. 'In het lege landschap lijken ze skeletten van fabeldieren met grote, machtige kaken, die de spitsen inslikken en weer uitspuwen', schrijft journalist en documentairemaker Pascal Verbeken in Arm Wallonië. 'De veel minder poëtische scheepslift van Strépy-Thieu, een kathedraal van ingenieursvernuft, doet nu hun werk.' Een binnenschip glijdt langs, naamloos zo te zien. Het open laadruim is tot de rand gevuld met metaalafval. Plots is alle rust uit het water verdwenen. De golven klotsen tegen de kaden op, het kanaal komt tot leven. 'Gelukkig passeerde er toen, die dag, niet juist een boot', zegt Jennifer. 'Ik mag er niet aan denken hoe het dan zou zijn afgelopen.' *** Ook toen, die dag, is het water van het Canal du Centre ogenschijnlijk roerloos. Het is donderdag 30 juli en Jennifer heeft een vrije dag. Op haar mountainbike verkent ze de groene heuvels tussen het oude en het nieuwe kanaal. Ze is 20 kilometer ver wanneer ze in de verte de grote, machtige kaken van Ascenseur n°4 ziet verschijnen. Even schakelen, nog een laatste slok van de drinkbus, uitkijken naar de douche straks. De vrije dag is niets te vroeg gekomen. De voorbije maanden zijn zwaar geweest, misschien wel de zwaarste van haar leven. In haar baan als hoofdverpleegster van woonzorgcentrum L'Arche de Vie in Ransart, op een steenworp van de luchthaven van Charleroi, heeft de moeder van twee de coronacrisis van dichtbij meegemaakt. Eind februari al, twee weken voor de aankondiging van de algemene lockdown, was het rusthuis in quarantaine gegaan. De directie wilde snel en zorgvuldig handelen, en dat leek gelukt: van de 130 bewoners raakte slechts een handvol met het virus besmet, erg ziek werden ze daarenboven niet. En toch voelt Jennifer zich moe, versleten, is ze aan een lange vakantie toe. Al die uren, dagen, weken van handen wassen, mondkapjes en beschermende pakken dragen. Al die nachten zonder slaap. Al die frustraties over het niet-handelen van de overheid, alsof die niet van het bestaan van woonzorgcentra afweet. Het heeft op haar ingehakt. Gelukkig is er af en toe tijd om te fietsen of te lopen. In de stilte van de natuur komt ze tot rust, met alleen het fluiten van de vogels, het ruisen van de wind en het kabbelen van het water om haar hoofd. Ook vandaag weer. Na twee uur op de fiets heeft ze de gedachteloosheid die ze zo koestert eindelijk bereikt, zijn haar lichaam en geest een geworden. Tot ze aan de plezierhaven van Thieu komt, bij Ascenseur n°4, en achter zich geschreeuw hoort. Een vrouwenstem. Overduidelijk in paniek. 'Help! Help! Ik kan niet zwemmen! Help!' Jennifer kijkt achterom, weg van de scheepslift, en ziet in het water een knalgele auto drijven. Een Volkswagen Fox, zal ze later te weten komen, als een badeend schommelt hij op het kanaal. 'Help!' Opnieuw de vrouwenstem. Ze maakt rechtsomkeert, gaat recht op de pedalen staan en spurt over het jaagpad in de richting van de auto. Op een parking aan de waterkant troepen bij de campers nieuwsgierigen samen. Jennifer rijdt ze op volle snelheid voorbij - het lijkt wel alsof zij de enige is die nog beweegt. Ze neemt soepel de chicane naast de parking, ziet in de drijvende auto nu ook de vrouw zitten die maar blijft schreeuwen, almaar luider en almaar wanhopiger, remt af, gooit haar fiets in de graskant, trekt haar trui uit en legt die samen met haar telefoon naast de licht beschadigde vangrail bij het water. Van twijfel is geen sprake. Met de voeten vooruit springt ze in het water. Meteen voelt ze hoe koud het is: door de temperatuurschok moet ze even naar adem happen. In schoolslag zwemt ze tot bij de auto, maar met elke slag voelt ze haar benen en voeten verstijven van de koude. Er is geen tijd te verliezen, beseft ze. Als zo meteen alle gevoel uit haar lijf is verdwenen, haalt ze ook zelf de oever niet meer. En al is ze een goede zwemmer, en gaat ze in het plaatselijke zwembad regelmatig baantjes trekken, ze moet onvermijdelijk aan haar dochters denken. Drie en zes zijn ze nu, veel te jong om hun moeder te verliezen. 'Help!' Wanneer Jennifer de gele Volkswagen heeft bereikt, haalt ze heel even opgelucht adem: het zijraam aan de bestuurderskant is open en ondanks haar paniek heeft de vrouw haar gordel losgemaakt. Maar dan begint de ellende pas. Hoe krijgt ze de vrouw in haar eentje uit de auto? Het water blijft maar binnenstromen, de neerwaartse kracht wordt almaar sterker, haar eigen lichaam almaar kouder en zwakker. Ze grijpt de arm van de vrouw vast en begint er als een bezetene aan te trekken. Tevergeefs, ze krijgt de vrouw niet door het raam.De auto begint te kantelen. De kofferbak schiet omlaag, nog slechts een paar seconden en ook de vrouw gaat kopje-onder. Merde! Wat kun je in godsnaam beginnen tegen de kracht van water, tegen de onderstroom? *** 'Op dat moment hoor ik achter mij een mannenstem', zegt Jennifer. 'Ik draai me om en kijk recht in het gezicht van een jonge man, veel ouder dan twintig kan hij nog niet zijn. Blijkbaar is er na mij dus nog iemand in het water gesprongen. En maar goed ook, want hij heeft wél de kracht om de vrouw uit de auto te trekken. Net op tijd. Was hij een paar seconden later geweest, dan was de vrouw samen met de auto gezonken en hadden we haar hoogstwaarschijnlijk niet meer kunnen redden. We sleuren haar samen door het zijraam en proberen haar wat te kalmeren. We moeten snel terug naar de kant, mijn lichaam is stilaan onderkoeld.' Met een paar forse slagen bereikt Jennifer de oever. Vanaf het jaagpad juichen de omstanders haar toe. Vlak bij de plaats waar ze haar trui en haar telefoon heeft achtergelaten merkt ze een trap op, waarlangs ze samen met de man de drenkelinge op het droge brengt. 'Ik begin haar de eerste zorgen toe te dienen en wat vragen te stellen. Heeft ze ergens pijn? Hoe is ze in het water terechtgekomen? En vooral: zat ze alleen in de auto, of was er nog een passagier? Toch geen kind? Maar ze is zo in paniek dat mijn vragen niet bij haar binnenkomen. Ze krijgt geen zin geformuleerd en blijft maar huilen.' Ondertussen is er op de parking bij Ascensceur n°4 een ziekenwagen aangekomen. De ambulanciers leggen de vrouw op een draagbaar en brengen haar onder luid sirenegeloei naar het ziekenhuis van La Louvière. Jennifer belt haar buurvrouw op: of die haar kan komen halen, met de auto? Kracht om zelf naar huis te fietsen heeft ze niet meer. Van omstanders krijgt ze schouderklopjes en felicitaties. Een visser die alles heeft zien gebeuren noemt haar une héroïne, een heldin. Thuis springt Jennifer onmiddellijk onder de douche. Ze wil van haar visgeur af. Maar onder de douche wellen de vragen op. 'Zat er echt maar één iemand in de auto? Had ik op de achterbank niet een glimp van een kinderzitje opgevangen? Ik kan geen rust vinden, tril over mijn hele lijf. Ik stap snel uit de douche en rijd opnieuw tot bij het kanaal. Daar is de politie de auto uit het water aan het takelen, er drijven allerlei spullen in het rond: een handtas, een mondmasker, wat papiertjes van snoep. Eerst mag ik niet door, maar zodra de omstanders me herkennen wil een van de agenten me toch te woord staan. "Je moet niet ongerust zijn", zegt hij. "Er zat niemand anders in de auto, en al zeker geen kind." Er valt duizend kilo van mijn schouders. Maar toch doe ik die nacht geen oog dicht: wat heb ik nu weer meegemaakt?' *** De dag na de reddingsoperatie verschijnt er een artikel in La Nouvelle Gazette, de meestgelezen krant in deze streek. Jennifer krijgt tientallen mails en berichten, ook van mensen die ze niet kent. Iedereen vindt haar een heldin. Een voorbeeld in deze bange, onbarmhartige tijden. Alleen haar moeder reageert anders. Verrassend genoeg is ze kwaad op haar dochter, die zich voor de zoveelste keer in een gevaarlijke situatie heeft gewerkt. 'Al van jongs af aan komt ze met mij zulke fratsen tegen', lacht Jennifer. 'Ik kan haar dus wel begrijpen.' Van de man die samen met haar in het water is gesprongen, heeft ze niets meer vernomen. Van de vrouw wier leven ze heeft gered evenmin.'Via via heb ik twee dagen na het ongeval gehoord dat ze het ziekenhuis snel had mogen verlaten en haar zus heeft me een keer kort gebeld, maar zelf heeft ze me niet benaderd. Dat is vreemd, ik heb per slot van rekening toch haar leven gered? Maar goed, ik ben allang blij dat ze het goed maakt, dat is het belangrijkste. Als ik haar nog eens tegenkom, zal ik haar in elk geval direct herkennen. Dat gezicht vergeet ik nooit meer.' Twee weken na onze ontmoeting zal Jennifer de overstap maken naar een woonzorgcentrum in Waterloo: iets meer middelen, iets meer rust. Maar ook daar blijft het coronavirus een permanent gevaar. Ze zal dus blijven fietsen, ook langs het kanaal, en mocht ze op een dag opnieuw iemand om hulp horen roepen, dan zal ze opnieuw niet twijfelen. 'Als ik uit dit hele avontuur iets geleerd heb,' zegt ze terwijl we van het jaagpad terug naar de parking stappen, 'is het dat je nooit als versteend mag blijven kijken naar een persoon in nood. Reken er nooit op dat iemand anders wel zal springen. Wees nooit een omstander. Kom zelf in actie.'