Als we een recente studie van de OESO mogen geloven, is een van de grootste bekommernissen van de Belgen hun pensioen. Ze maken zich meer zorgen over het bedrag dat ze zullen krijgen dan over de pensioenleeftijd. Meer dan zes Belgen op tien vrezen dat ze 'peanuts' zullen krijgen - of toch niet veel meer. De pensioenleeftijd lijkt onze medeburgers minder bezig te houden, volgens een verkiezingspeiling die de PS in april 2019 publiceerde en waaruit (tegen alle verwachtingen in) blijkt dat een terugkeer naar het pensioen op 65 jaar geen prioriteit is (slechts het 15de voorstel op 25).

Het is niet de eerste keer dat onze medeburgers hun hart vasthouden voor een instorting van het systeem en het bedrag van hun toekomstige pensioen. Die angst blijft ook bestaan omdat de politici al te lang verzuimen hun verantwoordelijkheid op te nemen in dit netelige dossier, en de burgers zich niet meer voor de gek laten houden door forse politieke verklaringen en verkiezingsbeloften die na de verkiezingen als sneeuw voor de zon verdwijnen.

De toestand van onze pensioenen is alarmerend, met weinig reden voor optimisme. Volgens alle deskundige waarnemers moeten de vakbonden, de werkgevers en de regering koste wat kost nieuwe onderhandelingen beginnen over het wettelijk pensioen, om een akkoord te bereiken dat zijn financiering verzekert.

Voorlopig beperkt men zich er - opnieuw - toe het probleem voor zich uit te schuiven, dankzij lapmiddelen (als het geen prutswerk is) die de schade zo goed mogelijk moeten beperken. Intussen is de jaarlijkse kostprijs van de pensioenuitgaven in tien jaar tijd met bijna vijftien miljard gestegen.

Nog verrassender: de grootste verantwoordelijke is niet de vergrijzing maar wel de opwaardering van de pensioenen. Driekwart van de stijging van de uitgaven is namelijk aan een verhoging van het gemiddelde pensioen toe te schrijven. Dat betekent dat van de stijging van de uitgaven met 14,6 miljard voor bijna 11 miljard het gevolg is van de verhoging van het gemiddelde pensioen, terwijl slechts 3,6 miljard verband houdt met de toename van het aantal gepensioneerden.

Het is een feit dat ons land vergrijst (zoals alle buurlanden) en dat onze sociale zekerheid zwaar onder druk komt te staan door de sterke stijging van het aantal gepensioneerden aan wie zij een uitkering betaalt die tijdens een steeds langere periode voortdurend toeneemt. De bijdragen kunnen die groei van de uitgaven niet meer bijbenen. Ze stijgen zelfs tweemaal minder snel dan de pensioenuitgaven.

Het probleem is dus acuut en het vooruitzicht van massale pensioneringen in de twee volgende decennia zal de situatie niet verbeteren. De enige mogelijke en geloofwaardige oplossingen lijken bijzonder pijnlijk en ondenkbaar voor de politici en de sociale partners, die de mensen liever blijven vertellen wat ze graag horen in plaats van wat ze zouden moeten weten. 'Comfortabele leugens' vallen meer in de smaak dan 'storende waarheden'. Toch zullen pijnlijke aanpassingen nodig zijn, als we geen bankroet willen van ons pensioenstelsel, met gepensioneerden die niets meer krijgen en bij hun kinderen moeten aankloppen om te overleven.

De stilte van de pers over deze ramp is oorverdovend. Wat wij - en wij niet alleen - een 'absolute urgentie' noemen, blijkt duidelijk uit de lopende onderhandelingen over de pensioenhervorming, uit het getouwtrek over de redding van ons prachtige pensioenstelsel met repartitie, dat de rest van de wereld ons matig benijdt (en waarin de jongeren niet meer lijken te geloven), en uit de standpunten van de verschillende vakbonden. Met hun misschien theatrale maar toch vrij duidelijke onwrikbaarheid maken zij de burger ongerust over de toekomst van zijn pensioen.

De pensioenhervorming zal twee onrechtvaardigheden van het huidige stelsel moeten corrigeren.

Een geslaagde pensioenhervorming is alleen mogelijk in een geest van transparantie en oprechtheid. Eerst moet men de centrale vraag stellen die al zo lang wordt ontweken: hoe zullen we de kosten van de vergrijzing over de volgende decennia spreiden? Wat wordt de verhouding tussen aanpassing van de financiering, loopbaanverlenging en bijstelling van de pensioenen (via een indexering aan de lonen en de prijzen)? Die vraag is tot op heden nooit echt gesteld, hoewel ze essentieel lijkt om een oprechte, transparante dialoog met de sociale partners te beginnen.

De pensioenhervorming zal verplicht twee onrechtvaardigheden van ons huidige pensioenstelsel moeten corrigeren. Ten eerste: het is niet eerlijk dat alleen de actieve bevolking alle inspanningen van de vergrijzing moet dragen. Die inspanningen moeten over de volledige bevolking worden gespreid, zodat ze voor iedereen minder zwaar zijn. Uit simulaties die in Hindriks en Baurin (2019) gepubliceerd werden, blijkt dat men de aanpassing van de bijdragen met 1/3 en die van de pensioenen met 2/3 kan verlagen door beide aanpassingen te combineren.

Concreet, als de aanpassing wordt verdeeld tussen de actieve bevolking en de gepensioneerden, stijgen de bijdragen die nodig zijn om een evenwicht tot stand te brengen met 13 procent tegen 2040 in het referentiescenario van het Federale Planbureau (met een groei van de werkgelegenheid van 30 procent) en met 22 procent in het scenario met constante werkgelegenheid; in het eerste scenario dalen de pensioenen met 6 procent , in het tweede met 10 procent.

Als men alleen de bijdragen aanpast, stijgen de bijdragen die nodig zijn om een evenwicht tot stand te brengen in het referentiescenario met 20 procent tegen 2040 en in het scenario met constante werkgelegenheid met 33 procent. Omgekeerd, als men alleen de pensioenen aanpast, daalt het pensioen dat het stelsel in evenwicht houdt in het referentiescenario met 18 procent tegen 2040 en in het scenario met constante werkgelegenheid met 27 procent. Gelet op de sociale houdbaarheid van de pensioenen is dat politiek ondenkbaar. Een tussen de generaties verdeelde aanpassing is dan ook onontbeerlijk.

Een andere onrechtvaardigheid is de uniforme pensioenleeftijd. Ons huidige stelsel, met slechts één pensioenleeftijd, is duidelijk niet eerlijk, gezien de sociale ongelijkheid van de levensverwachting. Lager opgeleide mensen beginnen meestal vroeger te werken maar verlaten de arbeidsmarkt op dezelfde leeftijd als de anderen, hoewel hun levensverwachting korter is.

Het zou eerlijk zijn deze uniforme pensioenleeftijd door een uniforme loopbaanduur te vervangen. Wie zijn loopbaan vroeger begint, kan dan ook vroeger stoppen met werken. Bovendien gaat niet iedereen op dezelfde leeftijd met pensioen. Wie vroeger met pensioen gaat, ontvangt geen lager pensioen en wie langer werkt, krijgt geen hoger pensioen. Dat is niet eerlijk voor de mensen die langer werken.

Een rechtvaardiger pensioenstelsel moet flexibeler zijn voor de individuele keuzes over de pensionering; tegelijkertijd moeten de aangeslotenen bewust worden gemaakt van de gevolgen van een vervroegd vertrek of een vrijwillig uitstel van de pensionering. Dit systeem moet bovendien een progressieve uitstap uit de arbeidsmarkt mogelijk maken met een deeltijds pensioen.

Als we de demografische zelfmoord van ons sociale zekerheid willen vermijden, moeten we onze pensioenen nu dringend hervormen.