'Met hart en ziel supporteren voor een club heeft een enorme impact op een mens. Het kan je leven domineren, als je niet oppast. De ene wordt erdoor aangestoken, de ander laat het koud. Al bij al kun je het nog het best vergelijken met een virus. Goedaardig of kwaadaardig? Dat hangt ervan af', zegt Filip Boen (1971), professor sport- en bewegingspsychologie aan de KU Leuven. Volgende week verschijnt Iedereen supporter? Het groepsvirus in ons brein. Boen is in het boek onderzoeker en laboratoriumrat tegelijk. Die laatste omschrijving is een half woordgrapje: de professor is van kinds af verknocht aan Beerschot, de Ratten. 'Wetenschappelijk zijn voetbalfans een boeiende groep omdat ze in een extreme situatie zitten. Geen enkele menselijke activiteit illustreert beter wat groepsgedrag inhoudt', zegt Boen. Zijn interesse in groepsprocessen begon al op de speelplaats. 'Ik was 8 jaar toen Beerschot de beker won. Een ultieme bekroning die mij als fan voor eeuwig getekend heeft. De helft van mijn klas supporterde toen voor Beerschot. Twee jaar later, na de omkoopaffaire en de degradatie naar tweede klasse, was ik de enige. Al de rest was overgelopen naar Anderlecht, Standard of Beveren, de succesteams van toen, terwijl mijn paarse sjaal iets werd om je voor te schamen. Ik kon dat niet vatten. Een fan blijft zijn team toch trouw, wat er ook gebeurt? Zoveel jaren later werd dat het onderwerp van mijn masterproef: waarom blijven sommigen achter hun groep staan en anderen niet? Wat maakt dat je die groep ontvlucht? En hoe ga je ermee om wanneer de groep waarmee je je zo identificeert plots een pariastatus heeft?'
...

'Met hart en ziel supporteren voor een club heeft een enorme impact op een mens. Het kan je leven domineren, als je niet oppast. De ene wordt erdoor aangestoken, de ander laat het koud. Al bij al kun je het nog het best vergelijken met een virus. Goedaardig of kwaadaardig? Dat hangt ervan af', zegt Filip Boen (1971), professor sport- en bewegingspsychologie aan de KU Leuven. Volgende week verschijnt Iedereen supporter? Het groepsvirus in ons brein. Boen is in het boek onderzoeker en laboratoriumrat tegelijk. Die laatste omschrijving is een half woordgrapje: de professor is van kinds af verknocht aan Beerschot, de Ratten. 'Wetenschappelijk zijn voetbalfans een boeiende groep omdat ze in een extreme situatie zitten. Geen enkele menselijke activiteit illustreert beter wat groepsgedrag inhoudt', zegt Boen. Zijn interesse in groepsprocessen begon al op de speelplaats. 'Ik was 8 jaar toen Beerschot de beker won. Een ultieme bekroning die mij als fan voor eeuwig getekend heeft. De helft van mijn klas supporterde toen voor Beerschot. Twee jaar later, na de omkoopaffaire en de degradatie naar tweede klasse, was ik de enige. Al de rest was overgelopen naar Anderlecht, Standard of Beveren, de succesteams van toen, terwijl mijn paarse sjaal iets werd om je voor te schamen. Ik kon dat niet vatten. Een fan blijft zijn team toch trouw, wat er ook gebeurt? Zoveel jaren later werd dat het onderwerp van mijn masterproef: waarom blijven sommigen achter hun groep staan en anderen niet? Wat maakt dat je die groep ontvlucht? En hoe ga je ermee om wanneer de groep waarmee je je zo identificeert plots een pariastatus heeft?' Filip Boen: Het is zoals met muziek: de liedjes uit je jeugd blijven meer bij dan wat je later leert kennen. The Smiths waren voor mij superbelangrijk, omdat ik het steengoeie muziek vond, maar ook omdat ik hen ontdekte op een leeftijd waarin ik vatbaar was om emotionele verbindingen te maken. Jongeren zoeken nog naar hun identiteit. Onbewust voelde ik een sterke drang om deel uit te maken van een groep die ik kon claimen als de mijne. Die nood aan verbondenheid zit in ons allemaal, ook bij mensen die graag van zichzelf denken dat ze individualisten zijn. De dag dat ik supporter werd, kan ik me nog zo voor de geest halen. Beerschot klopte Cercle Brugge met 2-0, een zinderende avond die diep in mijn ziel zit geëtst. Ik was een jaar of zeven en had mijn vader nooit op die manier zien juichen. Elke goal veroorzaakte een delirium, het stadion leek één en al vreugde. Daar wilde ik bij horen. Die 2-0 durf ik gerust een spirituele ervaring te noemen die mij voor altijd heeft veranderd. Als Beerschot die dag met 0-3 verliest, was ik dan ook supporter geworden? Misschien niet. Volgens mij kan iedereen voetbalfan worden, mits hij op de juiste leeftijd zo'n groots moment van verbondenheid meemaakt. Wees dus voorzichtig naar welke match je een kind meeneemt: het kan zijn leven bepalen. Bij het onderzoek voor dit boek bleek dat ik mezelf een beetje een rad voor ogen had gedraaid. Ik had altijd gedacht dat Beerschot-Cercle mijn eerste grote voetbalmatch was. Niet dus. Een paar maanden eerder zag ik een troosteloze 0-0 tussen Antwerp en FC Beringen. In mijn herinnering bezocht ik die wedstrijd pas toen ik ouder was, en ik heb er nooit nog veel over nagedacht. Dat heb ik mezelf aangepraat. Natúúrlijk moest Beerschot mijn eerste match zijn. Zo'n samenhangend verhaal geeft ons een goed gevoel. De wereld klopt. We willen niet erkennen hoezeer toeval een rol speelt in de keuzes die we maken. Ons brein spint een web van mythes die verklaren wie we zijn en wat we doen. Wanneer een sociale identiteit wordt geactiveerd, krijg je automatisch zwart-witdenken. Je gaat de verschillen tussen jouw groep en de ander overdrijven. Voetbalsupporters beleven een heel zichtbare variant van zo'n groepsproces, maar je vindt in de politiek of zelfs in de kerk soortgelijke vormen van wij versus zij. Mannen hebben iets meer aanleg voor groepsidentificatie. Mogelijk gaat dat terug op onze geschiedenis als jagers-verzamelaars. Mannen jaagden in groep en moesten zich snel en hecht aan andere jagers kunnen binden. Boen: De identificatie met je club gaat diep. Het is je zelfbeeld, je identiteit die op het spel staat. En er kan er maar één winnen. Bovendien neemt een fan vanzelf de normen van zijn groep over. Met de opkomst van het hooliganisme in de jaren tachtig is gedrag dat de spuigaten uitloopt er jammer genoeg bij gaan horen. Op die momenten zijn die mensen inderdaad even zichzelf niet. Eén keer heb ik het zelf meegemaakt en vandaag schaam ik me er nog over. Het was een bekerderby tegen Antwerp. De harde kern van Beerschot scandeerde een slogan over Patrick Goots die echt niet door de beugel kon. Goots was spits bij Antwerp, maar hij had nog bij ons gespeeld. Hij had zijn oude club zwartgemaakt en die beledigende slogan bekte zo lekker... Voor ik het wist, scandeerde ik mee. Boen: Het heeft niets te maken met het voetbal op zich. Rugby is een veel agressievere sport, en toch zitten alle fans daar door elkaar. Het is een escalatie: de normen zijn in het voeltbal almaar gaan opschuiven. Sinds het hooliganisme worden supportersgroepen letterlijk in aparte hokjes gestopt. Dat versterkt het wij-zij-effect nog. Toen ik als kind ging kijken, kon je gewoon naast supporters van de tegenpartij zitten. Je feliciteerde elkaar en wie verloor, lachte eens groen. Het goede nieuws is: je kunt zo'n groepsnorm bijsturen. Te beginnen bij de jeugd. Wanneer je tolereert dat voetbalouders de scheidsrechter uitkafferen, dan zet dat de poort open. De Voetbalbond moet daar veel strenger tegen optreden. Boen: Supporterschap heeft in wezen geen nut en valt rationeel ook niet te verklaren. Hebt u al gehoord van birgen en corfen? Dat zijn twee fundamentele principes uit de wetenschap van het groepsdenken. Birgen of basking in reflected glory betekent dat we ons wentelen in de roem die afstraalt van succesvolle anderen met wie we ons associëren. Zowat alle marketing of reclame is op birgen gebaseerd: daarom laat men Romelu Lukaku Kinder Bueno's eten. Bij corfen of cutting off reflected failure sluiten we ons af van uitgestraald verlies. Ik had in mijn middelbareschooltijd een stevige schooltas die toen in de mode was. Daarop kleefde een grote paarse sticker met de witte tekst 'I love Beerschot'. Als Beerschot had gewonnen, dan lette ik erop dat de kant van de sticker naar het gangpad was gekeerd. Na een pijnlijke nederlaag draaide ik de sticker richting zitplaatsen, zodat niemand hem zag. Herkenbaar, nee? Dat was dan nog een bewuste handeling, terwijl birgen of corfen meestal gebeurt zonder dat we het zelf beseffen. Een voetbalfan van een weinig succesvolle club zal in zijn supportersleven meer treuren dan juichen. Waarom doet een mens zich dat aan? Als Beerschot verloor, dan kon ik daar down van zijn. Mijn vrouw reageerde dan koel: 'Als je er toch zo slechtgezind van wordt, waarom ga je dan naar dat voetbal?' Twee redenen. Omdat ik het niet kan laten, want het is een wezenlijk deel van mijn identiteit. En twee: wanneer ze wél winnen, dan voelt het zó goed! Boen: Omdat je jezelf totaal met die club identificeert. Een goeie test voor verbondenheid: als iemand kritiek geeft die niet rechtstreeks op jou betrekking heeft, en je reageert toch gepikeerd. Ik ben graag prof aan de KU Leuven, maar ik voel me nu ook niet hartstochtelijk verbonden met mijn unief. Tot iemand er iets lelijks over zegt. Dan zal ik mijn universiteit hevig verdedigen. Finaal voelt het dan alsof je iets 'van mij' aanvalt. Bij voetbal speelt hetzelfde effect, maar dan veel intenser. Boen: Niet noodzakelijk. Mijn broer is Anderlechtfan. Ik zag hem na de loting voor de Champions League. Bayern München, PSG, Celtic: wat een droom! Mijn broer zag het bijna als een straf: 'We gaan ons belachelijk maken!' Voetbalgeluk en succes hangen samen, maar de verhouding is niet één op één. Winnen is voor Anderlechtsupporters zo normaal dat ze zich erg kunnen opwinden als de manier waarop ze winnen niet voldoet. Niet kampioen worden, is voor hen een rampseizoen. Toen Germinal Beerschot in 2005 de beker won, was ik de koning te rijk. Zo intens wordt het voor een Anderlechtsupporter zelden, denk ik. Vaak zie je fans van minder succesvolle teams de situatie herinterpreteren zodat zij op hun manier toch de besten zijn. Bij Beerschot gaan we er bijvoorbeeld prat op dat wij de grappigste spreekkoren brengen. De fans van Antwerp zijn dan weer ontzettend trots op hun stamnummer 1. 'Zelfs al speelt onze ploeg slecht, wij blijven toch bijzonder', is de gedachte. Boen: Dan had ik regelmatig steels naar mijn smartphone gekeken of op z'n minst de drang gevoeld om dat te doen. Ik heb een beetje zelftherapie toegepast om daar minder een slaaf van te zijn. Ik check de stand pas als de match voorbij is, en heb een aantal kleine aanpassingen gemaakt zodat ik niet buitenmatig veel aan Beerschot denk. De kleur paars probeer ik bijvoorbeeld te mijden, behalve dan wanneer ik naar het voetbal ga. Soms was ik liever geen fan geweest, maar je kunt het niet zomaar loslaten. Ik schaam me om het te zeggen, maar toen Beerschot in 2013 failliet ging was ik bijna opgelucht. Dan hoefde ik me niet meer zo op te jagen op zaterdag. Toen Beerschot na de fusie met Wilrijk een doorstart kon nemen, bleek ik toch blij dat dit deel van mijn identiteit niet gestorven was. Ik blijf verzot op dat over the top arrogante sfeertje. De tegenpool van doe-maar-gewoon. Beerschot is mijn paspoort tot even helemaal gek mogen worden. Boen: Een fair weather-fan vereenzelvigt zich met de club als ze wint, maar voelt zich geen hypocriet wanneer hij afhaakt bij een mindere periode. Als je van je eigen club kunt zeggen: 'Ze spelen slecht', dan hoor je waarschijnlijk bij de fair weather-fans. Voor een diehard is het altijd 'wij'. (op dreef) Ga als diehardfan nooit met een supporter van de andere ploeg naar een match. De kans dat het slecht afloopt, is te groot. Het mag je broer of je beste vriend zijn, die negentig minuten is hij 'de ander'. Je depersonaliseert, in beide richtingen. Ik ken weinig Beerschotsupporters persoonlijk, maar op zaterdagavond voel ik mij sterk verbonden met iedereen die een paarse sjaal draagt. Draagt mijn beste vriend rood, dan staat hij mentaal zeer ver van mij af. Boen: Op dit moment niet, want de identiteit van de twee supportersgroepen is te sterk gericht tegen de ander. Normaal is binnen een stad één ploeg dominant. Zie Club Brugge en Cercle, Anderlecht en RWDM, KV Mechelen en Racing. Antwerpen zit met de unieke situatie van twee clubs die elkaar in evenwicht houden. De agressieve rivaliteit tussen Beerschot en Antwerp is nochtans vrij recent. Eind jaren zeventig had je het Metropool-toernooi, dat afwisselend op het Kiel en op de Bosuil werd gespeeld. Als jonge fan zag ik mijn ploeg eens met 0-5 verliezen van Borussia Dortmund, in het stadion van Antwerp dan nog. Ik weende van ontgoocheling en de Antwerp-supporters hebben mij toen getroost. Zoiets is nu ondenkbaar. De omslag kwam in de jaren tachtig. Beide ploegen raakten in verval. De supporters kregen het gevoel dat Standard, Club en Anderlecht beter waren, en dat we die kloof waarschijnlijk nooit meer zouden dichten. De illusie ontstond dat al wat goed is voor de ene Antwerpse club slecht nieuws betekende voor de ander. Wij of zij. Is daar rationeel echt een basis voor? Waarschijnlijk niet, maar voor de fans voelt de relatie tussen Antwerp en Beerschot wel zo. Het is een mythe die er diep is ingesleten. Zelfs al spelen ze al jaren niet meer in dezelfde reeks, toch bestaat er een voortdurende concurrentie tussen de twee clubs. Je moet maar eens op het Kiel zitten wanneer men afroept dat Antwerp verloren heeft. Boen: Dat is het model Racing Genk, dat amper iets overhield van Waterschei en Winterslag, de ploegen waaruit het ontstond. Zo'n tabula rasa is een heel atypische fusie. Ik voel meer voor het model Zulte Waregem. In het begin was dat truitje een kakofonie van kleuren. Lelijk, maar de supporters van Zulte en die van Waregem konden er wel hun symbolen in herkennen. Zoiets is heel belangrijk als je de diehards mee wil krijgen. Een fusie moet je bijzonder goed begeleiden. Als Beerschotfan heb ik er twee meegemaakt. Die met Germinal Ekeren werd een drama: de vroegere supporters van Germinal hebben ze uit het stadion gehoond. De fusie met Wilrijk lukte wél, net omdat men het verleden van die club in ere houdt. Boen: Wat dat betreft ben ik een atypische Beerschotsupporter: dergelijk optimisme is mij vreemd. (lacht) Maar áls het ervan komt, weer een Antwerpse derby op het hoogste niveau, dan is dat bij voorbaat de match van het jaar. Boen: Dat bewijst het thuisvoordeel: in eigen stadion winnen teams significant vaker dan op verplaatsing. De meest geloofwaardige verklaring is dat joelende fans de scheidsrechter beïnvloeden. Alleen krijg je nu ook een tegenbeweging: arbiters stellen zich extra flink op wanneer het thuispubliek tiert. Spelers zeggen vaak: de supporters hebben ons over de streep getrokken. Ik denk dat je die impact vooral niet moet overschatten. AS Monaco is een interessant experiment. Dat is een club zonder fans, maar met een miljardair als eigenaar. Voetbalsucces wordt vandaag vooral bepaald door geld, bewijzen zij. Daar kunnen wapperende sjaals niet tegenop.