In de marge van het klimaatdebat komt ook de vraag wat voor landbouw we in Vlaanderen willen weer bovendrijven. Landbouwers zijn bij de eerste om de gevolgen van klimaatverandering te ondervinden. In 2016 stonden de weiden en akkers er verzopen bij, in 2018 mislukten de oogsten door de verzengende hitte en de aanhoudende droogte. Tegelijkertijd wordt de landbouwsector verweten te weinig te doen om haar broeikasgasuitstoot terug te dringen. Ook als het gaat over de dramatische terugval van de biodiversiteit en de problemen van overbemesting in het milieu wordt met een beschuldigende vinger naar de landbouw gewezen. Het gevolg is dat de landbouworganisaties lijnrecht tegenover de groene beweging staan. Dat landbouw en natuur op gespannen voet met elkaar leven, heeft veel te maken met het feit dat ze beiden aanspraak maken op de schaarse open ruimte.

De sleutel tot verzoening tussen landbouw en natuur ligt in het ruimtegebruik.

In 2017 telde Vlaanderen ongeveer 611.000 hectaren landbouwgrond, goed voor 45% van de Vlaamse grondoppervlakte. Natuur moet het met 15% van de totale oppervlakte stellen. Van de benutte landbouwoppervlakte is iets meer dan de helft, 55% in gebruik voor de teelt van voedergewassen en gras. Een groot deel van het ruimtegebruik van de landbouw staat dus op conto van de veeteelt. Toch volstaat die ruimte niet om onze veestapel te voeden, waardoor we grote hoeveelheden soja moeten importeren uit voornamelijk Zuid-Amerika. De Vlaamse veeteelt legt dus ook beslag op de open ruimte in landen als Brazilië, ten koste van het Amazonewoud en de Cerrado. Met de kennis indachtig dat de dierlijke productie bovendien ook een flink aandeel van de totale broeikasgasuitstoot van de Vlaamse landbouw inneemt, is het niet onlogisch dat de omvang van onze veestapel onder vuur ligt. De Standaard berichtte recent over een UCL-onderzoek in opdracht van Greenpeace, waarin scenario's worden doorgerekend die uitgaan van een drastische verlaging van de Belgische veestapel. In de studie wordt de exportgerichte vleesproductie aan banden gelegd, en gaat men uit van een dalende binnenlandse vraag naar vlees. Met een gemiddelde vleesproductie voldoende om iedereen 27 gram vlees per dag te garanderen, slagen we er in al het vereiste veevoeder binnen onze grenzen te produceren, bovendien voor de volle 100% bio. Dat scenario doet niet alleen vragen rijzen naar de haalbaarheid van een volledige conversie naar biolandbouw, maar ook naar de wenselijkheid.

Een overzichtsartikel gepubliceerd in de Annual Review of Resource Economics plaatst een aantal kanttekeningen bij het idee van biologische landbouw als paradigma voor duurzame landbouw. Het voornaamste bezwaar is dat de opbrengst per hectare lager is dan voor conventionele landbouw, waardoor er meer land nodig is voor een zelfde hoeveelheid voedselproductie. Ergens is het ironisch dat de groene beweging (terecht) ijvert om compacter te gaan wonen en de ruimteverslindende auto te laten staan ten faveure van de fiets of het openbaar vervoer, terwijl men op het vlak van voedselproductie toelaat te morsen met de open ruimte.

Een hogere opbrengst van landbouwgewassen en een overeenkomstige reductie van de landbouwoppervlakte, gecombineerd met natuurherstel in de vrijgekomen ruimte, leidt tot een drastische reductie van de broeikasuitstoot.

Gerard Govers, hoogleraar in de geografie en vicerector van de KU Leuven, pleitte onlangs nog in De Morgen voor intensivering van de landbouw, onder andere door het gebruik van GGO's. Het land dat vrijkomt door de hogere voedselproductie per eenheid van oppervlakte zou dan kunnen worden teruggegeven aan de natuur. Een studie gepubliceerd in Nature Climate Change kwam in 2016 tot dezelfde conclusie: een hogere opbrengst van landbouwgewassen en een overeenkomstige reductie van de landbouwoppervlakte, gecombineerd met natuurherstel in de vrijgekomen ruimte, leidt tot een drastische reductie van de broeikasuitstoot. Dergelijke scenario's worden in de literatuur met land-sparing aangeduid, in contrast met land-sharing scenario's die uitgaan van een verweving van natuur en landbouw in het landschap.

De sleutel tot verzoening van de schijnbaar tegengestelde belangen van landbouw en natuur ligt dus in de keuzes die we maken in onze open ruimte. De vraag is of we overal in Vlaanderen dezelfde keuze moeten maken: de keuze voor het scheiden van een hoogproductieve landbouw en robuuste natuurgebieden enerzijds (land-sparing), versus de keuze voor kleinschalige landbouw, met veel ecologische infrastructuur zoals hagen en bomenrijen en met een hoge agrobiodiversiteit (land-sharing). Om de dramatische achteruitgang van akkervogels zoals de veldleeuwerik en de grauwe gors te stoppen en om de wilde hamster een habitat te geven, zullen we hoe dan ook plekken moeten aanwijzen voor landbouwnatuur.

Ook dicht bij steden moeten (meestal biologische) initiatieven zoals voedselbossen en zelfplukboerderijen een plaats krijgen. Beide voorbeelden hebben met elkaar gemeen dat niet de voedselproductie, maar respectievelijk de ecologische functie en de maatschappelijke functie van de landbouw centraal staan. Daarnaast moeten we de landbouwer op plaatsen waar de voedselproductie wel centraal staat toelaten om zijn opbrengsten op een duurzame wijze te optimaliseren, met verantwoord gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, meststoffen en de beste gewassen, ongeacht de veredelingsmethode die aan de oorsprong van die gewassen ligt. Met de vrijgekomen ruimte kunnen we onze bossen en wetlands gevoelig uitbreiden, broodnodig voor koolstopopslag en waterberging. Met grote, aaneengesloten wildernis is de kans bovendien kleiner dat wolven hun tanden in schapen zetten, of dat everzwijnen schade aanrichten aan akkerbouwgewassen.

Om onze landbouw in Vlaanderen drastisch te verduurzamen en een uitweg te zoeken uit het conflict tussen landbouw en natuur, moeten we er ons van behoeden om met ideologische vooringenomenheid naar het probleem te kijken.

De Vlaamse veestapel legt een grote druk op het milieu, de ruimte en beschikbare hulpbronnen, zowel binnen Vlaanderen als daarbuiten. Een geleidelijke afbouw van de dierlijke productie lijkt dan ook een te verantwoorden streefdoel, maar daarmee is het vraagstuk niet opgelost. Om onze landbouw in Vlaanderen drastisch te verduurzamen en een uitweg te zoeken uit het conflict tussen landbouw en natuur, moeten we er ons van behoeden om met ideologische vooringenomenheid naar het probleem te kijken. De oplossing ligt in het midden, met wat mijn UGent-collega Frank Nevens in Knack 'logische landbouw' noemt: een huwelijk tussen veerkracht en efficiëntie, tussen ecologie en technologie, met een landbouwer die een fair inkomen krijgt voor zijn arbeid en een consument die een eerlijke prijs betaalt.